Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sim - (snoer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sim1* [snoer] {1653} een fries-hollands woord, vgl. oudfries sim, nederduits sime, oudsaksisch simo, oudengels sima, oudnoors sími; buiten het germ. grieks himas < ∗simas [leren riem], oudindisch setar- [band]. In de uitdrukking onder de sim houden [in zijn macht houden] is waarschijnlijk sim bedoeld als touw van het net, bv. het vinkennet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sim znw. v. ‘hengelsnoer’, vgl. zaans, fries, oostfri. sim ‘band om (een net) toe te halen’, verder vooral in de uitdr. iemand onder de sim hebben. Ofschoon eerst sedert de 17de eeuw bekend, toch een oud (oorspr. fries-holl.?) woord < *sǐma, daarnaast staat abl. ofri. sīm o. ‘snoer, touw’ en sīma m, vgl. os. sīmo, oe. sīma, on. sīmi m., verder on. sīma o., sīm v. en seimr m. (dichterl. ‘goud’, eig. ‘gouddraad’). — gr. himás ‘riem’, oi. sīman-, sīmánta- ‘scheiding, grens’, niers sīm ‘ketting’; m-afl. van de idg. wt. *sēi̭ ‘binden’, vgl. oi. syati, sināti ‘bindt’, lett. sënu, sët ‘binden’ (IEW 891-892).

Andere afl. van deze wortel zijn:
met l zie: zeel
met n zie: zenuw
met t vgl. nhd. saite ‘snaar’'
met p vgl. on. sef ‘bies’'.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sim “hengelsnoer”, in ’t Zaansch Fri. Oostfri. “band om iets (bijv. een net) toe te halen”, vooral bekend in iemand onder de of het sim hebben. Sedert de 17. eeuw. Wsch. oorspr. een fri.-holl. woord = ofri. sîm o. “snoer, touw” naast sîma m. “id.” = os. sîmo, ags. sîma, on. sîmi m. “id.”, on. ook sîma o., sîm v. “id.”, met ablaut ijsl. seimr m. “touw” (bij on. dichters = “goud”). Verwant met zeel. Vgl. vooral gr. hĩmoniā́ “puttouw”, oi. sîmán-, sîmánta- “kruin van ’t hoofd”, die met germ. *sîman- op een idg. *sî-mon- wijzen. Met m-formans nog gr. himā́s, -ántos “riem”, oi. sîmâ- (ook sîman-) “grens”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sim. Misschien ook hierbij ohd. (gl.) seim ‘wier, zeegras’, dat Heinertz Et. St. z. Ahd. 119 vlgg. bij zeem II wil brengen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sim 2 v. (aan een hengelroede), uit Fri. sim + Os. sîmo, Ndd. sîme, Ags. síma, On. sími (Zw. simme, De. sime), van denz. wortel als zeel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Sim snw. Hierdie ou woord is nog onder die Bolandse vissers goed bekend, maar dan nie in die gewone Ndl. betekenis van “hengelsnoer” nie, maar soos dit aangegee word by Boekenoogen 925: “Sim. Bij visschers. De reep... waaraan het vischnet wordt geregen en waarmee dit wordt dichtgetrokken. Het net wordt gelijkelijk uitgespannen tusschen twee evenwijdige simmen, die onderscheiden worden als boven- en ondersim.” Ook by Dijkstra III, 75, en Ter Laan 901 kom sim, sem in dieselfde sin voor. Afrikaanse vissers praat ook nog van ’n net insim. Vir sim sien ook Ndl. Wdb. en Stoett 2047.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2047. Iemand onder de (of het) sim hebben,

d.w.z. iemand onder den duim, in zijne macht hebben (Boekenoogen, 925). Sedert de 17de eeuw is de uitdr. onder sim hebben bekend, blijkens Kluchtspel III, 262; zie verder Tuinman I, 328; Sewel, 718: Iemand onder sim houden (in bedwang houden), to keep one in aw; Halma, 810: Iemand onder 't zim houden, tenir quelqu'un dans la crainte ou dans le respect; Harreb. II, 266: Hij heeft hem onder de sim. Onder een ‘sim’, gron. sem, verstaat men het in het water hangend gedeelte van een hengelsnoer, ook achtersim of ondersim geheeten, maar in het Zaansch, Friesch en Oostfri.Boekenoogen, 925 en 710; Fri. Wdb. III, 74; Ten Doornk. Koolm. III, 183 b. De visschers verstaan onder een sim de lijn, welke het gaas van een net omringt. heeft het ook de bet. van band, koord of touw, waarmede een vischnet of een vogelnet is omboord, in welken zin het in de 17de eeuw voorkomt bij Westerbaen I (Ockenb.), 159 waar hij, sprekende over het vinkenvangen met een slagnet, zegt: ‘wat de simmen raeckt, laet vleugelen en koppen’. Thans is nog bekend ‘simplankje, eene klos, waarom garen wordt gewonden tot het breien van netten’, uit welke gegevens wellicht mag worden besloten, dat men onder het sim moet verklaren als ‘onder het net’, dus: gevangen, een vermoeden, dat steun vindt in het gron. iemand onder slag hebben, onder den duim hebben, gehoorzaamheid van hem kunnen vorderen (Molema, 379 b), waarin ‘slag’ natuurlijk slagnet beteekent. Dat de uitdr. aan het visschen zou ontleend zijn, komt me zeer onwaarschijnlijk voor. In Zuid-Nederland onbekend; fri. immen onder 't sim hâlde, krije, bringe; op Goeree en Overflakkee: iemand onder den benzel (bindsel, bindzeel) houdenN. Taalgids XIV, 252..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal