Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slede - (glijdend voertuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sle(d)e zn. ‘glijdend voertuig’
Mnl. slede ‘glijdend voertuig’ in Om die slede te trecken [1343-44; MNW crebbe], met nevenvormen sledde ‘id.’ [15e eeuw; MNW] en sleedse ‘id.’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. slé/sléde oft sledde [1562; Naembouck]; slee in met heele sleen vol [1670; iWNT].
Slee is met wegval van intervocalische -d- ontstaan uit slede.
Os. slido (mnd. slede); ohd. slito (nhd. Schlitten); nfri. slide; on. sleði (nzw. släde); alle ‘slee’, < pgm. (m) *slidan-, (f) *slidōn-. Amerikaans-Engels sled ‘slee’, Brits-Engels sledge ‘id.’ en Engels sleigh ‘arrenslee’ (zie ook → bobslee) zijn ontleend aan resp. mnl. sledde, mnl. sleedse en vnnl. slee.
Ablautend zn. bij het sterke ww. pgm. *slīdan- < *sleidan-, waaruit: mhd. slīten; oe. slīdan (ne. slide); nzw. vero. slida; alle ‘glijden’. Zie ook → glijden.
Hierbij hoort ook de afleiding pgm. *slid-ra- ‘glibberig’ en het bijbehorende ww. *slidrōn- ‘uitglijden’, zie → sliert.
Verwant met: Sanskrit srédhati ‘glijdt uit, faalt’; Litouws slidùs ‘glibberig’, slìdė ‘ski’, slýsti ‘uitglijden’; Oudkerkslavisch slědŭ ‘glijspoor’ (Russisch sled ‘spoor’); < pie. *sleidh-, *sloidh-, *slidh- ‘uitglijden, verkeerd lopen’. Ook Grieks olisthánein ‘uitglijden’ is vrijwel zeker verwant; als de anlaut niet secundair is, moet men een laryngaal aannemen, dus pie. *h3sleidh- (LIV 307), met metathese *h3leisdh- voor het Grieks. Zie ook → slenteren en → verslinden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slede* [voertuig op ribben] {slede 1266, slee 1454} en jonger slee, oudsaksisch slido, oudhoogduits slito, middelengels slede, oudnoors sleði, van middelnederlands sliden [glijden], middelhoogduits sliten, oudengels slidan; buiten het germ. oudbretons stloit [glijder], litouws slysti, lets slīdēt [glijden], oudindisch sredhati [hij glijdt weg]; verwant met slijk, slijm, slak1, leem1, slidderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slede, slee znw. v., mnl. slēde v., os. slido m., ohd. slito m. (nhd. schlitten), slita v., me. slede (ne. sled), on. sleði. — Eigenaardige bijvormen zijn mnl. sledde v., mnd. sledde m., ohd. sliddo m. (met affectieve -dd-), dan nog antw. slet, wvla. slette ‘slede’ en noordholl. (reeds 16de eeuw) sleedse. — Zie verder: sledderen. — De vorm slede > ne. dial. slead (sedert ±1374); sledde > ne. dial. en amerik. sled (sedert 1388); sleedse > ne. sledge (sedert 1617) en slee > ne. sleigh (vooral in U.S.A. en Canada; sedert 1703; vgl. Bense 393-5).

Hieruit verder fra. esclaidage ‘belasting op waren met karren of sleden vervoerd’ (1339 Luik, vgl. Valkhoff 127). — De bet. ‘plankje dat het glijden van het rak van een steng bevordert’ vermeldt R. v. d. Meulen Ts 73, 1955, 107-8 als scheepsterm reeds vóór 1579. — Uit mnl. sledde stamt nog het woord schledde in de Mark, dat door nl. kolonisten daarheen is overgebracht, vgl. Teuchert Sprachreste 245-6.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slee I, slede znw., mnl. slēde v. = ohd. slito (nhd. schlitten) m., slita v., os. slido m., meng. slede (eng. sled, sledge), on. sleði m. “slede”. Evenals Kil. sledderen, slidderen (nog vla.; evenals slederen), nhd. dial. schlittern, ndd. sliddern “glijden, slieren”, ags. slidor “glad”, slidrian, noorw. dial. sliðra “glijden” ablautend met mnl. slîderen, nog vla. slijderen (zie slieren), mhd. slîten, ags. slîdan (eng. to slide) “glijden”. Verwant met mier. sláet “glijbaan”, gael. slaod “drag, trail” (*sloidh-nó-?), lit. slidùs “glad, glibberig”, slýstu, slýsti “glijden, slieren”, lett. slidas “schaats”, wsch. ook obg. slědŭ “spoor”. Verder gr. olisthánō “ik glijd” (dh-t-), misschien oi. srédhati “hij loopt verkeerd, dwaalt”; onzeker is de combinatie met lat. lûbricus “glibberig” (zie bij sluipen). Idg. (s)lidh- is een verlenging van (s)li- (zie slijm). — Een opvallende bijvorm naast slede is mnl. sledde v. “slee”, ohd. sliddo m., mnd. slëdde m. “id.”, nog vreemder Antw. slet (tt), wvla. slette “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slede, slee. Een eigenaardige verlengde vorm is noordholl. (reeds in de 16e eeuw) sleedse, waaruit men eng. sledge afleidt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slede v., Mnl. id., Os. slido + Ohd. slito (Mhd. slite, Nhd. schlitten), Meng. slede (Eng. sled, sledge), On. sledi (Zw. släde, De. slæde), van denz. stam als ’t mv. imp. van *slijden: z. slieren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slei (zn.) slee; Middelnederlands slede <1343-1344>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjlit, sjliet, zn.: slede, slee. D. Schlitten, met n uit een verbogen vorm, Ohd. slito, Mhd. slite, Os. slido, Mnd., Mnl. slêde, E. sled. Bij Mhd. slîten ‘glijden’, Oe. slîdan, E. to slide, Germ. *slidan.

slooi, zn.: ploegslee, egslee, landbouwslee; bobslee (voor kinderen). Var. van slei. Zoals slei van sliden ‘glijden’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sled(de), sleds, slets, slezze, sluzze, zn.: slee. Hetzelfde woord als Ndl. slede, slee van Mnl. sliden ‘glijden’. Zie ook slets.

slet, zn.: slee. Met Brabantse e-apocope uit slette < Mnl. sledde ‘slee’, Vnnl. sledde, slidde (Kiliaan), met dubbele t ook D. Schlitten. Var. naast Mnl., Mnd. slêde, Ohd. slito, Mhd. slite, Os. slido, On. sleði, ablautend bij Mhd. slîten, Oe. slîdan, E. to slide ‘glijden’. Idg. *(s)leidh- ‘glibberig, glijden’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjlit, sjliet slede (Limburg). = nl. slede, slee = ohgd. slito ‘id.’ of slita ‘id.’ (› hgd. schutten ‘id.’ met n uit de verbogen naamvallen), os. slido, eng. sled ‘id.’. Mogelijk ook = ohgd. sliddo ‘id.’ met affectieve consonantrekking. Afl. bij eng. slide ‘glijden’.
WLD II afl., V, 196, NEW 647.

slette slede (Antwerpen, West-Vlaanderen). ‹ mnl. sledde ‘id.’. Ontwikkeling: sledde*sled.slet en daarna weer t.g.v. analogie › slette. ~ slidderen ↑.
NEW 647.

slij spoor (Zuidoost-Vlaanderen). ~ russ. sled ‘spoor’, russ. sleditj ‘volgen’, nl. slede, ~ slidderen ↑.
WNT XIV 1668.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sledde, slette (DB), zn. v.: slee, m.n. slee waarop eg of ploeg naar en van de akker gebracht werd. Zoals Ndl. slee van Mnl. sliden ‘glijden’; zie slieren.

slene (DB), zn. v.: sleepruim. Afl. van slee ‘sleepruim’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slede, van den Germ. wt. slid = glijden; zie Slieren; het woord w.d.z. het glijdende voertuig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sle(d)e ‘voertuig op ribben’ -> Engels sledge ‘voertuig op ribben’; Engels sled ‘voertuig op ribben’; Schots sled, slade ‘kinderkar’;? Duits dialect Schledde ‘voertuig op ribben’; Frans dialect † sclide ‘glijdend voertuig’; Frans † slée ‘(marine-uitdrukking) werktuig waarmee de Hollanders een vaartuig het land op slepen’; Macedonisch sle ‘apparaat om boten op de kant te trekken’; Esperanto sledo ‘voertuig op ribben’ <via Engels>; Amerikaans-Engels sleigh, sley, slay, slae ‘voertuig op ribben; bovenkaak van een potvis’; Papiaments † slede ‘voertuig op ribben’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels sleigh, glijdend voertuig voor het vervoer van mensen of goederen over ijs of sneeuw; in het dialect: kinderslee (Craigie, DARE, Webster).
- Van Nederlands slede, ook samengetrokken tot slee ‘voertuig waarmee kinderen over sneeuw of ijs glijden’, vroeger ‘glijdend voertuig voor het vervoer van mensen of goederen over ijs of sneeuw’; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik.
* Dat Nederlanders toonaangevend zijn geweest op het gebied van het vervoer over ijs, blijkt wel uit het feit dat het Engels niet alleen skate heeft overgenomen uit het Nederlands, maar dat alle drie de Engelse woorden voor ‘slee’ - sled, sledge, sleigh - teruggaan op het Nederlands. In alle gevallen gaat het aanvankelijk om een voertuig zonder wielen dat glijdend over ijs en sneeuw voortgetrokken wordt. Sledge komt sinds 1617 voor in het Brits-Engels; sled is zelfs al vanaf de veertiende eeuw in het Engels bekend, maar wordt tegenwoordig alleen nog in dialecten en in het Amerikaans-Engels gebruikt. Sleigh is het enige woord dat in het Amerikaans-Engels direct is overgenomen van Nederlandse kolonisten. Het komt voor in een groot aantal spellingen, zoals sley, slay, slae. In het allereerste citaat is zelfs de Nederlandse spelling nog bewaard gebleven.
1696 It is resolved ... to Present ... Two good and sufficient horses, & a Slee. (Mathews)
1703 Corps is brought to Town in the Governours Slay.
1708 Deleware River so froze that Loaden Slaes goes from hence upon it to Philadelphia.
1721 They went to church in a sley.
1759 [I] send you twenty-two sleys to transport your sick.
1832 Americans ... draw a distinction between a sled, or sledge, and a sleigh; the sleigh being shod with metal. (Craigie sled)
In de negentiende eeuw evolueerde sleigh, net als de slee in de Lage Landen, van een transportvoertuig in een kinderspeeltuig; misschien als verkortingen van de oudere samenstellingen handslee respectievelijk hand sleigh.
1841 They prepared a rude hand sleigh ... The flat and wide side was the bottom of the runner, and it was bent up forward.
1869 Wheelbarrows and Childrens’ Sleighs.
In diezelfde eeuw werd de slee, die geleidelijk zijn functie als vervoermiddel over sneeuw en ijs kwijtraakte aan de trein en andere nieuwe vervoersmiddelen, in de VS verbonden met de viering van Kerstmis. In 1857 werd het beroemde liedje ‘One-horse open sleigh’ geschreven, meestal bekend onder de naam ‘Jingle bells’. Sleigh bells, de belletjes die bevestigd zijn aan het paardentuig of de slee en die voor het eerst in 1790 zijn vermeld, kregen een belangrijke rol in veel kerstliedjes, onder andere in het zeer populaire kerstlied ‘White Christmas’ van Irving Berlin uit 1940. En al eerder begon ‘Winter Wonderland’, geschreven in 1934, met: ‘Sleigh bells ring, are you listening.’ De slee werd het vaste vervoermiddel van Santa Claus (zie 2.11) - het is grappig om te zien hoe twee Nederlandse exportproducten in de VS met elkaar verbonden raakten, terwijl ze in hun land van herkomst geen enkele relatie met elkaar hadden of hebben.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slede, slee* voertuig op ribben 1266 [CG I1, 90]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)leidh- ‘schlüpfrig, gleiten’, Erweiterung von lei-3, slei- oben S. 662 f.

Ai. srédhati ‘gleitet ab, geht fehl, irrt’; gr. ὀλισθάνω, Aor. ὤλισθον ‘gleite’, ὀλισθηρός ‘schlüpfrig’, ὄλισθος m. ‘Glätte, Schlüpfrigkeit’ (*lidh-to-s) beruhen auf einem -dhō- oder -tō- Präsens; Anlaut wie in ὀλιβρός von der verwandten Wurzel (s)leib-, oben S. 663;
mir. slōet ‘Floss’, nir. slaod ‘gleitende Masse’, mit unklarem dd;
ags. slīdan, mhd. slīten ‘gleiten, rutschen’, ags. slide m. ‘Ausgleiten, Fall’, ahd. slito, aisl. sleði ‘Schlitten’ (vgl. lett. slidas ‘Schlittschuhe’), ags. slidor ‘schlüpfrig, glatt’, slidrian ‘ausgleiten’, nd. slidderen, nhd. schlittern;
lit. slýstu, slýdau, slýsti ‘gleiten’, lett. slist, slīst ds., slîdēt ‘rutschen, gleiten’, lit. slidùs ‘glatt, schlüpfrig’, lett. slids ds., slidas Pl. ‘Schlittschuhe’, slaids ‘abschüssig, glatt’, sliẽde ‘Spur, Geleise (vom Wagen)’; apr. slidenikis ‘Leithund’;
aksl. slědъ ‘Spur’, russ. slěd ds., sležý, sledítь ‘spüre, folge’ usw.
dazu wohl n-Präsens sli-n-dhō in lit. lendù, lindaú, līsti, lett. lìenu, lìdu, lìst ‘kriechen, hineinschlüpfen’, und durch Ablautentgleisung germ. *slind-, sland-, slund- in got. fra-slindan ‘verschlingen’ (eigentlich ‘gleiten lassen’), ahd. slintan ds., mhd. slint, slunt Schlund’, ändl. slinderen ‘gleiten, kriechen’, mhd. lendern ‘schlendern’, ndl. lunderen ‘zaudern’;
vgl. mit anderer Erweiterung sli-n-dō, germ. *slint- in aisl. sletta slatt ‘sinken, gleiten, hängen’ (*slintan), sletta ‘schlagen, werfen, spritzen’ (*slantjan), schwed. slinta ‘fallen, gleiten’, schwed. dial. släntra = nd. slentern, ndl. slenteren, nhd. schlenzen ‘schlendern’, ablaut. norw. dän. sluntre ‘unordentlich sein’, nd. sluntern ds., nhd. schlunzen ‘nachlässig gehen’;
falls lat. lumbrīcus m. ‘Wurm’ auf *londhr-īko- zurückginge, könnten obige n-Formen auch auf eine Wurzel (s)lend(h)- ‘gleiten’ zurückgeführt werden.

WP. II 707 f., 715, Trautmann 269, Vasmer 2, 658 f., Johannesson 922 f., 931 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal