Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schrijden - (waardig lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schrijden ww. ‘waardig lopen’
Mnl. sc(h)riden ‘met waardige stappen lopen’ in so screet si in hemelrike ‘zo schreed zij hemelwaarts’ [1265-70; VMNW], ‘met grote stappen lopen’ in Die rese quam na ons gescreden ‘de reus kwam naar ons toegestapt’ [1340-60; MNW-R], so scriden si eens gangis wt deser tiit in dat ewighe leven ‘dan stappen ze vanuit het heden regelrecht in het eeuwige leven’ [ca. 1360; MNW].
Os. skrīdan (mnd. schriden); ohd. skrītan (nhd. schreiten); ofri. scrīda; oe. scrīðan; on. skríða (nzw. skrida); alle ‘waardig lopen’, ohd./oe./on. ook wel ‘zweven, glijden e.d.’, < pgm. *skreiþan-. Ohd. -t-, os. -d- en ofri. -d- gaan terug op *-d- en dus op generalisering van de klank uit de vervoegingen en afleidingen waarin grammatische wisseling was opgetreden. Oe. -ð- wijst eenduidig op pgm. *-þ-, zodat een onderliggende pie. *-dh- > pgm. *-d- onmogelijk lijkt. Voor de ablautende afleiding *skridi- ‘stap; gang’ zie → schrede.
Mogelijk verwant met Litouws skríesti ‘ronddraaien, vliegen’; < pie. *skreit- (LIV 563), een dentaaluitbreiding van een wortel *skrei- (LIV 562), en daardoor verwant met: Litouws skriẽti ‘vliegen, rondzweven’, Lets skrìet ‘lopen, vliegen’; en, als het woord een s-mobile bevat, tevens Oudkerkslavisch krilo ‘vleugel’ (Tsjechisch křídlo) < pie. *skrei-dhlo-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schrijden* [waardig lopen] {schriden 1276-1300} oudsaksisch skridan, oudhoogduits scritan, oudfries skrida, oudengels skriðan, oudnoors skríða; buiten het germ. litouws skriesti [draaien], lets kraitāt [wankelen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schrijden ww., mnl. scrȋden, os. skrīdan, ohd. scrītan (nhd. schreiten), oe. scrīðan ‘schrijden, gaanʼ, ofri. ur-skrida ‘heengaan overʼ, on. skrīða ‘langzaam gaan, glijden, kruipenʼ. Voor een bet. ‘wijdbeens gaanʼ, zie: schrijlings. — Daarnaast abl. schrede en on. skriða ‘bergstortingʼ, dus eig. ‘het afglijdenʼ. — Men gaat uit van een wt. *(s)kreit en vergelijkt miers crith ‘siddering, koortsʼ, lett. kraitât ‘tuimelenʼ, lit. skriečiù, skriẽsti ‘draaien, in een kring gaanʼ, skrytis ‘velg van een wielʼ, lett. skritulis ‘wielʼ (IEW 937), afl. van een idg. wt. *(s)ker ‘draaien, buigenʼ, waarvoor zie: schraag.

Het bezwaar hiertegen is, dat men voor het germ. schrijden niet kan uitgaan van een bet. ‘in kronkelingen gaanʼ; integendeel men krijgt juist de indruk van een langzaam en afgemeten gaan. Nu kan de wt. *skrei eveneens van *(s)ker ‘snijdenʼ uitgaan en dan kunnen wij de ontwikkeling ook anders denken. Deze wortel duidt de werkzaamheid in het oude bosbedrijf aan, waarbij takken gesneden werden om daarvan heiningen te vlechten; uit het begrip ‘omheiningʼ kon die van ‘dinggemeenschapʼ ontstaan en dan is het ww. schrijden te verstaan als ‘plechtige omgang van een omheinde heilige ruimteʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schrijden ww., mnl. scrîden. = ohd. scrîtan (nhd. schreiten), os. skrîdan, skrîthan, ags. scrîðan “schrijden, gaan, zich bewegen”, ofri. ûr-skrîda “heengaan over”, on. skrîða “langzaam, gelijkmatig voortgaan, voortglijden, kruipen”. Oorspr. met gramm. wechsel þ: ð. De bet. “wijdbeens gaan”, waarvan mnl. scrîden, mhd. schrîten “te paard stijgen” een specialiseering is en die ook door het bijw. schrij(de)lings, Kil. schrijdelinck, scherdelinck, schredelinck, laat-mhd. schritlingen (nhd. schrittlings) “schrijdelings” en door het ohd. causativum screiten “divaricare” (on. skreiðast beteekent “langzaam voortgaan, voortglijden”) wordt verondersteld, is secundair. Met ablaut schrede en on. skriða v. “bergstorting”, skriðna “glijden”. Tegen een grondbet. “zich met kronkelingen bewegen” is geen bezwaar. Dan kunnen lit. ap-skritùs “rond”, skrëczù, skrë̃sti “draaien” verwant zijn. Voor de bett. vgl. de volgende afll. van de balt. basis-varianten skri- en skrid-: lit. skrëjù, skrë̃ti “in een kring vliegen, in de rondte bewegen”: lett. skrënu, skrët “loopen, vliegen”, lit. skrydiněti “in een kring vliegen”: skrëdżu, skrësti “vliegen”. Naast sqri- de basis qri- in obg. krivŭ “krom”, lit. kreĩvas “scheef, gedraaid”, gr. kríkos; “ring”. Voor een basis qrip- zie rif II. Hoogerop kan de basis qer- (zie hor) verwant zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] schrijden. Als bij lit. skrëti enz. terecht obg. krilo “vleugel” gebracht is, moeten we naast qri- “rond zijn” een qri- “zich bewegen, vliegen, snellen” aannemen, waarnaast sqri- “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schrijden. Bij lit. skriẽti ook het bij v.Wijk Aanv. genoemde obg. krilo ‘vleugel’. Het is niet nodig hiervoor een afzonderlijk *qri- ‘vliegen’ naast *qri- ‘rond zijn’ aan te nemen. Al de hier genoemde woorden zijn uit het gemeenschappelijk bet.-element ‘zich in de rondte bewegen’ te herleiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schrijden ono.w., Mnl. scriden, Os. skrîdan + Ohd. scrîtan (Mhd. schrîten, Nhd. schreiten), Ags. scrídan, Ofri. skrída, On. skriđa (Zw. skrida. De. skride) + Lit. skrýtis, Lett. skritulis = wiel, Lit. skrêsti = draaien: Idg. wrt. skrei̯t, waarnevens Lit. skridau = loopen, Let. skreedinaht =laten loopen: Idg. wrt. skrei̯d.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schrien, ww.: stappen, schrijden. Door d-syncope uit Mnl. scriden ‘schrijden’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schrijden, van den Germ. wt. skrith of skrid, Idg. skrit = langzaam zich bewegen. Afl. is: schrede.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schrijden* waardig lopen 1276-1300 [CG Lut.A]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)ker-3 ‘drehen, biegen’, (s. auch 1. (s)ker- ‘einschrumpfen’ und 2. (s)ker- ‘springen’), krispo- ‘kraus’, kroukā- ‘Haufe’

A. Av. skarǝna- ‘rund’, skārayat̰-raθa- EN., eigentlich ‘der den Streitwagen kreisen läßt’;
alb. vielleicht kërrús, kurrús ‘beuge, biege’;
gr. κυρτός ‘krumm’ (alte u-Färbung, vgl. russ. kortočki, sowie ksl. sъ-krъčiti ‘zusammenziehen’ usw.); κορωνός ‘gekrümmt’; κορώνη ‘allerlei Gekrümmtes, Gebogenes usw.’ (lat. Lw. corōna), vielleicht als *korō[]-no-s zur u-Basis *(s)kereu-;
lat. curvus ‘krumm, gekrümmt, gewölbt’ (Formans -u̯o-); cortīna ‘rundes Gefäß, Kessel; der Dreifuß Apollos mit dem Kessel darauf; Himmelswölbung’; von einem Partiz. *kr̥-to- ‘gedreht’ abgeleitet;
mir. cor, Akk. Pl. curu ‘Kreise’, cymr. cor-wynt, bret. cor-uent ‘turbo’;
russ. kórtočki Pl. f. ‘hockende, kauernde Stellung’, klr. kortáty śa ‘sich durchhelfen, rackern’ (wenn ‘*sich krümmen’? vgl. gr. κυρτός).
α) Gutturalerweiterungen:
ker-k-, daneben kir-k- (aus redupl. *ki-kro-) und (s)krek-:
Unsicher ai. kŕ̥kāṭa- n. ‘Halsgelenk’, kr̥ka- m. (unbelegt) ‘Kehlkopf’;
gr. κίρκος m. ‘Ring’ (κιρκόω ‘feßle mit einem Ring’), gewöhnlich (seit Homer) κρίκος (dazu κιρσός, κρισσός, dor. κριξός m. Poll. Hes. ‘Krampfader’ als ‘vortretende Aderringe’); lat. circus ‘Zirkellinie, Kreis in der Astronomie; bes. die (runde) Rennbahn’, Präp. circum ‘ringsumherusw.’, circā (nach suprā, extrā); der umbr. Monatsname kurçlasiu als ‘circulāriō’?;
(s)krek- in nd. schrēge, schräge, mhd. schræge ‘schräg’, mnd. mhd. schrage ‘kreuzweisestehende Holzfüße’; klr. kórkuš m. ‘Nacken’, korkoši Pl. ‘Achseln’, čech. krk ‘Hals’ usw. (vgl. oben ai. kr̥ka-); ksl. sъ-krъčiti ‘zusammenziehen’, russ. kórču, -itь ds., ‘Gesichter schneiden’, kórča, korč ‘Krampf’, okorča ‘gebogener Teil des Schlittens’, čech. dial. krkoška ‘Knorren am Holz’, krkva ‘Runzel, Falte’ usw.; auch wruss. korch ‘Faust’ usw. aus *kъrk-so-?;
nasaliert (s)krenk-: vermutlich russ. krjákatь ‘eine andere Wendung nehmen’, krjač ‘Knebelholz’, krjáčitь ‘festbinden’; ksl. kručina (*krǫčina) ‘χολέρα, epilepsia’, sloven. u-kroknem, -niti ‘sich krümmen’, u-kročiti ds., čech. kručina ‘Ginster’, poln. kręcz (*krǫčь) ‘Kopfdrehen, Schwindel; (alt) Starrkrampf’;
mit -g-: (s)ker-g-.
norw. hork (aisl. *hǫrk f.) ‘Weidenband’, dial. auch ‘runzeliges Weib’, herkja ‘zusammenbinden’, hurkl ‘Unebenheit, Knorren’, harkal ‘knorrig’; russ. korgá ‘verkrüppelter Baum’, koržávyj ‘verschrumpft, verkümmert, hart’ (usw.);
nasaliert (s)kreng-: aisl. hrøkkva (hrǫkk) ‘sich kräuseln, krümmen, zusammenschrumpfen’ (*hrenkwan), Kaus. hrøkkva ‘schlingen, kräuseln’ (*krankwjan), dän. rynke ‘runzeln’, aisl. hrukka, mhd. runke ‘Runzel’; m. Anlaut sk- aisl. skrukka ‘runzeliges Weib’, norw. skrukk ‘Runzel’, schwed. skrynka ‘runzeln’, ags. scrincan ‘sich zusammenziehen, verschrumpfen, verwelken’, mnd. schrinken ‘sich zusammenziehen’; gäl. sgreang ‘Runzel’ ist vielleicht ags. Lw.;
als ‘verquerte, kreuzweis gestellte Latten’: mnd. mhd. schrank(e) ‘Gitter, Zaun, Verschluß’, nhd. Schrank, Schranke, mnd. mhd. schrenken ‘verschränken, beschränken, hindern’; ahd. scranc ‘Betrug’, screnchan ‘zu Fall bringen’, ags. screncan ‘ein Bein stellen, betrügen’;
(s)kregh-, nasaliert: (s)krengh-:
umbr. cringatro, krenkatrum, krikatru ‘cinctum’; urgem. *hrengaz in finn. rengas, aisl. hringr, ags. as. ahd. hring ‘Ring’, aisl. hringja ‘kleines rundes Gefäß’ und ‘Spange’ = ahd. rinka, ags. hringe ‘Spange’, ahd. as. hringon ‘ringeln, einen Kreis bilden’; dazu wohl als ‘Rundstab’, got. hrugga ‘Stab’, ags. hrung f. ‘Leitersprosse, Speiche’, engl. rung ‘Leitersprosse’, mnd. mhd. runge ‘Wagenrunge’; aksl. krǫgъ ‘Kreis’, ksl. kruglъ, okruglъ ‘rund’ usw.;
β) Dentalerweiterung kert- ‘drehen’, s. oben S. 584 f.
γ) Labialerweiterungen (s)kereb(h)-, (s)kremb- ‘drehen’ s. unter bes. Schlagwort.
B. i-Basis (s)krei-:
Lat. scrinium ‘rollenförmige Kapsel, Schrein’ (*runder Behälter);
lit. skriejù (für *skrejù), skriẽti ‘im Kreise bewegen, im Bogen fliegen’, lett. skrìenu (skreju), skrìet ‘laufen, fliegen’, alit. skrelis ‘Fittich’, aksl. krilo (*krī-dlo-) n. ‘Flügel’; lit. kreĩvas ‘gewunden, schief’, ostlit. kraĩvas ‘schief’, apý-kraivis ‘gekrümmt’, ablaut. krìvis ‘schief gewachsener Mensch’; apr. grēiwa-kaulin Akk. ‘Rippe’ (‘krummer Knochen’; dissim. aus krēiwa-kaulin), russ. (usw.) kriv ‘krumm’, aksl. razkriviti ‘krümmen’; lett. krails ‘gebogen, gekrümmt’; lett. kreĩlis ‘Linkhand’, ḱeĩris (dissim. aus *kreiris) ds., lit. kairỹs ds. (dissim. aus *krairỹs); aksl. krinica ‘Gefäß, Krug’, okrinъ ‘Napf’, russ. kriníca ‘Kufe, Brunnen, Quelle’;
α) Mit Dentalen:
(s)krei-t-: lat. crīsō, -āre ‘mit den Schenkeln wackeln (beim Beischlaf; von der Frau)’, *creitsō oder *crītsō; mir. crith ‘Zittern, Fieber’, cymr. cryd ‘Wiege, Fieber’, mit s-: ysgryd, bret. skrija ‘vor Furcht zittern’; aisl. hrīð f. ‘Anfall, Sturm; Zwischenzeit, Zeitabschnitt’, ags. hrīþ f. ‘Sturm’, ahd. (h)rīdōn ‘zittern’, ablaut. (h)rit(t)o ‘Fieber’, ags. hrið ‘Fieber’, aisl. hreiðr n. ‘Nest’ (‘*Flechtwerk’); aus dem Begriff der bogenförmigen Bewegung ist verständlich aisl. skrīða ‘sich langsam vorwärts bewegen, kriechen’ (von Würmern), ags. scrīþan, as. scrīthan und skrīdan, ahd. scrītanschreiten’, ahd. scrit ‘Schritt’, aisl. skriðr ‘Lauf, Vorwärtsschreiten’, ags. scriþe, scride m. ‘Lauf’, skrid n. ‘Wagen’; lett. kraitât ‘taumeln’; lit. skriečiù, skriẽsti ‘drehen, im Kreis herumdrehen’, skrýtis ‘Radfelge’, apr. scritayle ds., lit. apskritùs ‘rund’, skritulỹs ‘Kreis, Kniescheibe’, lett. skritulis ‘Rad’, lit. skritinỹs ‘Kugel, Globus’.
(s)kreid-:
Lit. skrindù, skrìsti ‘fliegen, kreisen’, skridinė́ti ‘kreisen (von Vögeln)’, skrýdauti ‘im Kreise gehn’, skriedžiù, skriẽsti ‘fliegen’, skraidaũ, -ýti ‘hin und her im Bogen fliegen’, skraidùs ‘schnell’; lett. skraidelêt ‘umherlaufen’, skrìedinât ‘antreiben’.
β) Mit Labialen: (s)kreip-:
Aisl. hreife m. ‘Handwurzel’, hreifa ‘schwingen’; lit. kreipiù, kreipti ‘drehen, wenden’, kraipaũ, -ýti, Iter. krypstù, krỹpti ‘sich drehen’; aksl. skrěnja ‘εὐτραπελία, scurrilitas’ (*skroipni̯ā); slav. *krě(p)sъ (*kroip-so-) in aksl. vъz-krěšǫ, -iti ‘auferstehen lassen (von den Toten)’, ksl. krěsъ m. ‘τροπή, temporum mutatio’, serb. krȉjes ‘Johannisfeuer’; ablaut. aksl. vъs-krьsnǫti ‘auferstehen’.
(s)kreib-: aisl. hrip n. ‘hölzernes Gefäß’, mengl. rip ‘Fischkorb’, ahd. href ‘Tragkorb’(ursprüngl. ‘Geflochtenes’); lett. kribas Pl. ‘Geflecht im Schlitten’.
s-Erweiterung (s)krei-s-, bes. von ‘vibrierender Bewegung, (sich) schütteln’.
Mir. cressaim ‘schüttle, schwinge’ (*kristō);
got. af-, us-hrisjan ‘ab-, ausschütteln’, ags. as. hrissan ‘sich schütteln, zittern’; aisl. hrīs n. ‘Gesträuch, Rute’, ags. hrīs n. ‘Zweig, Rute’, ahd. hrīs ‘Reis, Rute, Reisig, Gebüsch’; norw. risla ‘Busch, Zweig, Wipfel eines Baumes; Ähre’, schwed. ressna ‘(Hopfen)ranke’, ressn ‘Docke gehechelten Flachses’ usw.; lat. crīnis ‘Haar, bes. Haupthaar’ (*crisnis, vgl.:) cris-ta ‘der Kamm am Kopfe der Tiere’, aisl. hrista ‘schütteln’, mnd. risten ‘flechten’; ahd. rīsta, nhd. Reiste ‘zusammengedrehter Büschel, Bündel überhaupt’; mit : nd. riste, risse ds., ndl. riste (und rijste) auch ‘Traubenkamm, Rispe, Reihe’; apr. craysi ‘Halm’, crays ‘Heu’;
hierher als p-Ableitung auch: lat. crispus ‘kraus, sich kräuselnd, vibrierend’, crispō, -āre ‘kräuseln, schwingen’, intr. ‘zittern’, gall. PN. Crixos, cymr. crych ‘kraus’, bret. crech ds.; mhd. rispen ‘kräuseln’, rispeln ds., rispe ‘Gezweig, Gesträuch’, ahd. hrispahi ‘virgultum’, nhd. Rispe ‘Reisig, Buschwerk, Bündel, büschliger Blütenstand’, in der Weberei ‘eine gewisse Lage der Fäden’, engl. dial. risp ‘Stengel von Schlingflanzen, Ranken’.
C. u-Basis (s)kreu-:
Vgl. oben S. 935 zu gr. κορωνός; acymr. crunn, mcymr. crwnn, fem. cronn, abret. cron ‘rund’, mir. cruind ‘rund’, zur Grundf. *krundi, vgl. gr. κοκρυν-δακοί· κυλλοί;
sloven. krúliti ‘verstümmeln, rings behacken’, serb. krùljav ‘lahm, verkrüppelt’, poln. królić (für krulić) ‘runzeln’;
vgl. auch ai. karū́-kara- m. ‘Wirbel des Halses und Rückgrates’;
k-Erw. (s)kreu-k-: ai. kruñcati (Dhātup.) ‘krümmt sich’; lat. crux ‘Marterholz’ (ursprüngl. ‘runder Pfahl’); ir. crūach f. ‘Haufe, Schober, Hügel’, gall. *krouka ‘Gipfel’, woraus *krōkka, krūk(k)a ds. (v. Wartburg FEW. 2, 1367), cymr. crug m. ‘cippus, tumulus’, corn. abret. cruc ‘Hügel’, nbret. crug, abrit.-lat. Penno-crucium ON.; aisl. hryggr ‘Rückgrat’, ags. hrycg, as. hruggi, ahd. (h)rukki ‘Rücken’; aisl. hrūga f. ‘Haufe’, hraukr ‘Haufe’, ags. hrēac ‘Kornhaufe’, ndl. rook ds., ablautend ags. cornhrycce f. ‘Korndieme’, engl. rick ds.; lit. kriáuklė ‘Meerschnecke’, kriáuklas ‘Rippe’; lett. kruknêt ‘gekrümmt sitzen’;
Eine t-Erw. scheint krū̆t- ‘Körperwölbung’ oben S. 624.

WP. II 568 ff., WH. I 220 f., 233 f., 279 f., 317 f., 293, 296 f., Trautmann 140 f., 267 f., Loth RC. 43, 416 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal