Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schreeuwen - (luid roepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schreeuwen ww. ‘luid roepen’
Mnl. Daer hoerde ic wat in screuwen ‘daarin (in een hol) hoorde ik iets schreeuwen’ [1479; MNW-R].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *skraiwōn. Wrsch. is dit hetzelfde woord als *skraiōn- ‘schreeuwen’, zie → schreien, maar dan met epenthetische overgangsklank tussen klinkers.
Nnd. schrewen ‘schreeuwen’.
Naast schreeuwen staat het synoniem vnnl. schremen, zoals in Dat hy met luder keele schreemde van grooter verdwelmtheit ‘dat hij luidkeels schreeuwde van ontzetting’ [1562-92; MNW], naast een ouder zn. in Dan gaf de meeste enen screem groot ‘toen gaf de grootste (kraai) een harde kreet’ [1350-1400; MNW schreem], nu nog West- en Oost-Vlaams schremen ‘hoorbaar huilen’, schreem ‘kreet’, zie verder bij → schreien. Het woordenpaar schreeuwen/schremen is vergelijkbaar met dat van mnl. fleeuwen naast → flemen, eveneens met wisseling van de labiaal.
schreeuw zn. ‘gil’. Vnnl. schreeuw [1573; Thes.]. Afleiding van schreeuwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schreeuwen* [luid roepen] {screuwen 1479} nederduits schrewen, van dezelfde klanknabootsende stam als schreien en vlaams schreemen, engels to scream (vgl. reiger).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schreeuwen ww., mnl. (laat en zelden) scrêuwen, nnd. schrēwen ‘schreeuwen, luid spreken’ < germ. *skraiwōn of *skriwōn. Daarnaast staat mnl. scrîen ‘schreeuwen, schreien’, os. skrīan, ohd. scrīan, ofri. skrīa ‘schreeuwen’, sterk ww. naast het zw. ww. schreien. — Idg. wt. *(s)kerei, waarvan ook bret. screo (< *skriu̯ā) ‘krijsende zeevogel’, oiers scret v. (< *skri-zdhā) ‘schreeuw’ en zonder s̠- vgl. on. hreimr ‘geschreeuw’, on. hrīna ‘schreeuwen’. — Van dezelfde wt. ook reiger en krekel. — Voor de grondwortel *(s)ker zie nog: raaf en roek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schreeuw znw., sedert Kil. Van schreeuwen ww., mnl. (laat en zeldzaam) scrêuwen. = ndd. schrêwen “schreeuwen, schreeuwend spreken”. Uit *skrai-wôn of *skri-wôn (vgl. geeuwen), van de basis skri-, waarvan ook het sterke ww. mnl. scrîen “schreeuwen, schreien”, ohd. scrîan (nhd. schreien), os. skrîan, ofri. skrîa “schreeuwen” (noorw. dial. skrîa “juichen” flecteert zwak) en het znw. mnl. screi m., ohd. screi (nhd. schrei) m., mnd. schrei m. o. “schreeuw” — waarbij ’t zwakke ww. mnl. screyen “schreeuwen, schreien” (nnl. schreien), ohd. screiôn, mnd. schreien, owfri. scraya “schreeuwen”, noorw. dial. skreia “juichen” — en met m-formans mnl. screem m. “schreeuw”, vla. (sedert de 16. eeuw) schreemen, fri. skrieme, eng. to scream “schreeuwen”. Deze onomatop. basis germ. skri-, naast χri- (waarvan on. hrîna “schreeuwen”, hreimr “geschreeuw, geraas”), was reeds idg.; men leidt er gew. lat. crîmen “aanklacht” van af (onzeker), bovendien eenige verlengde bases: qriq- (zie reiger) en (s)qrig-, waarvan in ’t Germ.: os. skrī̆kon, noorw. skrîka “schreeuwen”, mnd. schricht v., schrichte o., ofri. dat. skrichta “geschreeuw”, on. hrika “kraken”. Voor een synonieme anlautvariant van deze basis zie bij krijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schreeuw znw., schreeuwen ww. Dial. schrouwen (N.-O. diall.), Teuth. schrauwen berusten wsch. op *skri-wôn, terwijl de overige vormen het best op *skrai-wôn te herleiden zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schreeuwen ono.w., Mnl. screuwen (d.i. *skrai-w-ôn), dat evenals dial. schreemen (Eng. to scream) een afleid. is van denz. stam als ʼt enk. imp. van het st. werkw. *schrijen: z. schreien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjriewe (ww.) schreeuwen; Middelnederlands screuwen <1479>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schroowm schreeuwen (Ruinen). Vgl. ndd. schrauen ‘id.’, ono. skraumi ‘schreeuwer’. Onomatopoëtische oorsprong.
Sassen 75, IEW 570-571.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schreeuwen (schreeuwde, heeft geschreeuwd), (ook:) 1. (overg.), een grote mond geven. In één winkel was één* ruzie geweest, want de meneer had aan een vrouw gezegd dat hij geen naalden meer had, maar toen had die vrouw hem geschreeuwd en gezegd: Ja, hij heeft, maar hij wil niet verkopen (Schungel 101). - 2. (overg.), een standje geven. Er passeert iemand, daarom blafte de hond. En ik schreeuw die hond van mij en ik ga weer naar de muziek luisteren (Doelwijt 1971: 58). - 3. (onoverg.) een hard en/of scherp en continu geluid maken. Dat vet schreeuwt, het wil meer vis (Helman 1954a: 9); hier: sissen. Als het twaalf uur is gaat de sirene schreeuwen (Doelwijt 1971: 54); hier: loeien.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skreeu: – skree/(plat) skrou – , hard/luid roep; Ndl. schreeuwen (Lmnl. screuwen, by Kil schreeuw en schreeuwen), verw. aan Ndl. schreien, Hd. schreien, Afr. skrei, Eng. scream, maar verb. m. Eng. screech en shriek onwsk.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schreeuwen, verwant met schreien en dit van den Germ. wt. skri = roepen, krijten. – In ’t Hgd. bet. schreien nog schreeuwen; bij ons heeft schreien de bet. van weenen aangenomen; eerst luid weenen, later weenen in ’t algemeen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schreeuwen ‘luid roepen’ -> Negerhollands skreeuw, skreuw, skrēw, krēw, skreew ‘schreeuwen, schreien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schreeuwen* luid roepen 1479 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2326. Schreeuwen als een mager varken (of een speenvarken),

d.w.z. verschrikkelijk schreeuwen: magere dieren zijn altijd gauwer kwaad dan vette, wèl doorvoede. Vgl. de zegswijze mager en kwaad (van menschen). In de 17de eeuw is de uitdrukking zeer gewoon; zie Lichte Wigger, 5 r: End' hy schrewde as een mager vercken; 7 v: Hy schrewt als een mager verken dat de keel wort afgestooken; Coster, 10 vs. 15: Dat is een stemmetgen as een mager varcken; Brederoo II, 290, 1434: Mijn darmen kryten als mag're varckens; Spaan, 60; 157; Van Effen, Spect. VI, 229: Pietje kreeg bevel van zyn Moeder dat hy eens zingen zou; waarop hy aan 't schreeuwen tijde als een mager varken. Zie ook Tuinman II, 94; Amstelv. 13: De man zat onder de bewerking te gillen als een mager varken; De Arbeid, 31 Juli 1915 p. 4 k. 2: Tamminga kon als een mager speenvarken gaan schreeuwen, daar had ik maling aan; Tuerlinckx, 556; Joos, 134: de magere varkens schreien meest; Waasch Idiot. 585: schreeën gelijk een verken. Syn. schreeuwen als een varken, dat gekeeld (of geringd) wordt; zie De Bo, 1149: tieren lijk een verken dat gekeeld wordt; Antw. Idiot. 1093: schreeuwen gelijk e penneverken dat in 'en hekel hangt, gelijk e mager verken; Molema, 349 a: schreeuwen as 'n zwien dat ringt wordt; Limburg: schreeuwen lijk een verken onder 't mes ('t Daghet XII, 186) of alsof men 't mes in de keel had (bl. 143); Twente: schreeuwen as 'n varken dat ekelt of as ne bigge de ekrampt wordt; afrik. hy skree soos 'n maer vark; fri. gûle of giere as in meagere baerch; eng. to cry like a stuck pig. Vgl. no. 1114

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ker-1, kor-, kr- ‘Schallnachahmung für heisere, rauhe Töne, solche Tierstimmen und die sie ausstoßenden Tiere’, Anlaut meist k-, seltener k̑- auch mit beweglichem s- : (s)ker-.

I. Ai. karaṭa- m. ‘Krähe’ (?), karāyikā ‘eine Art Kranich’.
Gr. κόραξ, -ακος m. ‘Rabe’, κοράκιον ‘Schnabel des Raben’ (*kor-n̥-k-, vgl. lat. cor-n-īx), σκορακίζω ‘behandele schimpflich (aus ἐς κόρακας βάλλειν u. dgl.), κορώνη ‘Krähe’, κόραφος· ποιὸς ὄρνις Hes. (*kor-n̥-bhos); κορκορυγή ‘Kollern im Leibe’;
lat. corvus ‘Rabe’, cornīx, -īcis ‘Krähe’, umbr. curnāco ‘cornicem’ (-īk- neben -āk-); Specht, Idg. Dekl. 118, 161 stellt hingegen corvus und cornīx zur Farbwurzel ker-;
čech. krákorati ‘gackern’ (*kor-kor-, vgl. κορκορυγή), serb. krakoriti ‘gracillare’, klr. kerekoríty ‘kollern, girren’.
S. auch kar- ‘laut preisen’.
1. Dentalerweiterungen:
Älter dän. skrade ‘rasseln, röcheln’, schwed. mdartl. skrata ‘schallen’, norw. mdartl. skrata ‘gackern, schelten, laut lachen’, skratla ‘rasseln’, schwed. skratta ‘lachen’, dän. skratte ‘einen gesprungenen Ton geben’.
2. Gutturalerweiterungen:
A. Auf -k- (gebrochene Reduplikation): kerk-, krek-, krok-:
Ai. kr̥kara-, krakara-, kr̥kaṇa- m. ‘eine Art Rebhuhn’, kŕ̥ka-vāku- m. ‘Hahn’, kr̥kaṣā, kr̥kālikā ‘Vogelnamen’; av. kahrkatāt- f. ‘Hahn’, npers. kärk ‘Huhn’, av. kahrkāsa- m. ‘Geier, eigentlich Hähneesser’; ai. karkati (unbelegt) ‘lacht’, krákṣamāṇa-, -krakṣa-, -krakṣin- etwa ‘knarrend’;
arm. vielleicht als Neuschöpfung karkač̣ ‘Rauschen, Geräusch’, karkačem ‘übermäßig lachen, brausen’;
gr. κέρκαξ· ἱέραξ Hes., κερκάς· κρεξ τὸ ὄρνεον Hes., κερκιθαλίς· ἐρωδιός Hes., κερκίς· ... εἶδος ὄρνῑθος Hes., κέρκνος· ἱέραξ, ἤ ἀλεκτρυών Hes., κέρκος· ... ἀλεκτρυών Hes., κίρκος ‘ἱέραξ’, κορκόρας· ὄρνις. Περγαιοῖ Hes., κρέξ ‘eine Vogelart’, κέρχνος m. ‘Heiserkeit’ (wenn aus *κερκ-σνος), κέρχνη, κερχνηίς f. ‘Turmfalke’;
lat. crōciō, -īre und crōcō, -āre ‘krächzen’ (: ir. crāin, lit. krokiù, lett. krācu, slav. krakati, vgl. mit -g: gr. κρώζω, anord. hrókr);
mir. crāin, Gen. crāna ‘Sau’ (‘grunzend’; urkelt. *krākni-); cercc ‘Henne’ (aber cymr. ysgrechf. ‘Schrei’ aus ags. *scrǣc ‘Geschrei’; mir. scrēch ‘Schrei’ aus anord. skrǽkr); abret. corcid, nbret. kerc’heiz, cymr. crychydd ‘Reiher’, ir. corr (*kork-so-) ‘Kranich’;
apr. kerko f. ‘Taucher (Vogel)’, lett. ḱḕrcu, ḱḕrt ‘gackern, rauschen, Lärm machen’, lit. karkiù, kar̃kti ‘schnarren, krächzen, gackern’, lit. kirkiù, kir̃kti ‘kreischen (von der Bruthenne)’; lit. krẽkinuos, -intis ‘brünstig sein (vom Schwein)’, lett. krecêt ‘heiser werden’; apr. kracto (lies kracco) ‘Schwarzspecht’, lit. krãkė ds., lit. kr(i)okiù, kr(i)õkti ‘röcheln, grunzen’ (: lat. crōciō usw.), kr(i)oklỹs ‘Wasserfall’, lett. krā̀cu, krā̀kt ‘krächzen, schnarchen, röcheln, tosen’; lit. kurkiù, kur̃kti ‘quarren’, lett. kùrcu, kùrkt ‘quarren’ (: aksl. krъknǫti; ablautend mit lit. kvar̃kti?); vgl. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb II 296, 270, 322;
aksl. krъknǫti ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. krečetъ ‘Zikade’, russ. krëk ‘Aufstehnen’, krečet ‘Jagdfalke’, serb. krȅka ‘Geschrei der Hühner oder Frösche’ (usw.), čech. škřek ‘Geschrei’, osorb. škŕekava ‘Eichelhäher’; russ. krochálь ‘Tauchergans’, bulg. krókon ‘Rabe’, serb. krȍčēm, kròkati ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. (usw.) kraču, krakati ds.; dazu slovz. krẽk (*krakъ) m. ‘Rabe’.
Nasaliert: ags. hringan ‘tönen, rasseln, klappern’, engl. to ring ‘lauten, klingen’, anord. hrang n. ‘Lärm’, hringia ‘läuten’, lit. krankiù, krañkti ‘krächzen, röcheln’, krankščiù, krañks̀ti ds., russ. krjákatь ‘krachen, ächzen, schnarren, krächzen’; toch. В kraṅko Hahn; ai. kruṅ, kruñca-, krāuñca m. ‘Brachvogel’.
Mit anl. k̑-: ai. śāri- f. ‘ein Vogel’, sārikā ‘die indische Elster’; arm. sareak ‘Star’; lit. šárka, apr. sarke ‘Elster’, russ. soróka, čech. straka, serb. srȁka ‘Elster’; daneben aksl. svraka, serb. svrȁka ds., s. unten.
Mit anlaut. k̑u̯-: alb. sorrë (*k̑u̯ērnā) ‘Krähe’ (Jokl, Mél. Pedersen 146);
aksl. soraka, serb. svrȁka ‘Elster’.
B. Auf -g-:
Ai. kharjati ‘knarrt’, khargálā ‘ein bestimmter Nachtvogel (Eule?)’;
gr. κρώζω ‘krächze’, κράζω, ἔκραγον, κέκρᾱγα ‘krächzen (vom Raben), schreien’; κάραγὺς· ὁ τραχὸς ψόφος οἷον πριόνων Hes.;
anord. hrōkr, ags. hrōc, ahd. hruoh ‘Krähe’; ndd. harken, dän. harke ‘sich räuspern’, schweiz. harchlen ‘röcheln’, anord. hark, skark ‘Lärm’, herkir, skerkir ‘Feuer’ (‘*knisternd’), anord. harka ‘lärmen’, ndd. harken ‘scharren, kratzen’, harke ‘Rechen’, nhd. Lw. Harke; zu ai. kharju- m. (unbelegt) ‘das Jucken, Kratzen’, khr̥gala- m. ‘Krücke’ (?);
ahd. rachisōn ‘sich räuspern’, ags. hraca m., hracu f. ‘Kehle’, ahd. rahho ‘Rachen’, ags. hrǣca m. ‘das Räuspern; Speichel’, hrǣcan ‘sich räuspern, spucken’, anord. hrāka m. ‘Speichel’; anord. skrǣkr m. ‘Schrei’ (*skrēki-), skrǣkja, skrǣkta ‘schreien’, skrǫk n. Pl. ‘Lüge’, skrǫkva ‘erdichten, erlügen’;
lit. kregždė̃ ‘Schwalbe’, krėgė́ti ‘grunzen’, krogiù ‘röchle, grunze’.
3. Labialerweiterungen:
A. Mit -p-: Ai. kŕ̥patē, Aor. akrapiṣṭa ‘jammern’;
kr̥cchrá- ‘schlimm’; n. ‘Not’, mind. aus *kr̥psra-;
npers. särfāk ‘Schall’, surf (iran. *sǝrǝfa-) ‘Husten’;
lat. crepō, -ās und -is, -āre ‘knattern, knistern, krachen’, crepundia, -ōrum ‘Klappern als Kinderspielzeug, Kastagnetten’ (nach M. Leumann, Gnomon 9, 240, vielmehr etruskisch); EM3 268;
anord. hrafn ‘Rabe’, urnord. HrabnaR, ags. hræfn ‘Rabe’, ahd. hraban, hram ‘Rabe’ (mhd. auch rappe), as. naht-ram ‘Nachteule’;
Mit s-: anord. skrafa ‘schwatzen’, skraf (und skrap s. unten) n. ‘Geschwätz’; anord. skarfr ‘Seerabe’, ags. skræf ds., ahd. scarba, scarva f., scarbo m. ds., nhd. Scharbe; bret. scrav ‘Meervogel’ ist germ. Lw.;
lett. krepēt, krēpēt ‘schmutzig werden’, krẽpât ‘zähen Schleim auswerfen’ (aus ‘*räuspern’), lit. skreplénti ds., lett. krẽpalas Pl., lit. skrepliaĩ Pl. ‘Schleimauswurf, aksl. kroplją, kropiti ‘bespritzen, besprengen’ usw., russ. kropotátь ‘brummen, mürrisch sein, sich sorgen’ usw.
Mit -b-: anord. skrap ‘das Rascheln, Geschwätz’, skrapa ‘rascheln, schwätzen’; lit. skrebė́ti ‘rascheln’, aksl. skrobotъ ‘Geräusch’. Nasaliert gr. κρέμβαλα ‘Kastagnetten’.
II. i-Basis (s)(k)erei-:
Air. scret f., nir. scread ‘Schrei’ aus *skri-zd(h)ā; vgl. Persson Beitr. I 348;
mit s-: bret. screo (*skriu̯ā) ‘kreischender Meervogel’;
ahd. as. scrīan ‘schreien’, ahd. screi n. ‘Schrei’, ndd. schrēwen, ndl. schreeuwen ‘schreien’ (*skraiwian), wfläm. schreemen, engl. scream ds. (*skraimian);
ohne s-: anord. hreimr ‘Geschrei’, anord. hrīna ‘schreien’ (vom Schweine); vgl. lett. krī̆na ‘Sau’ (ebenso ir. crāin ds. : lat. crōcio) und piem. crin (ligur.?) ‘Schwein’.
Gutturalerweiterungen:
A. Mit -k-: gr. κρίκε ‘(das Joch) knarrte, kreischte’; lit. krykščiù, krỹkšti ‘kreischen’, kriksėti ‘quaken’;
aksl. krikъ ‘Geschrei’, kričati ‘schreien’;
anord. hegri, ags. hrāgra, ahd. heigaro und (h)reigaro, mhd. heiger und reiger, nhd. Reiher (*kroikro-, *krikro-), z. T. mit diss. Schwunde des ersten r;
cymr. cryg ‘heiser’, fem. creg, davon creg-yr ‘Reiher’;
eine verschiedene Lautnachahmung ist bulg. cъ́rkam ‘zwitschere, zirpe; schreie, spritze’ (usw. s. Berneker 132);
B. Mit -g-: gr. κρῑγή ‘das Schwirren; Knirschen (der Zähne)’, κριγή· ἡ γλαῦξ Hes., κρίζω, κρίξαι, κέκρῑγα ‘kreischen, knurren’, böot. κριδδέμεν (δδ = γ) ‘γελᾶν’;
cymr. cre (*krigā), dychre (*dī-eks-krigā) ‘Geschrei’; abgeleitet crë-ydd, crë-yr ‘Reiher’;
anord. hrīka ‘knirschen’, hrikta ‘kreischen’;
mit s-: anord. skrīkia ‘Vogelschrei’, als Verbum ‘zwitschern’, ags. scrīc ‘Würger’, norw. skrīka, skreik ‘schreien’, as. skrikōn ds., an. skrǣkr ‘Schrei’;
späte Neuschöpfung: nhd. Krickente, schwed. krickand, krikka ds., ndl. kriek, krekel ‘Grille, Heimchen’, frz. criquet ds., ndl. kricken, kreken ‘Zirpen (von der Grille)’, mengl. creken ‘knarren’, engl. creak ds., frz. criquer ds.;
mit s-: aksl. skrъgati (d. i. skrъg-) ‘knirschen’, skrъžьtъ (d. i. skrьž-) ‘Geknirsche’.
III. u-Basis (s)k(o)reu-, (s)k(o)rau-:
1. Lat. corvus (s. oben S. 567); mir. crū ‘Rabe’ (*krou̯os); ndd. schrauen, schraulen, norw. skryla, ryla ‘schreien’, norw. dial. skrynia ‘klappern, Geräusch machen, hell klingen; husten’; anord. skraumi ‘Schreier, Hanswurst’; nordfries. skrummel ‘Getöse, Geräusch, Gerücht’, nhd. schrummeln ‘donnern’, anord. skrum ‘Geschwätz; lit. kriunù, -ė́ti ‘husten, stöhnen’; vielleicht auch toch. В keru ‘Trommel’.
2. Dentalerweiterungen:
Mit -d-:
Anord. hrjóta ‘brüllen, schnarchen, brummen’, ags. hrūtan ‘schnarchen, schnauben’, ahd. rūzan, rūzōn ‘rasseln, schnarchen, summen’; vgl. ags. hrot m. ‘dicke Flüssigkeit, Schleim’, usw. unten S. 537;
mnd. schrūten ‘schnarchen, schnaufen, prusten’, wfäl. Schrute ‘Truthenne’, schwed. skryta ‘prahlen’, dial. ‘schnarchen’, norw. dial. skrȳta ‘schnauben, prusten’, skrota (*skrutōn) ‘prahlen’ (vielleicht auch anord. skraut n. ‘Pracht, Schmuck’, skreyta ‘schmücken’, wenn eigentlich ‘prahlen’, vgl. norw. skrøyta ‘schmücken, loben, prahlen’, røyta ds.).
Mit idg. -t-: anord. hryðja f. ‘Spucknapf’, isl. hroði ‘Speichel’, norw. dial. ryda, skryda f. ‘Schleim im Halse’.
3. Gutturalerweiterungen:
Mit -k-: lit. krauklỹs ‘Krähe’, kraukiù, kraũkti ‘krächzen’, ablaut. kriūk-iù, -ti ‘grunzen’, krùkė ‘Gegrunze’; lett. kraûklis m. ‘Rabe’, kraũḱis ‘Saatkrähe’, kraukât ‘husten, Schleim auswerfen (vom Vieh)’; kraũka f. ‘Schleimauswurf’;
aksl. krukъ ‘Rabe’ (usw);
isl. hrygla ‘Rasseln in der Kehle’, mhd. rü(c)heln, nhd. röcheln, norw. rugde ‘Waldschnepfe’; dazu wohl ags. hrog ‘Nasenschleim’;
mit Geminata -kk-: dän. skrukke ‘glucksen’, skrokke ‘plaudern’, woneben älter dän. krokke ‘rufen, von Hühnern’, mnd. krochen ‘grunzen; heiser schreien (vom Raben)’.
Mit -k̑-: ai. krṓśati, av. xraosaiti ‘kreischt, schreit’, ai. krōśa-, klṓśa- m. ‘Schrei, Rufweite’, (: ags. hrēam ‘Notruf’ aus *hrauhma), npers. xurōs ‘Hahn’; s. W. Schulze Kl. Schr.166.
Mit -g-: gr. κραυγή ‘Geschrei’, κραυγός· δρυκολάπτου εἶδος (‘Art Specht’) Hes.; got. hruk Akk. ‘das Krähen’, hrukjan ‘krähen’.

WP. I 413ff., WH. I 275 f., 290, 291 f., 293, Trautmann 128, 139 f., Wissmann Nom. postverb. 130 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal