Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sjees - (rijtuigje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sjees zn. ‘rijtuigje’
Vnnl. chaise, chese ‘zeker rijtuig’ in Karossen, Kalessen, Wagens, Chaisen, Karren [1677; WNT], Sleden, Cheses of Wagens [1682; WNT], sjees ‘klein rijtuig’ in een sjees met twee paarden [1748; WNT].
Ontleend aan Frans chaise ‘koets’, verkorting van chaise roulante ‘rollende stoel’ [1668; TLF], naast ouder chaise portatifve ‘draagstoel, draagkoets’ [1556; TLF]. Frans chaise, ouder chaeze [1420; TLF] is een variant van chaire ‘zetel’, ouder chaere [1100-50; TLF] < Latijn cathedra ‘zetel’, zie → katheder. Zie ook → sjezen.
Lit.: F. Debrabandere (1998), ‘Sjees, seze en sieze’, in: T&T 50, 147-149

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sjees [rijtuigje] {1677} < frans chaise [stoel, tweewielig rijtuig], nevenvorm van chaire [preekstoel] < latijn cathedra (vgl. katheder, kathedraal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjees znw. v., waarsch. in de 17de eeuw ontleend < fra. chaise, vroeger ook ‘tweewielig voertuig’; dit is een in dialecten opgekomen bijvorm van chaire < lat. cathedra ‘stoel, zetel’. — De studentenuitdrukking sjezen bet. dus eigenlijk ‘op een sjees de akademie verlaten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sjees znw. Ontleend, wsch. in de 17. eeuw, uit fr. chaise (verschillend verklaard), dat toen ook “tweewielig rijtuig” beteekende. —

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sjees v., uit Fr. chaise = zetel, stoel, sjees, bijvorm van chaire, Ofra. chaere, van Lat. cathedram (-a): z. kathedraal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sees, sjees, zn.: sjees, koets. Uit Fr. chaise (roulante). Ww. sezen, sjezen ‘zich reppen, weghollen’. - Bibl.: F. Debrabandere, Sjees, seze en sieze. TT 50 (1998), 147-149.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

seze, sjeze zn. v.: sjees, koets. Uit Fr. chaise (roulante). Ww. sezen, sjezen ‘ergens naartoe rijden, zich reppen, weghollen’. - Bibl.: F. Debrabandere, Sjees, seze en sieze. TT 50 (1998), 147-149.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

seze (E, G, ZO, ZV), sjeze (L, W, ZV), s(j)ees (B), zn. v.: sjees, koets. Uit Fr. chaise (roulante). Ww. sezen, sjezen 'ergens naartoe rijden, zich reppen, weghollen'. - Bibl.: F. Debrabandere, Sjees, seze en sieze. TT 50 (1998), 147-149.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

scheitskar sjees (Veluwe). Hypercorrect vervormd uit sjees « fra. chaise ‘stoel’, bijvorm van fra. chaire ‘preekstoel’ ‹ lat. cathedra ‘stoel, zetel’ « gr. kathedra ‘zetel’.
Van Schothorst 54.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sjees (Frans chaise)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

sjaes, sjees, sjasy, sjase. Bastaardvloek door verkorting en klanksubstitutie van Jezus. Als varianten zijn overgeleverd sjees en sjaesis, soms ook gespeld als siaesis en sjesis. De vloek en de uitroep doen dienst om op milde wijze schrik, verbazing, verontwaardiging, irritatie, woede bij het zien of vernemen van iets ergerlijks, ontzettends, verbijsterends, ongehoords, frustrerends enz. uit te drukken.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Sjees, sjeezen. Sjees ontleend aan fra. chaise, vroeger ook = rijtuigje op twee wielen. Wedstrijd met sjees en paard. Vroeger ook chais gespeld. Sjeezen met een sjees rijden, dan ook snel voortbewegen, in Zuidnl. en Zaansch seezen = hardloopen. Bij ons nog doorsjeezen, voortmaken, hem sjeezen er van door gaan, naar analogie van hem (= de plaats) poetsen, sjeezen, de academie verlaten (per sjees?) uit den tijd, toen de menschen en ook de studenten meer per sjees reden (zie Kneppelhout 1, 126 en 2, 139). Vandaar ook loopsjees = loopjongen. De spelling en uitspraak seezen komt ook voor, zooals ook sokken naast sjokken, souwen naast sjouwen enz., fo.v. in ’t Zaansch.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sjees, van ’t Fr. chaise, dat eig. zetel, stoel bet. en later op een 2-wielig rijtuig werd toegepast, als ware ’t een stoel op 2 wielen. – Het is afgeleid van ’t Lat. cathedra = zetel (ons katheder = spreekgestoelte). Ook kathedraal (hoofdkerk) is er mee verwant: het is n.1. een kerk met een bisschopszetel (cathedra). – Het studentenwoord sjeesen voor: „niet slagen op een examen” bet. oorspr.: „op een sjees naar huis brengen”, wat men met een „gezakte” deed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sjees ‘rijtuigje’ -> Javaans † siyas, syas ‘rijtuigje’; Papiaments shèrs (ouder: sjès, sjees) ‘licht, hoog tweewielig rijtuig met kap; twee- of vierwielige koets; kinderwagen; poppenwagen; wiegenwagen’; Papiaments shèrs ‘wagen’; Sranantongo syesi ‘rijtuig’; Arowaks sêshi ‘kar, wagen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sjees rijtuigje 1677 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal