Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schuur - (eenvoudige berging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schuur zn. ‘eenvoudige berging’
Onl. skūra ‘schuur’ in toponiemen, o.a. Cumbingascura (met een bewonersaanduiding als eerste lid) [794, kopie 941; Künzel, 214], Scuren (plaats bij Hoensbroek, Limburg NL) [1106, kopie 1157; Gysseling 1960]; mnl. scure ‘eenvoudige opslagplaats’ [1240; Bern.]; vnnl. schuur [1640; WNT zuur I].
Os. skūr (mnd. schūr, ontleend als mhd. schūr > nhd. gewest. Schauer), mnd. schure, schüre; ohd. sciura, scūra (nhd. gewest. Scheuer); ofri. skūre (nfri. skuorre); nde./nno. skur; alle ‘afdak, schuur, eenvoudige bergplaats e.d.’, < pgm. *skūra- (m./o.), *skūrō- (v.), *skūrijō- (v.). Ook reeds vroeg als middeleeuws Latijn scuria ‘schuur; stal’ [8e eeuw; Niermeyer], ook in het Nederlandstalige gebied: scuria cum animalibus ‘stal met dieren’ [8e eeuw; LS]. Etymologisch te scheiden van pgm. *skūra- (m.) ‘bui’, waaruit o.a. nhd. Schauer, ne. shower en on. skúr (nzw. skur).
Wrsch. een uitbreiding pie. *skuH-ro- van de wortel *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’ (IEW 951), zie → schuilen. De standaard-nhd. vorm luidt Scheune, dat uiteindelijk op dezelfde wortel teruggaat.
Lit.: M. de Vaan (1999), ‘The etymology of English shower’, in: Die Sprache 41, 39-49

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schuur* [loods] {schure 1201-1250} middelnederduits schur, oudhoogduits scur, oudnoors skúr [afdak]; buiten het germ. latijn scutum [schild], obscurus [bedekt, donker], grieks skulos [huid]; van een stam met de betekenis ‘bedekken’ (vgl. schuilen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schuur znw. v., mnl. scûre v., mnd. schūre, ohd. scūra, sciura (nhd. scheuer) is afgeleid van mnd. schūr o. ‘beschutting, schuurʼ, ohd. scūr m. ‘afdakʼ nijsl. skūrr ‘afdak, planken keetʼ, vgl. nog on. skūr v. ‘schaal van de amandelkernʼ, nnoorw. dial. skūr ‘bovenste laag van een hooischelfʼ. — Een afl. van de idg. wt. *skeu ‘bedekkenʼ (waarvoor zie: schuilen) met r gevormd, evenals vgl. lat. obscūrus ‘donkerʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schuur znw., mnl. scûre v. = ohd. scûra, sciura (nhd. scheuer), mnd. schûre v. “schuur”. Van ohd. scûr m. “afdak”, mnd. schûr o. “beschutting, schuur” = nijsl. skûrr m. “stalletje, kraampje”. Owfri. skûre v. “schuur” is ontleend. Mlat. scûra, scûria, fr. écurie “paardenstal” komen uit het Germ. Van de bij schuilen en huid besproken basis (s)qū̆-. Hiervan eveneens met r-formans lat. ob-scû-rus “duister”. Met dgl. bet. als schuur met n-formans mhd. schiune (nhd. scheune; ohd. opvallend scugi(n)n(a)) v. “schuur”; ablautend met on. skaunn m. “schild”. Hierbij ook noorw. dial. skyggne o. (*skuwwinja-) “hut, schuur, schuilhoek”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schuur. Bij de woorden met n-formans adde: mnd. schü̂ne v. ‘schuur’, Schiermonnikoog en Terschelling skún ‘id.’; ook fri. skûne, skoune ‘schelf, opgetaste hoop van veldvruchten’? Vgl. W.de Vries Tschr. 40, 95.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schuur v., Mnl. scure + Ohd. sciura (Mhd. schiure, Nhd. scheuer): van Germ. wrt. skeu + Skr. wrt. sku, Gr. skũlon (= uitrusting), Lat. scutum (= schild), ob-scurus (= bedekt, donker): Idg. wrt. skeu̯ = bedekken. Uit het Germ. komt Fr. écurie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjeur (zn.) schuur; Aajdnederlands skura <794>.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

schuur 'eenvoudige opslagplaats, berging'
Onl. scura, skûra, ofri. skûre, os. skûr, nde., nno. skur 'eenvoudige opslagplaats, berging, afdak'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 794 kopie 941 Cumbingascura (ligging onbekend, ten noordwesten van Oostburg)1, als dit tenminste niet onl. scuora 'schor' bevat, 1106 kopie 1157 Scuren (→ Terschuren)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 214, 2Gysseling 1960 902 (twijf. ident.).

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

schuurtje cel op het politiebureau; arrestantenhok. In deze betekenis in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke, met als betekenissen ‘’t hok, ’t politiebureau, cel’. Köster Henke geeft als voorbeeldzinnen: ‘De prinserij wou hem naar ’t schuurtje brengen’ en ‘Als hij mij niet had, zegt Bet, had hij al lang in ’t schuurtje gesteund’. In 1921 werd de schrijver Maurits Dekker opgepakt op verdenking van roofmoord (ten onrechte, zo zou later blijken). Hij zat drie dagen in een cel in een Amsterdams politiebureau – in het schuurtje dus – en gaf er in zijn boekje Doodenstad (1923, pp. 84-85) de volgende beschrijving van:
Dit hok zal ongeveer drie meter lang en anderhalve meter breed zijn. In een der houten wanden waren, door ijzergaas versterkte, glazen aangebracht, waardoor men mij voortdurend kon waarnemen. Bovendien brandde er een elektrische lamp gedurende mijn aanwezigheid aldaar, die drie dagen duurde. De toestand van vervuiling waarin dit hok zich bevond, gaat inderdaad iedere beschrijving te boven. De hoek van den vloer die zich onder een wandtafeltje bevond, was bezaaid met opgedroogde tabaks- en slijmfluimen en ook de muur daar ter plaatse bevond zich in denzelfden toestand van vervuiling. Een door tralies en ijzergaas beveiligd raam, dat zich in den buitenmuur bevindt en in verbinding staat met een naast het bureau gelegen steeg, was bedekt met een stoflaag. Franjes stof en spinneweb hingen in de mazen van het ijzergaas. De stank in dit hok was ondragelijk. Tot rustplaats diende mij een tweetal banken, waarop een goor-witte stroozak was neergelegd. Het hoofdkussen, dat mij verstrekt werd, was aan één zijde voor de helft met vogeldrek bedekt en de eene molton deken, die mij tot dekking dienen moest, was liederlijk verontreinigd, waarschijnlijk door braaksel, dat een dronken arrestant daarop gedeponeerd had.
— ‘Jèi komp nog in ’t schuurtje fáur je dertien bin!’, dreigde haar stem. ¶ Is. Querido, De Jordaan dl 1 (1912), p. 362
— ‘Mot je nou ’t schuurtje in, Arie?’ ¶ Johan Elsensohn, Arie (1930), p. 188
— ‘Ik kan m’n eigen man niet in het schuurtje helpen. Die stakker heeft het óók niet voor z’n lol gedaan.’ ¶ Piet Bakker, Kidnap (1952), p. 39. De schrijver verklaart de betekenis in een woordenlijst.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schuur, afl. van den Idg. wt. sku = bedekken, beveiligen; zie Schild, Schuilen, Schuim. De Franschen maakten van ’t woord escurie (thans écurie) in de bet. van stal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schuur ‘loods’ -> Noord-Sotho sekiri ‘loods’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho sekiri ‘loods’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schuur* loods 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2516. Het walletje moet bij 't schuurtje blijven,

d.w.z. men moet op zijne zaken passen en niet meer uitgeven dan men kan; niet overdrijven; den boel bij elkaar houden. Vgl. Op R. en T. 62: Ik wil je voorthelpen - maar je begrijpt, ik ben zelf geen gefortuneerd man - het walletje moet bij het schuurtje blijven - als je me te duur bent, haal ik het zaakje niet aan; S.M. 109: Afijn! we zijn weêr bij mekaar, hè kinderen, en onze lieve Heer leeft ook nog. Hij zal wel zorgen dat 't walletje bij 't schuurtje blijft. Bij Harreb. I, 344: Men moet maken, dat het schuurtje bij het huisje of het huisje bij het schuurtje blijft. Zie no. 1128.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keu-2, (s)keu̯ǝ : (s)kū- ‘bedecken, umhüllen’, auch mit zahlreichen Erweiterungen: (s)kū-lo- ‘Versteck, Hinterteil’, skū-ro- ‘Schutz, Hülle’, (s)kū̆-ti- ‘Haut’, ku-z-dho- ‘Versteck, Höhlung’

Ai. skunāti, skunṓti, skāuti ‘bedeckt’; unsicher ku-kūla- ‘Hülsen, Rüstung’, pāṃsu-kūla- ‘Lumpenkleid der buddhist. Mönche’;
arm. c̣iw ‘Dach, Decke’ (*skēu̯o-); mit anl. kh-: arm. xuc̣ ‘Stube’ (*khū̆-sk̑ho-, allenfalls zur s-Erw.), fraglicher xavar ‘dunkel’ (*khou̯o-, Formans arm. -ar), xu-p’ ‘Deckel’, xul, xlik ‘Hütte’, xlay (*khū̆lati-) ‘weibliche Kopfverhüllung, Schleier; Kleid’;
gr. σκύ̄νια Pl. ‘Brauen’, ἐπισκύνιον ‘Haut oberhalb der Augenbrauen’ (vgl. ai. skunā́ti); σκύλος n. ‘Tierhaut, Schale’, σκύλον ‘abgezogene Tierhaut’, σκῦλον ds. ‘dem Feind abgenommene Rüstung’; unsicher κῶας, Pl. κώεα ‘Fließ’;
lat. obscūrus ‘*bedeckt’ = ‘dunkel’; cūlus ‘der Hintere’;
air. cūl m. ‘Rücken, Hinterteil’, cymr. cil ‘Rücken’; air. cūl (*kū-lā-) f. ‘Winkel, Versteck’ = cymr. usw. cil, ysgil ‘Versteck’; ir. cuarān, cymr. curan ‘Schuh’; vielleicht kelt.-lat. cucullus ‘Kapuze’ (vgl. oben ai. ku-kūla-?);
aisl. skjā f. ‘Scheuer’ (*skeu̯ā), wohl auch aisl. f. ‘Haut’ in hross-hā u. dgl. (*skou̯ā), skāli ‘Hütte, Zimmer’ (germ. *skawalan-); skȳ n. (*skeui̯o-) ‘Wolke, Verdunklung’, ags. scīo, as. scio ‘Wolke’; ags. scu(w)a m. ‘Schatten, Dunkel, Schutz’, ahd. scuwo, scū m. ‘Schatten’, scū-c(h)ar n. ‘Spiegel’, eigentlich ‘Schattengefäß’, aisl. skuggi m. ‘Schatten, Spiegelbild, Gespenst’, skugg-sjā f. ‘Spiegel’, got. skuggwa m. ‘Spiegel’; ahd. skugin(a), mhd. schiune, nhd. Scheune (‘Obdach’), norw. dial. skyggne m. ‘Hütte, Schlupfwinkel’; aisl. skaun f. (oder skaunn m.) ‘Schild’; norw. skūme ‘dunkel’, aisl. skūmi m. ‘Dämmerung’, mnd. schummer ‘Dämmerung’ (: lett. skumt); aisl. hūm n. ‘Zwielicht’, PN. Hymir ‘Verdunkler’; vielleicht ahd. scūm ‘Schaum’ (wenn ‘deckendes’);
aisl. skjōl n. ‘Versteck, Zuflucht, Schutz, Scheune’, skjōla ‘Bütte, Kübel’, (‘Verwahrungsraum’), ablautend aisl. skȳli, mnd. schūle n. ‘Versteck’, afries. skule ‘Hütte’; aisl. skȳla ‘beschützen’, mhd. schūlen ‘verbogen sein, lauern, lugen’;
ahd. scūr m. ‘Wetterdach, Schutz’ (: lat. obscūrus), mhd. schūr ‘Obdach, Schirm’, aisl. skūr f. ‘Haut der Mandel’, ahd. skūra, sciura, (*skūrja) ‘Scheuer, Scheune’; mit Formans -ko-und Dehnstufe ō[u] wahrscheinlich got. skōhs, aisl. skōr, Pl. skūar, ahd. scuoh ‘Schuh’ (eigentlich ‘deckendes Oberleder des Schuhes’, vgl. oben ir. cūarān ‘Schuh’ und mndl. schoe ‘Schwertscheide, Futteral’);
lit. kẽvalas ‘Eierschale’, lett. čàula ‘Schale, Hülse’; lett. kūja ‘weibliche Scham’; lett. skaût ‘umarmen’, skumstu, skùmt ‘traurig werden’ (‘obscurāri’); aber lit. skūrà ‘Leder, Baumrinde’, lett. skura ‘Hülse’ aus weißruss. skyra.
A. Dentalerweiterungen (bzw. Bildungen mit Dentalformantien):
(s)keu-t-:
Gr. σκῦτος n. ‘Haut, Leder’, ἐγκυτί, ἐγκυτίς ‘bis auf die Haut’, κύτος n. ‘Hülle, Haut’ und ‘Gefäß, Urne, Höhlung’, κυτίς ‘kleiner Kasten, Büchse’, κυσός· ἡ πυγή; ἤ γυναικεῖον αἰδοῖον Hes.; (*κυτ-ι̯ος oder *κυθ-ι̯ός), κύτ(τ)αρος ‘Höhlung, Wölbung, Bienenzelle, Eichelnapf’, κύσσαρος ‘ānus’ (*κυτϝαρος); über lat. cuturnium ‘vas, quo in sacrificiis vinum fundebatur’ s. WH. I 320;
lat. cutis ‘Haut’; cunnus ‘pudendum muliebre’ (*kut-nos);
cymr. cwd ‘Hodensack’; mcymr. eskit, esgit, ncymr. esgid, corn. eskit, esgis ‘Schuh’ (*ped-skūti-);
aisl. hūð, ags. hȳd, ahd. hūt (*hūdi-) ‘Haut’ (schweiz. hut ‘Hülse, Fruchtschale’);
ahd. hodo, afries. hotha ‘Hode’; ags. hoðma m. ‘Finsternis’, ahd. hutta ‘Hütte’ (*kuti̯ā́ oder *kudhi̯ā: daraus as. hutta, huttia);
alit. kutỹs ‘Beutel, Geldkatze’; balt. *keutā ‘Haut’, apr. keuto, lit. kiáutas ‘Schale, Hülse’, dial. kẽvetas m. ds.; kiãvalas m. ‘Eierschale’ (*keu̯olo-), lett. čàula f. ‘Schale’, čàumala f. ‘harte Schale’ (Trautmann 132);
nasaliertes *kunti̯ō ‘bewahre’ vielleicht in aksl. sъkǫtati ‘beruhigen, stillen’, russ. kútatь ‘verhüllen’ usw., apr. -kūnti ‘pflegt’, Inf. pokūnst, pakūnst ‘bewahren’ und mit Intonationswechsel slav. *kǫta f. in aksl. kǫšta ‘σκηνή’, klr. kúča ‘Schweinestall’ (Trautmann 145).
(s)keudh-:
Ai. kuhara- n. ‘Höhle’, kuhaka- m. ‘Schelm, Gaukler, Betrüger’, kuhayate ‘betrügt’, kuhū́- f. ‘Neumond’ (‘der versteckte Mond’); pamir dial. skīð ‘hohe Mütze aus Schaffell’;
gr. κεύθω ‘verberge’, κεῦθος n., κευθμών ‘verborgene Tiefe’, κευθμός ‘verborgener Ort, Höhlung, Saulache’;
mir. codal ‘Haut’;
ags. hȳdan ‘verbergen’; hierher oder zu *skeut- got. skauda-(raip) Akk. Sg. ‘Schuh(riemen)’, aisl. skauð f. ‘Scheide’, Pl. ‘Vorhaut; Elender, Scheusal’, skjōða f. ‘Beutel, Sack’, mnd. schōde n. ‘Scheide’ (beim Pferd), f. ‘Schote, Erbse’, mhd. schōte ‘Schote, Samengehäuse’;
unklar ist lat. cūdō, -ōnis ‘Helm aus Fell’ (Lw.?); in der Bed. nahe steht av. xaōδa- m., ар. xaudā- ‘Hut, Kарре; Helm’.
В. Gutturalerweiterung (s)keu-k̑-:
Ai. kṓśa- m. ‘Behälter, Schatzkammer usw.’ (spät auch kóṣa-, das vielleicht ind. Entwicklung aus kṓśa- ist); unsicher kōśaka- m. n. ‘Ei, Hode, Gehäuse’, kuśapa- m. (unbelegt) ‘Trinkgeschirr’, kuśayá- m. (unbelegt) ‘Zisterne’; kukṣí- m. ‘Bauch, Mutterleib, Höhlung’; npers. kus ‘weibliche Scham’; av. kusra- ‘sich wölbend, hohl’, vīkusra-, hankusra- ‘sich auseinander-, zusammenwölbend’;
lit. kūšỹs (Plur. kūšỹs), lett. kũsis, kũsa ‘weibliche Schamhaare’ (*kūki- oder *kūksi-); lit. kiáušė ‘Hirnschale, Schädel’, kiaũšis ‘Ei, Hode’, preuß.-lett. ḱaušis ‘Ei’; lit. káušas ‘großer Schöpflöffel’, lett. kaûss ‘Schüssel, Kochlöffel’.
C. s-Erweiterung (s)keu-s-:
Vielleicht ai. koṣṭha- m. n. ‘Behälter, Unterleib, Vorratskammer’ u. dgl., kuṣṭha- m. ‘Lendenhöhle’ (?), kúṣṭhikā ‘Inhalt der Gedärme’, npers. kušt ‘Weichen’ (arm. Lw. kušt ‘Bauch, Weichen, Leib’);
gr. κύστις, -εως, -ιδος ‘Harnblase, Beutel’, κύσθος ‘weibliche Scham’;
unsicher lat. custōs ‘Wächter’, vgl. WH. I 319;
cymr. cwthr ‘After, Mastdarm’ (*kuzdhro-);
aisl. hauss m. ‘Hirnschale’; ablaut. norw. dial. hūse m. ‘Fischkopf’, ahd. hūso ‘Hausen’, nach dem mit Schildplatten gepanzerten Kopf;
nhd. dial. hosen ‘Hülse, Schote’, ags. hosa m. ‘Strumpf, Hülse’, aisl. ahd. hosa ‘Hose’;
vermutlich hierher got. aisl. ags. as. ahd. hūs ‘Haus’, vgl. nd. hūske ‘Kerngehäuse, Futteral, Tüte’ u. dgl.;
got. huzd, aisl. hodd f. (?), ags. as. hord, ahd. hort ‘Schatz, Hort’ (*kuz-dho- = gr. κύσθος); schwed. hydda ‘Hütte’, dial. hodda, hudda ‘Schuppen, Gefängnisraum’, aschw. hydda ‘verbergen’.

WP. II 546 ff., WH. I 298 f., 301, 309, 319, 320, II 196, 503, Trautmann 132, 145.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal