Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sijs - (vogeltje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sijs zn. ‘zangvogeltje (Carduelis spinus)’
Mnl. siseken ‘sijsje’ [ca. 1440; Harl.], segex est nomen avis, een cyskensegex is de naam van een vogel, een sijsje’ [1494; MNW sijskijn]; vnnl. de geele sijs ‘kanarie’ [1632; iWNT zingen I].
Via Middelnederduits sīsek ‘sijsje’ ontleend aan een West-Slavische taal, bijv. Tsjechisch čížek, Pools czyżyk, Hoog-Sorbisch čižik, alle ‘sijs(je)’; dit zijn klanknabootsende woorden met een verkleiningsachtervoegsel, vergelijk vero. Tsjechisch číž ‘sijs’. In het Nederduits en Nederlands werd -ek eveneens als verkleiningsachtervoegsel geïnterpreteerd en vervolgens in het Hollands en in de standaardtaal vervangen door -je.
In de Duitse standaardtaal is het Slavische woord ontleend als nhd. Zeisig. Zonder achtervoegsel is het Slavische woord al vroeg ontleend als mhd. zīse [1210; Kluge21] (vnhd. Zeise). Andere Germaanse talen hebben het woord aan het Neder- of Hoogduits ontleend: ne. siskin, nno. sisik, nde. sisgen, sise, nzw. siska, grönsiska, nijsl. siska.
De secundaire betekenis ‘snaak, snuiter’ (NN) heeft zich waarschijnlijk op vergelijkbare wijze ontwikkeld als die van rare vogel of vreemde vogel ‘vreemde snuiter’ bij → vogel.
drijfsijs zn. (NN) ‘(volkstaal, schertsend) eend, zwemvogel’. Nnl. drijfsijs (Amsterdamse volkstaal) ‘eend’ [1929; WNT vink I]. In het Nederlands gevormde samenstelling, schertsend bedoeld, gevormd met → drijven bij sijs. ♦ sijsjeslijmer zn. (NN) ‘sul; slijmerd’. Nnl. in Moeder ... Scheldt 'm uit voor sijsieslijmer [1906; WNT sijs II]. Samenstelling van sijsje en lijmer ‘iemand die lijmt’, bij → lijm. Het vangen van vogels met behulp van lijmstokken is in Nederland al zeker vier eeuwen oud, getuige het volgende citaat: Op de voorseyde boomen (sal men) legghen dunne lijmroeykens, ende ... stellen ... voghelhuyskens, waer in dat sullen sijskens wesen, die dander locken sullen. De welcke comende om te sien ... sullen int lijm comen sitten ‘In de genoemde bomen moet men dunne lijmstokjes leggen, en vogelkooitjes opstellen waarin sijsjes moeten zitten die de andere (sijsjes) zullen lokken. Welke (andere) als ze komen kijken, in de lijm vast zullen komen te zitten’ [1582; WNT lijm I]. Het scheldwoord is voor het eerst geattesteerd in een dialectwoordenboek van Oud-Beijerland.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sijs2 [vogeltje] {sijskijn [sijsje] 1494} < middelnederduits czitze, middelhoogduits zise < tsjechisch čiž, russisch čiž, pools czyż, klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sijs znw. v., meestal verkleinwoord, vgl. mnl. sîseken, tsîsel < mnd. czîtze, sīsek (nde. sise, nzw. siska), mhd. zīsic, nhd. zeisig < tsjech. cižek, verkleinw. van ciž (pools czyž, russ. ciž).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sijs znw., in de oorspr. bet. (als vogelnaam) gew. ’t demin. sijsje znw. o., mnl. sîseken, tsîsel. Gaat via ’t Du. (mnd. czîtze, sîsek, mhd. zîse v., zîsec, nhd. zeisig m.) op čech. číž, demin. čížek, po. czyż, demin. czyżyk “sijsje” (een ook oost- en zuidslav. woord) terug. Ook in ’t Skandin. en Eng. ontleend: noorw. sisik, de. sisken, sisgen, zw. siska, eng. siskin.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sijs. Eng. siskin is wsch. via het Ndl. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sijsje o., gelijk Eng. siskin, Zw. siska, De. sisgen, uit Hgd. zeisig, hetwelk ontleend is aan het Slav.: Boh. čižek, Po. czyšyck: wellicht onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sysie: versk. soorte voëltjies (spp. Crithara, Granatina, Linota, Poliospiza, Serinops, Serinus, (veral) spp. Spinus en Uraeginthus); Ndl. sijsje (Mnl. siseken, wu. wsk. Eng. siskin), Hd. zeisig, uit Tsj. çiz (dim. çizek), Poo. czyz (dim. czyzyk), sommige hiervan wsk. kn.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

SIJSCarduelis spinus
Duits Erlenzeisig
Engels Siskin
Frans Tarin des aulnes
Fries Syske
Betekenis wetenschappelijke naam: de op distels voorkomende sijs. Sijs, een klanknabootsende naam, is via Germaans aan Slavische talen ontleend. Velen noemden hem Sijsje. Dialektvormen zijn onder meer Sieske (Lb), Siês (Wee), Sees (ZVl), Sês (ZVl), Saais, Seeske (ONB), Seske (Kem), Siis(ke) (Fr), Siesken (Ach) en Sysien (Ste). Enkele Vlaamse namen, Trientje, Tiertje en Tirijntje, zijn afgeleid van ‘tarin’, de eveneens klanknabootsend gevormde Franse naam voor de Sijs (Tarin des aulnes = sijs van de elzen). Uit de betekenis van de Franse benaming wordt tevens duidelijk dat de soort zich vooral in elzenbomen ophoudt; hij peutert op meesachtige wijze de zaadjes uit de elzenproppen. Door deze manier van fourageren heet het bewegelijke vogeltje bij ons Elzensijsje, Elskatje, Elsvogeltje (Vla), Proppenbieterke (NB) en Smidje (DHg). Het element ‘bloem’ in Bloemsijsje (NB) wil zeggen dat het vogeltje zich onderscheidt als het ‘puikje’ onder de vogels. Niet voor niets was het eertijds een geliefde kooivogel. Een sijsjeslijmer, nu de naam voor futloze kerel, is eigenlijk de naam voor iemand die sijsjes met een lijmstok vangt. Het Vlaamse Baardsijs is een naam voor het mannetje en verwijst naar diens zwarte keelvlek. De betekenis van Waltakke (Ach), eveneens een naam voor de Barmsijs, is ons niet bekend. Als in de herfst grote aantallen sijsjes ons land bezoeken zegt men in Friesland: “in bulte siis, in bulte iis” of wel “veel sijs, veel ijs”.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sijs (Middelhoogduits zīse)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Cijsken Sijsken Schrijfwijzen voor de naam Sijsje in de VK (c.1618). Houttuyn 1763 (p.549) spelt Sysje, maar in zijn Bladwyzer staat de vogel óók onder de C: “Cysje”.

IJslandse Sijs IJslands Sijsje Benamingen voor de Europese Kanarie [B&TS 1995]. De naam berust op een misverstand: de Europese Kanarie komt niet op IJsland voor. De spooknaam vindt z’n oorsprong in de door de Deen Faber beschreven “Loxia serinus” in Prodromus der isländischen Ornithologie (1822), welke soort (het Sijsje misschien?) later “Fringilla islandica” werd genoemd (in Isis 1826 p.1053) en nog later, in Schlegel 1844: “Pyrrhula serinus islandica, D Isländischer Grüngimpel, F Serin d’Islande”. Hiermee werd het taxon ten onrechte aangezien voor een valide ondersoort van de Europese Kanarie, en dit ondanks de zwakke vastlegging van het taxon. Schlegel schrijft nota bene: “Ich habe zwar diesen Vogel nicht in der Natur gesehen, jedoch auf Faber’s Zeugniss darf man ihn wohl, wenn auch nur als Nebenart, aufnehmen.” Dit ook ondanks de bij Schlegel aanwezige wetenschap dat de Europese Kanarie uitsluitend voorkomt in “Südliches Europa und Nordafrika”! Na Schlegel bleef het woord ‘islandicus’ nog minstens tot aan Brehm 1880 z’n spookfunctie behouden: deze auteur voerde nog de naam “Serinus islandicus”. IJslandsch Sijsje is daar min of meer de vertaling van.

Sijs Sijsje Carduelis spinus (Linnaeus: Fringilla) 1758. Fries Syske, Siis, Sysjen, gronings Sieske. Klanknabootsing van de vluchtroep: “(t)siiiz”. Houttuyn 1763 geeft als N naam Sysje ↑.
ETYMOLOGIE N Sijs(je) <Cijsken, Sijsken [VK c.1618] <mnl sijskijn, sîseken, tsîsel <mnd czîtze, sisek. D [Erlen]Zeisig <mhd zisic <tsjechisch Čížek, verkleinwoord van čiž ; pools Czyvż(yk); R Tsjízj(ik); hongaars Csíz (leenwoord uit het slavisch?). E Siskin <nederduits siskin (volgens Lockwood 1995 verschrijving in Turner 1544, waardoor het (neder)duitse woord via de boekentaal in het E terechtkwam); noors Sisik; zweeds Siska; deens Sise. Naar Lockwood komt het woord oorspronkelijk uit het tsjechisch via de handel in kooivogels. Dat zou ook het slavische woord in het hongaars (een niet-slavische taal!) verklaren. F Tarin (1350) des aulnes wordt door Robert 1993 ook opgegeven als een waarschijnlijke onomatopee, maar dan ws. naar de ‘tetterende’ zang (aulne = ‘Els’).

Sysje Oude spelling van de huidige naam Sijs(je) ↑, zoals aan te treffen bij Houttuyn 1763. De y werd toen in het N als diftong uitgesproken (van oorsprong is het (mnl) Siseken met [ie]- klank). In fries Syske ↑ klinkt de y als een korte [ie].

Syske Officiële friese naam voor de Sijs ↑ [Boersma 1972]. In De Vries 1911: “Siis ef Sys en Siiske ef Syske.” Een fries gezegde luidt: In bulte siis, in bulte iis ‘Veel Sijzen, dan komt er veel ijs (/een strenge winter)’ [ViF p.1333]. Siis en Sys worden niet hetzelfde uitgesproken: in Siis is de [ie]-klank lang, is Sys is hij kort (maar nooit heeft Sys de [i]-klank van ‘pit’).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sijsje, sijske ‘zangvogel van de vinkenfamilie’ -> Engels siskin ‘zangvogel van de vinkenfamilie’; Deens sisken ‘zangvogel van de vinkenfamilie; (verouderd) scheldwoord voor een vrouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sisik ‘zangvogel van de vinkenfamilie’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds siska ‘zangvogel van de vinkenfamilie’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans sizerin ‘zangvogel van de vinkenfamilie’; Zuid-Afrikaans-Engels sysie ‘zangvogel’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sijs zangvogel 1494 [MNW] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal