Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sedert - (vanaf); (vanaf het tijdstip dat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sedert vz. ‘vanaf’; vgw. ‘vanaf het tijdstip dat’
Onl. sither (bw.) ‘van die tijd af, sindsdien’ in sither skinan in ęcclesia manigerslachten dugatha ‘sindsdien verschijnen in de kerk menigerlei deugden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sider, seder (bw.) ‘na die tijd, van die tijd af’ in die sider gants uonden werd ‘die daarna gezond verklaard is’ [1236; VMNW], sider dat ic van v sciet ‘nadat ik bij u ben weggegaan’ [1260-80; VMNW], seder dat di hof bornede ‘sinds de boerderij is afgebrand’ [1280-87; CG I, 501], (vz.) ‘vanaf, sinds’ in seder die male, dat ‘sinds het moment, dat’ [1288; VMNW], zider zente bamisse ‘sinds Sint-Bamis (1 oktober)’ [1291; VMNW], sedert ‘na die tijd, van die tijd af’ in Oyt sedert scuwedic ... Mine maghe ‘daarna vermeed ik steeds mijn bloedverwanten’ [1350-1400; MNW-R], Maer sedert dat princen ende prelate Niet en achtten op caritate ‘maar sinds vorsten en geestelijken zich niet meer om werken van barmhartigheid bekommerden’ [1380-1400; MNW-R]; vnnl. Tzedert den utroepene van den voors. voorghebode ‘vanaf de bekendmaking van genoemde verordening’ [1416; MNW], Sedert die huldinge ‘sinds de huldiging’ [1476; MNW wilen].
Sedert wordt nu vrijwel alleen als voorzetsel gebruikt, maar is als bijwoord ontstaan door samentrekking van de voegwoordelijke verbinding mnl. seder dat ‘sinds het moment dat’, waarin het bijwoord seder ‘na die tijd, van die tijd af, sindsdien’ betekent. De klankwettige vorm is mnl. sider met lange -ī-, zoals blijkt uit de andere Germaanse talen, zoals Duits seit. De vorm seder is een nevenvorm die aanvankelijk vooral in Holland voorkwam, maar al in de 14e eeuw ook regelmatig daarbuiten. De huidige s- is opmerkelijk, aangezien mnl. s- in erfwoorden in het algemeen tot nnl. z- leidt. Hij gaat dan ook, net als bij → samen (< tzamen) terug op een vorm tsedert/tzedert, die in de 15e en 16e eeuw regelmatig op schrift wordt aangetroffen, en thans nog dialectisch voorkomt. De t- heeft hierin geen duidelijke functie, maar werd mogelijk toegevoegd naar analogie van andere tijdaanduidende bijwoorden, zoals mnl. tsaren < t(e)jare ‘in dat jaar’, tsavonts ‘'s avonds’.
Bij mnl. sider horen: os. sīthor ‘later, sedert, sedert dat, toen’; ohd. sīdōr ‘later’; ofri. sether; oe. sīðor ‘later’; on. síðarr ‘later’, jongere vormen bij een oorspronkelijke bijwoordelijke vergrotende trap pgm. *sīþiz ‘later’, waaruit: os. sīth; ohd. sīd (nhd. seit); oe. sīþ; on. síðr ‘nauwelijks, zelden’; got. þana-seiþs ‘verder, bovendien’. De hierbij behorende stellende trap komt voor in: mnl. side (zeldzaam); nnl. zijd in de uitdrukking wijd en zijd; oe. sīþ; on. síð (nde., nno. sid ‘lang (van rok enz.), laagliggend, zompig’); got. seiþus (bn.); alle ‘laat’. Oe. siððan ‘later, daarna’ (me. sithen, ne. since < sithence met bijwoordelijke uitgang) gaat terug op sīð þan, met de datief van het aanwijzend voornaamwoord; on. síðan ‘later, daarna’ (nzw. sedan) is op vergelijkbare manier gevormd. Een genasaleerde variant van pgm. *sīþ- verschijnt in het synoniem → sinds.
Pgm. *sīþ- is verwant met: Latijn sētius ‘later; minder’; Oudiers sith- ‘lang durend’; < pie. *seh1(i)-t-, waarbij met andere achtervoegsels ook: Proto-Germaans sain- ‘langzaam, traag’ (o.a. ohd. seine ‘id.’, oe. sæne ‘id.’, on. seinn ‘id.’, got. sainjan ‘talmen’, en zie → langzaam); Latijn sērus ‘laat’, sērō ‘'s avonds’ (Frans soir); Sanskrit sāyá- ‘avond’; Proto-Keltisch *sīro- ‘lang’ (zie → menhir).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sedert* [sinds] {sidert [later, sedert die tijd, naast] 1293, sedert 1573} met toegevoegde t naast middelnl. seder {1265-1270}, vgl. oudsaksisch sithor, oudhoogduits sidōr, oudfries sether, oudengels siðor, oudnoors siðarr, vergrotende trap van oudengels, oudnoors sīð, gotisch seiþus [laat]. Buiten het germ. latijn serus [laat], oudiers sith- [voortdurend], welsh hyd [lengte] (vgl. sinds).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sedert bijw. voorz. voegw., mnl. sēdert met later toegevoegde t voor sēder, mnd. sēder, sēdert, sedder (bijw. voorz.), mhd. sider ‘sedert, aangezienʼ (bijw. voorz. voegw.), ofri. sether ‘later, daarna, danʼ. — Daarnaast staan met lange klinker: mnl. sîder bijw. voorz. voegw. ‘sedertʼ (sîder dat ‘sedert; aangezienʼ), vgl. nvla. sijder, sijdert, os. sīthor ‘later; sedert, sedert dat, toenʼ, ohd. sīdor ‘laterʼ, oe. sīðor, on. sīðarr ‘laterʼ < germ. comp. naast os. sīth, ohd. sīd ‘sedert, aangezienʼ, oe. sīð ‘sedertʼ, on. sīðr ‘minderʼ < comp. *siþis, -iz, siþas, -az bij de pos. got. seiþus bnw. ‘laatʼ, oe. on. sīð bijw. ‘laatʼ. — lat. sētius ‘later, minderʼ. — vgl. nog zijd en sinds.

Men gaat uit van een idg. wt. *sei, waarvoor IEW 889-891 opgeeft als betekenissen 1. ‘werpen, laten vallen, zaaienʼ, waarvoor zie: zaaien; 2. ‘de hand laten zakken, loslaten; laat, langzaam; ontspanning, rustʼ; hier zijn te vergelijken oiers sīr ‘langdurend, eeuwigʼ; lat. sērus ‘laatʼ, miers sīth- ‘lang, durendʼ. Met n-formans: mhd. seine, oe. sæne, on. seinn ‘langzaam, traagʼ, got. sainjan ‘talmenʼ en abl. mhd. senen (nhd. sich sehnen), vgl. lat. sino ‘laten gebeurenʼ desino ‘ophoudenʼ, lit. àtsainus ‘nalatigʼ en verder met m-formans: oe. lancseimi ‘langzaamʼ, noorw. seimen ‘nalatig, langzaamʼ, abl. ohd. gi-sēmon ‘wachtenʼ, oe. siomian ‘talmen, hangenʼ. — De uitspraak met begin s- verklaart men uit zinsandhi, vgl. middelfrank. vormen als tsedert.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sedert bijw. voorz. voegw., mnl. sēdert met jongere t (evenals bijv. mijnent) naast sēder (als voegw. nog gew. sēder dat). = mhd. sider “sedert, aangezien” (bijw. voorz. voegw.), mnd. sēder, sēdert, sedder “sedert” (bijw. voorz., met dat voegw.), ofri. sether “later, daarna, dan”. Ablautend met of veeleer tengevolge van accentcondities ontstaan uit mnl. sîder bijw. voorz. voegw. “sedert” (als voegw. gew. sîder dat, ook = “aangezien”), nog vla. sijder(t) “sedert”, ohd. sîdôr “later”, os. sîthor “id., sedert, sedert dat, toen”, ags. sîðor, on. sîðarr “later”. Naast het oudere synoniem (formeel een comparatief germ. *sîþis, -iz, -as, -az) ohd. sîd (ook voorz. en voegw. = “sedert, aangezien”; nhd. seit), os. sîth, ags. sîð (ook voorz. en voegw. = “sedert”) = on. sîðr “minder” (sîz “nadat”), got. in þana-seiþs “verder, nog”. Hierbij de positief got. seiþus bnw. “laat”, ags. on. sîð bijw. “laat”. Met mhd. seine, ags. sæ̂ne, on. seinn “langzaam, traag”, got. sainjan “talmen, te laat komen”, mhd. seinen “talmen met”, ags. â-sânian “traag, zwak worden”, noorw. dial. sîna “langzaam voortglijden, neerzinken”, seimen “traag”, ohd. lanc-seimi “langzaam” van een basis sî-, idg. sē̆i-, waarvan ook lit. at-sainus “nalatig” benevens ier. sîr “lang”, lat. sêrus “laat” met idg. ê < êi. Vgl. vooral lat. sêtius “minder, minder goed”, dat formantisch na met got. -seiþs enz. verwant is. Zie nog zijd. Een opvallende vorm is sinds, met jongere -s uit mnl. (nog dial.) sint bijw. voorz. voegw. = mhd. mnd. sint (nog in nhd. sintemal) in dezelfde functies. De eenige aannemelijke verklaring gaat van sînt uit (vgl. mnl. sijnt, du. dial. sînt), dat dan een jonge vorm is naast mnl. sîden, sîdent bijw. voegw., mhd. sîdunt, sîdent bijw. = ags. sîð ðam, sī̆ððan, on. sîðan bijw. voegw. De abnormale vormverandering zal wel door accentcondities veroorzaakt zijn. Evenzoo eng. since < meng. sithen(s). De ndl. anlaut-s (waarnaast ook z gesproken wordt) zal aan sandhi zijn toe te schrijven: vgl. toen. Met scherpe s (en secundaire t) ook middelfrank. tsente, tseit, tsedert.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sedert bijw., voorz., uit te-zeder, Mnl. sedert, seder + Mhd. sider, Ofri. sether; daarnevens met abl. dial. sijder, Mnl. sider. Os. sîthor + Ohd. sîdor (Mhd. sîder), Ags. síđor, On. síđarr; daarnevens synon. Mnl. siden(t), Mhd. id., Ags. síđđan, On. síđan: afl. van bijw. Go. seiþus, On. siđ = laat, waarvan de adv. compar. Os. sîth, Ohd. sît (Mhd. sît, Nhd. seit), Ags. sίđ (Eng. sith), On. sίđr, Go. seiþs (= verder); van denz. wortel Mhd. seine, Ags. sæ'ne, On. seinn = traag + Lat. serus = laat, setius = minder, Oier. sír = lang, Lit. at-sainus = nalatig: Idg. wrt. sei̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

seer, vz., vw., bw.: sinds, sedert. Ook Mnl. seer, door d-syncope uit Mnl. seder ‘sedert’. Ook Ohd. sidôr, sidâr, sider ‘later, nadien’, Mhd. sider ‘later, sindsdien, sinds’. Ofri. sether ‘later, daarna’. Seder, wat klankwettig zeder zou moeten zijn, is een comparatief bij Got. seiþus ‘laat’, Oe. sîð ‘laat’. De eind-t in Ndl. sedert is later toegevoegd.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sied sedert (West-Vlaanderen). = hgd. seit ‘id.’. Oorspr. een nu niet meer herkenbare vergrotende trap (bij got. seithus ‘laat’), die ‘later’ betekende.
De Bo 886.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sijd, sijder(t) (DB), vz., bw.: sedert, sinds. Mnl. sider(t) ‘sedert’, Vroegnnl. sijd, sind, sichtent ‘postquam’ (Kiliaan), hetzelfde als D. seit ‘sedert’. Ahd. sîd, Mhd. sît, Os. sîð, Oe. sîþ, On. sîðr ‘minder, nauwelijks’, Got. seiþs > seiþus ‘Iaat’, Oe. sîþra ‘de latere’, Lat. sêtius ‘anders, minder’, sêrus ‘laat’. Naast sijd/seit de comp, sijder(t): Mhd. sider, Ofri. sether ‘later’, Ohd. sîdor, Os. sîthor, Oe. sîðor, On. sîdarr ‘later’, Oe. sïðra ‘de latere’. Idg. *sêi-’afnemen, verminderen, ophouden’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

se’dert vz., om (bij een tijd), op (bij een dag), in (bij een jaar) wanneer daarna een toestand ingetreden is. Sedert vijf uur is hij gekomen = om vijf uur is hij gekomen. De man was sedert 5 januari vertrokken naar Albina (Spalberg 1899; 1979: 68; oudste vindpl.). Verder kon de politie achterhalen dat het zand sedert vorige week vrijdag werd gedumpt maar dat de eigenaar heeft nagelaten het zand direct op te ruimen () (DWT 24-2-1981). We hadden hem sedert 1958 begraven, 29 september (Dobru 1968c: 32).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sedert: bw., voegw. en voors.; Ndl. sedert (Mnl. seder(t)/sider, vgl. ook Ndl. sinds, Eng. since, Hd. seit), komp. by Got. seithus, “laat”, hou mntl. verb. m. Lat. serus, “laat”, en setius, “minder”; v. ook sinds.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sedert (Os. sithor) staat voor seder (met toegevoegde t) = de vergrootende trap van sijt = laat (zie Sinds). Het woord w.d.z.: later, dus na een zeker tijdstip.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sedert ‘sinds’ -> Negerhollands sedert ‘sinds’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sedert* voorzetsel 1318 [MNW]

sedert* onderschikkend voegwoord 1410 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sē(i)-2 : sǝi- : sī- : sē- : sǝ- und sei- : si- ‘entsenden, werfen, fallen lassen, säen’; daneben ‘nachlassen, loslassen, säumen (spät, langsam, langdauernd); Abspannung, Ruhe; herabsinkend’; andrerseits ‘die Hand wonach ausstrecken, Anspannung, Kraft’, sē-men- ‘Samen’; sē-to-, sǝ-to- ‘gesät’, sē-ti- ‘das Säen’, sē-lo- ‘Nachkommenschaft’, sǝi-tlo- ‘Geschlecht’, si-lo- ‘ruhig’, sē-ro- ‘langdauernd’

A. ‘entsenden, werfen, säen’:
a. ai. sā́yaka-, ‘zum Schleudern bestimmt’, m. n. ‘Wurfgeschoß, Pfeil’, m. ‘Schwert’, sāyikā ‘Dolch’, sḗnā ‘Wurfgeschoß, Wurfspieß; Schlachtreihe, Heer’, prásita- ‘dahinschießend (von Vögeln)’, prásiti- f. ‘Anlauf, Ansturm, Wurf, Geschoß’;
b. ‘säen’: ai. sī́ra- n. ‘Saatpflug’, sī́tā ‘Furche’ (*die Besäte); lat. serō (*si-s-ō), -ere, sēvī, sătus ‘säen, bepflanzen, hervorbringen, zeugen’, sătiō ‘das Säen’, sător ‘Säer’; got. saian (saísō), ahd. sāen, as. sāian, ags. sāwan, aisl. ‘säen’ aus urgerm. *sējan = lit.sė́ju (sė́ti) ds., aksl. sějǫ (sějati) ds.; lat. sēmen ‘Same’ (Sēmōnēs ‘Saatgötter’), ahd. as. sāmo ds. (m. geworden), lit. Pl. sė́men-s, -ys ‘Flachssaat’, apr. semen ‘Samen’, aksl.sěmę ‘Samen’; ahd. usw. sāt ‘das Säen, Saat’, got. mana-sēþs ‘(Menschensaat) Menschheit, Welt’; tiefstufig cymr. bret. had ‘Same’, corn. has ‘Same’, ferner wohl air. sa(i)the (*sǝti̯o-) ‘Schwarm, Wurf von jungen Tieren, Brut’, cymr. haid f. ‘Schwarm, Schar’, bret. hed m. ‘Schwarm, Bienenschwarm’ (also ‘*Same = Generation, Nachkommenschaft’, wie got. manasēþs);
-tlo-Bildung: lit. sėklà ‘Saat’: mit Red.-Stufe *sǝi-: lat. saeculum ‘Geschlecht, Menschenalter, Jahrhundert’; cymr. hoedl ‘Lebensdauer’, abret. hoetl, mbret. hoazl ds., gall. Deae Sētloceniae;
air. sīl ‘Same’, cymr. hil ‘Same, Nachkommenschaft’ (idg. *sē-lo-), lit. pasėlỹs ‘Aussaat, Beisaat’; Schwundstufe im Kompos.: wahrscheinlich got. frasts ‘Kind’ aus *pro-s[ǝ]-tis; vielleicht mir. ross n. ‘(Lein)samen’;
strittig ist die Zugehörigkeit von gr. ἵημι ‘werfe, sende’, s. oben S. 502.
B. ‘die Hand wornach ausstrecken; Anspannung, Kraft’, vermutlich aus der Anschauung der kraftvoll zum Wurfe gereckten Hand:
aisl. seilask (*sailjan) ‘sich strecken, bemühen’; lit. síela ‘Eifer’, apr. seilin Akk. ds., Pl. seilins ‘Sinne’, noseilis ‘Geist’; serb. sȉla, čech. síla ‘Kraft’ (*sḗilā); air. sīnim ‘recke, strecke aus’; lit. ne-seĩ-nyti ‘nicht erreichen’; mir. sethar ‘stark’ (*si-tro), cymr. hydr, abret. hitr, hedr, nbret. hezr ‘kühn’.
C. ‘kraftlos die Hand sinken lassen, nachlassen, loslassen; säumen; spät, langsam, sich lang hinziehend; Abspannung, Ruhe; herabsinkend’;
Ai. áva-syati, Aor. a-sāt ‘hört auf, schließt; macht halt, verweilt’, áva-sita- ‘wer sich niedergelassen hat, wohnhaft’, avasā́na- n. ‘Ort des Absteigens, Einkehr, Aufenthalt; Ende, Tod’; sāyá- n. ‘Einkehr, Abend’, sāti- f. ‘Beschluß, Ende’ (Lex.) = av. hāti- ‘Stück, Abschnitt’ (‘*das Absetzen am Schluß eines Abschnittes’); av. hāθra- n. ‘bestimmter Zeitraum, Frist’(*’Absatz, ein Weg- und Zeitmaß’);
gr. vermutlich ἥσυχος ‘ruhig’ (Ausgang wie μείλι-χος, von einem *sē-tu- ‘Ruhe’; ähnliche t-Ableitungen s. unten);
lat. sinō, -ere, sī-vi ‘lassen, geschehen lassen’, dēsinere ‘ablassen, aufhören’, dēsivāre ‘ablassen’, pōnō (*po-sĭnō, vgl. Partiz. positus); ‘setzen, stellen’ (*’nieder-setzen, ab-setzen’), situs ‘stehen gelassen; beigesetzt’; sileō, -ēre ‘ruhen, aufhören (z. B. vom Winde), schweigen’ = got. anasilan ‘(vom Winde:) aufhören, verstummen’ auf Grund eines l-Partiz. *si-lo-; vgl. ags. sāl-nes ‘Schweigen’ (*sǝi-lo-);
lat. sētius ‘später, weniger, weniger gut’; sērus ‘spät’ (= air. sīr);
air. sīr (= lat. sērus) ‘langdauernd, ewig’, cymr. corn. bret. hir ‘lang’, Kompar. air. sīa = cymr. hwy (aus *sē-is), Superl. air. sīam, cymr. hwyaf; mir. sith- ‘lang, andauernd’ (Intensivpartikel), Komp. sithithir ‘ebenso lang’, cymr. hyd ‘Lange, Fortdauer, Weile; usque ad’, acymr. hit, corn. hes, bret. hed, het m. ‘Länge’ (*si-tu-, -ti-); viell. cymr. hoed (*sǝi-to-) m. ‘Sehnsucht’;
got. seiþus ‘spät’, þana-seiþs ‘weiter, noch’ (Kompar.-Adv. *sīþ-iz, wie:) aisl. sīðr Adv. ‘weniger’, sīz ‘nachdem’ (< sīðes), ags. sīð ðām ‘seitdem’, as. sīth, ahd. sīd ds., nhd. seit; aisl. sīð Adv. ‘spät’, Superl. sīzt; mit der Bed. ‘schlaff herabfallend’ : sīðr ‘herabhängend, lang’, afries. sīde ‘niedrig’, ags. sīd ‘lang, weit, breit’, ahd. sīto Adv. ‘laxe’; eine Substantivierung davon ist aisl. sīða f. ‘Seite (des Körpers)’, ags. sīde, as. sīda, ahd. sīta ‘Seite’ (aus dem Begriff der Ausdehnung nach unten erwachsen); got. sainjan ‘säumen, zögern’, aisl. seinn ‘langsam, spät’, ags. sǣnе, mhd. seine ‘langsam, träge’, ags. ā-sānian ‘schlaff, schwach werden’; ablautend mhd. senen (*si-nēn), nhd. sich sehnen und schwed. dial. sīna ‘aufhören Milch zu geben’ (n bloß präsensbildend, wie in lat. sinō); norw. seimen ‘saumselig, langsam’, ahd. lancseimi ‘langsam’; ablautend ags. siomian (*simian) ‘zögern, hängen, sich senken’, ahd. gi-semōn ‘harren’;
lit. ãtsainus ‘nachlässig’, vermutlich auch sietuvà, lett. siet(u)s, sietawa ‘tiefe Stelle im Fluß’ (etwa ‘tief hinabsinkend’);

WP. II 459 ff., WH. II 512, 522, 526 f., 545 f., Trautmann 253 f., Thieme, Die Heimat der idg. Gemeinsprache 25; vgl. oben S. 887: seg-1.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal