Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjoege - (begrip, verstand; antwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sjoege zn. (NN) ‘begrip, verstand; antwoord’
Nnl. (Bargoens) sjoege stieken “inprenten” [ca. 1860; Moormann, 418], sjoeche “begrip”, sjoechem “antwoord”, ik kreeg geen sjoechem [alle 1906; Boeventaal], sjoege geven ‘reageren, antwoord geven’ [1912; Moormann, 660], sjoege van hebben “kennis van hebben” [1912; Moormann, 660], geen sjoege van hebben “geen verstand van hebben” [1922; Moormann, 660], sjoege in hebben ‘erg in hebben’ [1924-25; Moormann, 540], geen sjoege geven “doen alsof je niets merkt” [1925; Moormann, 660].
Wrsch. ontleend aan Jiddisch sjoewe ‘antwoord’ in sjoewe geven ‘antwoord geven’, sjoewe doen ‘tot inkeer komen, boete doen’, dat teruggaat op Hebreeuws šūvā ‘terugkomst’, maar dat de betekenis heeft overgenomen van het verwante Jiddische t(e)sjoewe ‘terugkeer, antwoord, boete’, uit Hebreeuws təšūvā ‘id.’. De -ch- of -g- in het Bargoens en het Nederlands wordt daarmee niet verklaard en is mogelijk ontstaan onder volksetymologische invloed van → mesjogge, mesjokke ‘gek, krankzinnig’. De betekenis ‘begrip, verstand’ is in het Bargoens/Nederlands ontstaan, wellicht omdat geen sjoege geven kan worden geïnterpreteerd als ‘geen verstand hebben’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjoege [begrip, verstand] {sjoeche 1901-1925} mogelijk < jiddisch sjoewe, variant van tesjoewe [antwoord] < hebreeuws təšūbhā [antwoord].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjoege znw. m. ‘begrip, kennis, verstand’ (barg.) < jiddisch schogach ‘hij heeft nauwkeurig waargenomen’ (Moermann 1. 346).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sjoefel 2, zn.: verstand, kennis, begrip. Met wisseling g/f < Bargoens sjoegel < sjoege, sjoechem ‘begrip, kennis’ < Hebr. tesjoewa ‘antwoord’ of schogach ‘hij heeft nauwkeurig waargenomen’ (Endt).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

sjoege begrip, kennis, verstand. Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht, in de verbinding sjoege stieken (stieken is ‘geven’) voor ‘inprenten’. Vervolgens in 1906 opgenomen in De Boeventaal van Köster Henke, als sjoeche voor ‘begrip, verdenking, vermoeden’ en als sjoechem voor ‘antwoord, bescheid’. Bij dit laatste geeft Köster Henke als voorbeeldzin: ‘Ik kreeg geen sjoechem.’ Via het Jiddische tsjoewe ontleend aan het Hebreeuwse tesjoeva, beide voor ‘antwoord’. Men zei (en zegt) geen sjoege geven voor ‘zich gedeisd houden, niet reageren’ en ergens (geen) sjoege van hebben.
— ‘Kedin, nie deurslaan [bekennen], gladde vogel, geen sjoege geve!’ ¶ Is. Querido, Mooie Karel (1925), p. 123. De schrijver verklaart de betekenis (‘doen alsof je niets merkt’) in een voetnoot.
— ‘Wat se in de krante d’r over schrijve, da’s knudde; se hebbe d’r met mekaar geen sjoege van gegete.’ ¶ Benno Stokvis, De moord in de Spuistraat (1926), p. 16
— ‘As je een ander staat te dekke, mot je flink je doppe gebruike en is er een smeris in de buurt, dan mot je piepe en zelf net doen, of je nergens sjoeche van ’eb.’ ¶ Anne de Vries, Jongens van de straat (1934), p. 88

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

sjoege [sjoe’che], sjoeche, sjoechem, sjoewe, soege: antwoord, reactie; geen sjoege geven: zich gedeisd houden, niet reageren; begrip, idee, kennis, verstand (van iets): ergens (geen) sjoege van hebben; vermoeden, verdenking; besjoechem: loos, bij de hand. Zie: tesjoewe | < Jidd. tsjoewe: antwoord < Hebr. sjoev: terug.

— Toch een toffe jadmoos, zo een meid in de vroegte. Als Neel er sjoege van had dat hij haar nagluurde... (IS. QUERIDO, 1912-1925)
— Maup is niet erg handig in die dingen, nee, voor zulke karweitjes moet je bij z’n buurman wezen, da’s ’n vakman, die heb sjoege! (JAN MENS, 1938)
— Lauw Makkie gaf ook al geen draad soege; liep met zijn hoofd tussen z’n benen. (G. P. SMIS, CA.1944)
— “Goedemorgen,” zei hij met een stralend gezicht. “Ik heb je geprobeerd te bellen, ik heb ook op de deur geklopt maar jullie gaven geen sjoeche.” “Misschien komt dat omdat we niet gestoord willen worden,” antwoordde ik. (SIMON HAMMELBURG, 1996)
— Zo, dit is dus de tuin en ik sta erin. Ik kijk ernaar. De tuin doet niets terug. De andere tuinen geven ook geen sjoege. Het maakt ze niets uit of ik erin sta of niet. (REMCO CAMPERT, 1997)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjoege (Jiddisch sjoege)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

sjoege, sjoechem a, kennis, hij heeft er geen sjoege van;
b. antwoord; alleen ndl. volkstaal; sjoechem: alleen ndl. volkstaal; verbasterd uit jidd. sjoewe; geen sjoechem geven; z. sjoewe.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

sjoechem barg. verbasterd uit jidd. sjoewe = antwoord; geen sjoechem geven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjoege begrip, verstand 1906 [Köster Henke] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal