Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slapen - (in diepe rust zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slapen ww. ‘in diepe rust zijn’
Mnl. slapen op plumine bedden ‘slapen op veren bedden’ [1236; VMNW].
Waarschijnlijk oude afleiding van de wortel van het bn.slap in de betekenis ‘lui, niet geneigd tot actie’.
Os. slāpan (mnd. slapen); ohd. slāfan (nhd. schlafen); ofri. slēpa (nfri. sliepe); oe. slæpan (ne. sleep); got. slepan; alle ‘slapen’, < pgm. *slēpan-. Daarnaast staan ook zwakke varianten *slēpōn- (oe. slāpian) en slēpjōn- (ohd. slāpfon). Hierbij ook het zn. pgm. *slēpa- ‘slaap’, waaruit: mnl. slaep (zie onder); os. slāp (mnd. slāp); ohd. slāf (nhd. Schlaf); ofri. slēp (nfri.); oe. slǣp (ne. sleep); got. sleps.
Het woord is in het West- en Oost-Germaans in de plaats gekomen van een Indo-Europees woord voor ‘slapen’, dat heeft geleid tot de Germaanse stam *swef-, met hedendaagse representaties in de Noord-Germaanse talen (bijv. Nieuwzweeds sova) en Oudengels swefan ‘slapen’, en met geïsoleerde vindplaatsen in het Oudnederlands en het Oudsaksisch, zie → hypnose.
slaap 1 zn. ‘het slapen’. Mnl. slaep ‘id.’ [1240; Bern.]. Afleiding van → slapen. ♦ slaap 2 zn. ‘deel van het zijvlak van het hoofd’. Mnl. slaep ‘id.’ [1240; Bern.], Doe dursloech soe haren gaste. Bede de slape ‘toen doorboorde zij haar gast beide slapen’ [1285; VMNW]. Hetzelfde woord als het voorgaande. Het lichaamsdeel is zo genoemd, omdat men bij het slapen op de zij op dat deel van het hoofd ligt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slapen* [in slaap, rust zijn] {oudnederlands slapan 901-1000, middelnederlands slapen} oudsaksisch slapan, oudhoogduits slafan, oudfries slepa, oudengels slæpan, gotisch slepan; van slap, dus eig. slap worden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slapen ww., mnl. slâpen, onfrank, slāpan, os. slāpan, ohd. slāfan (nhd. schlafen), ofri. slēpa, oe. slæpan (ne. sleep), got. slēpan. — Zie verder: slap.

Men zal dus slapen als een toestand van inactief, lijdelijk, slap zijn moeten opvatten. — Een idg. benaming voor ‘slapen’ wordt onder suf behandeld.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slapen ww., mnl. slâpen. = onfr. slâpan, ohd. slâfan (nhd. schlafen), os. slâpan, ofri. slêpa, ags. slæ̂pan (eng. to sleep), got. slepan “slapen”. Bij slap: oorspr. = “slap zijn, traag zijn, van vermoeidheid slapen”; of “’t hoofd laten hangen”? On. sofa “slapen” komt van een idg. wortel voor “slapen”: zie suf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slapen 1 ono.w. (in slaap zijn), Mnl. id., Onfra. en Os. slâpan + Ohd. slâfan (Mhd. slafen, Nhd. schlafen), Ags. slǽpan (Eng. to sleep). Ofri. slépa, Go. slepan + Lat. labi = glijden, labare = wankelen, Osl. slabŭ = slap: Idg. wrt. slab. De grondbet. was wel: slap zijn, moede zijn, enz.: vergel. slap.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slaope (ww.) slapen; Aajdnederlands slapan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slapen (sliep, heeft geslapen), (ook:) 1. (onoverg.), gedurende de nacht aanwezig zijn, ondergebracht zijn (gezegd van dingen). Mijn bus slaapt thuis (mond.) = Ik (buschauffeur) laat mijn bus ’s nachts bij mijn thuis staan, ik breng hem niet naar een garage o.i.d. - 2. (overg., niet alg.), gedurende de nacht over laten staan, i.h.b. ondergedompeld. Er was een kalebas* [zie bet. 2] die werd ’geslapen’ in een kuip met wateren en kruiden (Cairo 1982: 264).

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

slapen. - Dit werkwoord kan overgankelijk gebruikt worden, t.w. met een accusativus etymologicus; anders is het altijd onzijdig, en als zoodanig kan het wel vergezeld gaan van een bijwoordelijke bepaling, maar men kan nooit zeggen van een slaap als lood slapen, dat blijkbaar eene vertaling is van fr. dormir d’un sommeil de plomb. || Hij sliep twaalf uren van een slaap als lood, BUYSSE in De Gids 1895, II, 257.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slapen ‘in slaap, rust zijn’ -> Frans dialect aler chlop', aler è chlop, aller chlop/slop, alę ašlǫp ‘gaan slapen’; Negerhollands slaap, slāp, slap, slaep ‘in slaap, rust zijn’; Skepi-Nederlands slapi ‘in slaap, rust zijn’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Gaat u maar rustig slapen [uitspraak] (1936). De politicus Hendrikus Colijn (1869-1944) houdt als minister-president op 11 maart 1936 een radiorede over de oorlogsdreiging, die hij afsluit met de woorden: “Ik verzoek den luisteraars dan ook om (...) even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen.” Het ingekorte ‘Gaat u maar rustig slapen’ is een gevleugelde uitspraak geworden. Vaak wordt gedacht dat Colijn deze woorden aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland sprak, maar dat klopt dus niet.
Voor straks lekker slapen en morgen gezond weer op [uitspraak] (1981). Televisiepresentatrice Sonja Barend (1940) besluit haar talkshows vanaf 1981 met de spreuk ‘Voor straks lekker slapen en morgen gezond weer op’. Dit was volgens haar wat Joodse moeders voor de oorlog zeiden als ze hun kinderen in bed stopten: ‘een zin die warmte, bezorgdheid en geborgenheid oproept’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slapen* in slaap, rust zijn 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

slapende bevoegdheden, zie citaat.

Reeds enige tijd doet zich in het voortgezet onderwijs het probleem voor van de zogenaamde slapende bevoegdheden. Hiermee wordt bedoeld de omstandigheden dat leraren in het voortgezet onderwijs verplicht worden lessen te geven in een vak waarvoor zij wel bevoegd zijn, maar eigenlijk onvoldoende bekwaam zijn, vanwege het feit dat zij in dit vak nimmer of lange tijd geen lessen hebben gegeven. (De Volkskrant, 19/03/88)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

601. Iemand het gat van de deur wijzen,

ook wel iemand het vierkante gat wijzen, d.w.z. iemand de deur wijzen, hem verzoeken of gelasten onmiddellijk het huis of de kamer te verlaten; mnl. enen door ende dorpel wisenMnl. Wdb. II, 308.. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw; vgl. Campen, bl. 106: Ick wil hem tgat van der doere wysen. Dat het vierkante gat voor deur eveneens in dien tijd voorkwam, bewijst Kiliaen, die vierkant gat vertaalt door spatium ostii, en een plaats uit den Handel der Amoureusheyt I, 53:

Ick wedde dat hy (Aeneas) zal ruymen den stal
En heymelijck kiesen 't vierkante gaetken.

De uitdrukking is thans in geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Joos citeert bl. 77: iemand het gat van den timmerman wijzen; De Bo, 341: het gat uitgaan of uittrekken, de deur uitgaan; iemand het gat van den timmerman toogen; zie ook Antw. Idiot. 445; Waasch Idiot. 230; Teirl. 446; Schuermans, 138 a en 732 b; Tuinman I, 301 en II, 199; in het fri.: immen it fjouwerkante gat of it gat fen 'e doar wize. Syn. is het Antw. iemand de klink van de deur wijzen. Vgl. het hd. jem. zeigen wo der Zimmermann das Loch gemacht (oder gelassen) hat; einem die Tür weisen.

927. Men moet geen slapende honden wakker maken,

d.w.z. een sluw (of oneerlijk) mensch moet men niet waarschuwen; men moet geen moeilijkheden, die men mijden kan, veroorzaken. In het middeleeuwsch Latijn lezen we:

Irritare canem noli dormire volentem
Nec moveas iram post tempora longa latentem

dat in het Middelnederlandsch (Van Zeden, vs. 375) aldus nagevolgd is:

Wilt niet tanenKil.: tanen, tenen. Fland. irritare. Thans nog in West-Vlaanderen: tanen = tergen, kwellen, plagen. Zie Mnl. Wdb. VIII, 66. den slapenden hont,
Maer twist laet slapen talre stont:
Dat leden es, wilstuut ontwecken,
Men mocht te diere onneeren vertrecken.

Zie Sp. Hist.5, 24, 203; Bouc v. Seden, bl. 90; Van Zeden, bl. 59-60; Plantijn: Een slapenden hondt wecken, irritare crabrones en Tijdschrift X, 118-123. De bet. is hier: het onaangename, dat voorbij is, moet men niet weer oprakelen; lett. den nijdigen hofhond, die slaapt, moet men niet weer wakker maken; eene waarschuwing, die men in de middeleeuwen ook uitdrukte door: laet dat catkijn ronken. In de 18de eeuw had dit spreekwoord nog deze beteekenis (zie Halma), doch bij Weiland wordt het reeds verklaard als: ‘eene moeijelijkheid, welke men mijden kan, (niet) veroorzaken’. Algemeen is het spreekwoord in gebruik geweest, zooals blijkt uit Campen, 57: Slapende honden sal men niet wecken, laet hem in syn vrede; Servilius, 167; Harreb. I, 321; Het Volk, 13 Mrt. 1914, p. 7 k. 2: En gedachtig aan het woord dat men geen slapende honden wakker schudden moet, hielden de autoriteiten zich maar van den domme. Daarnaast in 't mnl. slapende wolven wecken, kabaal doen ontstaan; nu nog in Vlaanderen: slaepende wolven wacker maecken (Adag. 57; Joos, 108; 147). In de andere talen vinden we haar ook; in het Fransch: il ne faut pas réveiller le chat qui dort; eng.: to let a sleeping dog lie; to wake a sleeping dog; hd.: schlafende Hunde soll man nicht aufwecken; zie Wander II, 839; 858-859, waar het spreekwoord nog in vele andere talen wordt aangewezen. In het Friesch: Men moat gjin sliepende hounen wekker meitsje.

1557. In Morpheus' armen liggen,

d.i. rustig slapen. Vgl. o.a. Handelsblad, 30 Mei 1914 (ochtendbl.), p. 7 k. 2: Nacht en dag is er doorgewerkt en toen de expositie heden geopend werd, lagen de meesten in Morpheus' armen, om wat op verhaal te komen. Morpheus, de zoon van Hypnos (Somnus), den god van den slaap, bezat volgens Ovidius, Metam. XI, 655 vlgg. de macht om droombeelden op te wekken (vgl. Vondel II (ed. Thijm), bl. 253, vs. 208-211). In het fr. être dans les bras de Morphée; hd. in Morpheus' Armen liegen; eng. to lie in Morpheus' arms. Vgl. het van Morpheus afgeleide znw. morphine, een bedwelmend middel uit opium bereid.

1955. Slapen als eene roos,

d.w.z. heerlijk, vast slapen; vooral van kinderen gezegd, die in hun slaap een hoogroode kleur kunnen krijgen, als hadden zij ‘rozen op de wangen’; de uitdr. zal derhalve eig. willen zeggen: in den slaap er uitzien als eene roos. Ze komt voor bij Ogier, 15: Geef ick het eens de Mem, dan slaeptet voort soo sacht als een roos tot smorgens; Den eerelycken Pluck-vogel, 113: 'k Vondt onlanghs eens myn Nymph heel soetjens slapen leggen, sy sliep gelyck een roos; zie verder Spect. XI, 117; C. Wildsch. V, 310; Noord en Zuid XIV, 219-221; Harrebomée II, 230 a; Ndl. Wdb. XIII, 1319; 1542; Waasch Idiot. 560 b; Antw. Idiot. 1044: slapen gelijk 'en roos, waarnaast in denzelfden zin een wkw. roozen; fri. sliepe as in roas.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lē̆b-, lō̆b-, lāb-, leb- ‘schlaff herabhängen’, auch ‘Lippe’ (?), z. T. mit anlaut. s-; daneben, aber weniger häufig (s. dazu lep- ‘abschälen’ am Schlusse) Formen auf -p-; nasaliert (s)lemb(h)-. Viele expressive Bildungen.

Gr. λοβός ‘Schotenhülse, Samenkapsel; Ohrläppchen’, ἔλλοβος ‘schotentragend’, λεβηρίς ‘Schlangenhaut, Bohnenhülse’ Hes., λέβινθοι ‘Erbsen’;
lat. nur mit ā̆: labō, -āre ‘wanken, schwanken’, lābor, -ī, lapsus ‘gleiten, sinken, fehlgehen’;lābēs, -is ‘Einsinken, Fall, Erdrutsch; Untergang, Verderben’ und ‘Makel, Schandfleck’; vielleicht labor, -ōris ‘Mühe, Last; Anstrengung; dann: Arbeit’, labōrāre ‘sich mühen, geplagt sein’ (eigentlich ‘das müde Wanken unter einer Last’); wohl labium (labeum), labrum n. (meist Pl. labia, labra) ‘Lippe, Rand’;
reich entwickelt im Germ.:
1. isl. norw. lapa ‘schlaff herabhängen’, isl. lapi ‘homo sui negligens’, mhd. erlaffen ‘erschlaffen’, nhd. laff ‘schlaff, matt’; geminiert: aisl. leppr m. (*lappja-) ‘Lappen, Locke’, as. lappo ‘Zipfel, Lappen’, mnd. lappe ‘Stück, Lappen, Wamme’, ags. læрра, lappa m. ‘Zipfel, Lappen’ (engl. lap ‘Schoß’), ags. ēar-liprica, nhd. (nd.) Ohr-läppchen (mit einf. p mnd.ōr-lepel ds., mhd. leffel ‘Ohr des Hasen’, nhd. die Löffel); ndd. laps, schlaps, lapp ‘läppischer, dummer Mensch’, nhd. Laffe (*lapan-); daneben auf idg. -p: holl. laffaard ‘Laffe’ - zunächst von holl. laf ‘matt, schlaff, albern’ - und mit germ. bb mhd. lappe - auch lape - und nhd. Lapp, läppisch, endlich dehnstufig mhd. luof ‘Tölpel’;
von der Wurzelform auf idg. p weiter aisl. lafa ‘baumeln, hangen’, mhd. Partiz. erlaben ‘erschlafft’, schweiz. labe ‘Pferd mit hängenden Ohren, Ochse mit abwärts gekehrten Hörnern’; schwed. dial. labba ‘anhängen’, ndd. labbe ‘(hängende) Lippe’, ahd. (aus dem Ndd.) lappa f., mhd.lappe f. m. ‘niederhängendes Stück Zeug, Lappen’;
2. mit der Bedeutung ‘Lippe’ als ‘die hängende’ (wie lat. labium): mnl. lippe f., nhd. Lippe, afries. ags. lippa m. ‘Lippe’, (*lepi̯-an-), norw. lepe (*lep-an-), ahd. leffur, as. lepur ds., ahd. lefs ‘Lefze’ (*lep-s);
3. mit anlaut. s-: got. slēpan, saizlēp, as. slāpan, ahd. slāfan, ags. slæpan ‘Schlafen’, got. slēps usw. ‘Schlaf’, aisl. slāpr ‘träger Mensch’, ndl. slaap, ahd. slāf m., nhd. ‘Schläfe’; mnd. ndl. slap ‘schlaff’, ahd. slaf (-ff-), nhd. schlaff, isl. norw. slapa (= lapa) ‘schlaffherabhängen’; geminiert aisl. slappi ‘langer, verwachsener Mensch’, schwed. slapp ‘arm, untätig’;
mit idg. -p-: aisl. slafask ‘erschlaffen’ und - von der Vorstellung herabhängenden Schleimes aus - wohl auch isl. slafra ‘geifern’, mengl. slaveren, engl. slaver ds., isl. slevja f. ‘Geifer’, norw. slevjen ‘schleimig, kotig’; norw. slabbe, schwed. slabba ‘sudeln’, mndl. slabben ‘besudeln, schlürfen’, nhd. schlappen (auch ‘geifern’), mengl. slabben ‘sich im Kot wälzen’, nhd. (ndd.) schlappern, schlabbern, schwed. dial. slabb ‘Schlammwasser’, engl. dial. slab ‘schleimig, schlüpfrig’, Subst. ‘Schlammpfütze’;
lit. slobstù, slõbti ‘schwach werden’, lit. žem. slãbnas, ostlit. slõbnas ‘schwach’, lett. slābêt ‘zusammenfallen’ (von einer Geschwulst);
aksl. slаbъ usw. ‘schwach’.
Nasaliert lemb(h)-:
Ai. rámbate, lambate ‘hängt herab, hängt sich an’, lambana- ‘herabhängend’, n. ‘herabhängender Schmuck, Phlegma’;
lat. limbus ‘Besatz am Kleid, Saum’; über gr. λέμφος s. unten;
ags. (ge)limpan ‘vonstatten gehen, glücken’, ahd. limphan, limfan, mhd. limpfen ‘angemessen sein’, ags. gelimp n. ‘Ereignis, Zufall’, mhd. g(e)limpf ‘Angemessenheit, schonungsvolle Nachricht; Benehmen’, ablautend andd. gelumplīk ‘passend’, mhd. limpfen ‘hinken’, engl. to limp ‘hinken’, limp ‘schlaff herabhängend’, ndd. lumpen ‘hinken’, auch nhd. (ndd.) Lumpen ‘Fetzen’; vgl. von einer germ. Nebenwurzel lemb- (wäre idg. *lembh-): mhd. lampen (und slampen), ndd. lempen ‘welk niederhängen’, schweiz. lampe ‘Wamme, herabhängender Lappen’; ags. lemp(i)healt ‘hinkend’;
mit anlaut. s-: norw. dial. slampa ‘nachlässig gehen’, engl. dial. slamp ‘ds., hinken’, norw. dial. slamsa ‘lose hängen, baumeln’; norw. (mnd.) slump ‘Zufall’, engl. slump ‘Morast, nasse Stelle’, to slamp, slump ‘plumpsen, klatschen’, mhd. slampen ‘schlaff herabhängen’, nhd. dial. schlampen ‘schlaff herabhängen, nachlässig sein’, Schlumpe, Schlampe ‘unordentliches Frauenzimmer’ (wohl mit ndd. p);
aisl. sleppa, slapp ‘entfallen, entgleiten’ (*slemp-), Kaus. sleppa (*slampian) ‘fahren lassen’, engl. dial. slemp ‘ausweichen, wegschleichen, sich herabsenken’; von einer Wurzelf. auf germ. b (vgl. gr. λέμφος ‘Schleim, Rotz’); mnd. mhd. slam (-mm-), nhd. Schlamm (*slamba-), spätmhd. slemmen ‘schlemmen’, norw. slemba f. ‘Schlampe’, slemba ‘klatschen’, isl. ‘baumeln’; ferner vielleicht die Gruppe von mhd. slimp (-mb-), slim (-mm-) ‘schief, schräg’ u. dgl.; vielleicht zu lett. slīps aus *slimpas ‘schräg, steil’, lit. nu-slim̃pa ‘entschlüpft’.

WP. II 431 ff., WH. I 738 ff., 802 f., Trautmann 270.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal