Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schriel - (mager; gierig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schriel bn. ‘mager; gierig’
Nnl. zulk eene (vermagerde, slappe) Koe noemt men miersch, ook wel schriel, dat schraal beteekend [1810; iWNT], schriel ‘gierig, karig’ in den ... Nederlander, ... die nooit door schriel geknevel, maar altoos door onvervalschte deugdelijkheid op den mededinger zegevierde ‘... door op gierigheid gebaseerde onderdrukking ...’ [1831; Leeuwarder Courant].
Noordzee-Germaanse vorm, ontwikkeld uit Proto-Germaans *skrēla-, en dus hetzelfde woord als het klankwettig in het Nederlands ontwikkelde woord → schraal.
Nfri. skriel ‘karig, schraal’.
Schriel heeft in tegenstelling tot schraal meestal betrekking op personen of dieren en betekent dan ‘gierig, niet goedgeefs’, ook wel ‘mager, klein, iel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schriel* [mager] {1810} friese, noord-hollandse nevenvorm van schraal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schriel bnw. eerst na Kiliaen, is een inguaeoonse vorm naast schraal, evenals nholl. fri. schiep naast schaap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schriel bnw., nog niet bij Kil. Een vorm met fri. vocalisme. N.Holl. dial. ook = “schraal, mager”. Zie schraal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schriel bijv., Fri. bijvorm van schraal (ie is uit Fri. ê = Ndl. â).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schraal, van een oud w.w., dat in ’t Oudnoorsch nog verdorren bet.; het woord w.d.z. dor, uitgedroogd, niet-weelderig, mager. De (Friesche) bijvorm is schriel, eveneens dor, onvruchtbaar, wat niet veel geeft; vandaar werd schriel = zeer karig.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schriel* mager 1810 [WNT]

schriel* gierig 1866 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal