Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schrikkeljaar - (jaar waarin 29 februari voorkomt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schrikkeljaar zn. ‘jaar waarin 29 februari voorkomt’
Mnl. sc(h)rickeljaer ‘schrikkeljaar’ in es telken vier iaren Scrickeliaer ‘is het om de vier jaar schrikkeljaar’ [1351; Jansen-Sieben 1968]; vnnl. ook So was hy gheboren ... Up den scrickeldach ‘... op de aan februari toegevoegde dag’ [1525; iWNT].
Het eerste lid in schrikkeljaar en schrikkeldag is afgeleid van → schrikken in de oude betekenis ‘een grote stap of een sprong nemen’. Vrij vertaald is een schrikkeljaar dus een ‘jaar dat verspringt’. Op dezelfde manier is het Middelnederlandse synoniem lopeliaer [ca. 1375; Jansen-Sieben 1968] gevormd bij lopen in een oude betekenis ‘springen’. De -el- is hier een betekenisloze verbindingslettergreep, zoals in mnl. werkeldach ‘werkdag’, rusteldach ‘rustdag’, sitteldach ‘dag waarop een bepaalde zitting wordt gehouden’. Tot op heden bestaan de woorden vastelavond ‘vastenavond’ en schortelwoensdag ‘de woensdag voor Pasen, waarop het klokgelui en de orgelmuziek worden opgeschort tot paaszaterdag’.
Lit.: R. Jansen-Sieben (1968), De natuurkunde van het geheelal. Een 13de-eeuws middelnederlands leerdicht, Brussel, 283 en 444; Schönfeld, par. 152; Philippa (1999), 17-18

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schrikkeljaar* [jaar dat met een dag verlengd is] {schrickeljaer 1301-1400} van schrikkelen [overslaan], iteratief van schrikken, waarvan de eerste betekenis is ‘een grote stap nemen, verspringen’. Hetzelfde voorvoegsel ook in schrikkeldans.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schrikkeljaar

In een schrikkeljaar telt de maand februari een dag meer dan in andere jaren. Het gevolg is dat de vaste feestdagen een dag verspringen. Dit begrip ‘verspringen, overslaan’ wordt uitgedrukt door het werkwoord schrikkelen, dat naast schrikken staat zoals wiegelen naast wiegen en schuifelen naast schuiven. De eigenlijke betekenis van schrikken is: grote stappen nemen, vandaar: met een ruk van plaats veranderen, uitschieten. In Noord-Holland zegt men voor schrikken nog: verschieten. Men gebruikt het woord eveneens voor het plotseling afkoelen van ijzer en laat zelfs eieren schrikken door ze heet en wel onder de koude waterstraal te houden. Dit element van het plotselinge, onverwachte, leidt tot de huidige betekenis: ontstellen dat wil zeggen: door een plotseling angstgevoel bevangen worden en daardoor een onwillekeurige beweging maken. De oude betekenis is slechts in schrikkeljaar overgebleven. Het Engels heeft: leapyear.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schrikkeljaar znw. o., mnl. scrickeljaer, ook mnd. betekent een jaar, waarin een dag verspringt, vgl. ne. leap-year, waaraan beantwoordt mnl. lōpeljaer. — Hierin ook de formatie met l evenals in mnl. werkeldach.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schrikkel-jaar, -dag, -maand znww., een reeds mnl. en mnd. samenst., letterlijk = “springjaar” evenals eng. leap-year “schrikkeljaar”. Een mnl. synoniem is lôpeljaer met een dgl. -el-; vgl. ook mnl. werkeldach, sitteldach e.dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schrikkeljaar o., het eerste lid is de stam van schrikkelen = springen, frequent. van schrikken. In zoo een jaar voegt men niet aan Februari een 29en dag toe, maar men schrikkelt een dag over, namelijk tusschen den 23 en 24 Februari: vergel. Hgd. waar die dag schalttag (d.i. ingeschoven dag) en het jaar schaltjahr heeten (voor schalten, z. schouw 2.) alsook Fr. waar die dag bissexte heet (van waar année bissextile).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skrikkeljaar s.nw.
Elke vierde jaar wat met een dag verleng word om die kalenderjaar so gelyk as mntl. aan die astronomiese jaar te hou.
Uit Ndl. schrikkeljaar (Mnl. scrickeljaer), 'n samestelling van schrikke(le)n (1672) 'oorslaan' en jaar (Mnl. jaer). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Vgl. Eng. leap year (1387).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skrikkeljaar: jaar m. ’n skrikkeldag (ingevoegde dag); Ndl. schrikkeljaar (Mnl. scrickeljaer) hou verb. m. schrikkelen, frekw. v. schrikken in bet. “oorslaan”, vgl. Eng. leap year.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schrikkeljaar, van schrikkelen, frequ. van schrikken = springen, zoo genoemd, daar men in Febr. één dag over schrikkelt, overspringt, d.w.z. tusschen den 23sten en 24sten komt een nieuwe dag bij, zoodat St.-Matthijs, anders op 24 Febr., in een schrikkeljaar op 25 Febr. valt. Voor schrikken = springen, vgl. ’t Mnl.: „Met grote scerden (= metath. voor schreden) hi tot hem scricte” (= op hem toe sprong). Zoo waren schrikkelfeesten, zulke feestdagen, die niet op vaste datums gevierd worden, als Paschen en Pinksteren. Het Vlaamsch heeft nog: „een dans op het bal overschrikkelen” (= overslaan) en: „Dit kan de onderwijzer wel overschrikkelen

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schrikkeljaar ‘jaar dat met een dag verlengd is’ -> Duits dialect Schrickeljahr ‘jaar dat met een dag verlengd is’; Papiaments † schrikkeljaar ‘jaar dat met een dag verlengd is’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schrikkeljaar* jaar dat met een dag verlengd is 1301-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal