Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schraag - (draagconstructie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schraag zn. ‘draagconstructie’
Mnl. sc(h)rage ‘houten draagconstructie’, in de oudste attestaties voor stoffen: dat sine scraghen bedect waren metten lakenen ‘dat zijn schragen bedekt zouden zijn met de lakens’ [1294; VMNW], lijnwait legghen up sgraghen ‘linnen kleden op schragen draperen’ [1337; MNW], Doe leidemen taflen uptie scraghe ‘toen legde men tafelbladen op de schragen’ [1350; MNW-R]; vnnl. een schrage ‘onderstel voor een tafel’ [1573; Thes.].
Herkomst onduidelijk. Het woord komt alleen voor in delen van het West-Germaans en gaat vermoedelijk terug op een bn. dat ‘schuin, scheef’ betekent. De schraag zou dan genoemd zijn naar de kruisgewijs schuine steunlatten. Dat bn. is echter pas laat geattesteerd: iets schraag afzagen [1920; iWNT], naast ouder schraag ‘nauwelijks, krap’ [1684; iWNT]. In het Hoogduits (zie onder) is het bn. algemener, maar eveneens relatief jong.
Mnd. schrage ‘schraag’; ohd. garn-scrago ‘garenhaspel’, mhd. schrage ‘schraag’ (nhd. vero. Schragen) < pgm. *skrag-. Daarnaast staat vnhd. schrege ‘schuin, hellend’ (nhd. schräg), dat dus ook relatief jong is en daarom wrsch. secundair is aan de betekenis ‘draagconstructie’. De betekenis van scregi- in de samenstellingen ohd. scregibant ‘haarband’ en scregihōrī ‘helling’ is onduidelijk.
Mogelijk is er verband met de wortel pgm. *skrank-/*skrang- zoals in: mnl. sc(h)ranke ‘onderstel’, overdrachtelijk in Doe faelgierden hem die scranken ‘toen bezweken zijn poten (van een olifant)’ [1350; MNW-R] (vnnl. schrancke, j. schraege [1599; Kil.]); mnd. schrank ‘traliewerk, hekwerk; afgesloten ruimte, nis’; mhd. schranc ‘id.; onderstel’ (nhd. Schrank ‘kast’), schranke ‘hekwerk’ (nhd. Schranke ‘slagboom’). Voorts bestaat het bn. fri. skrank ‘schuin, overhoeks’ (skriks en skrank ‘schots en scheef’). Deze wortel betekent wellicht ‘een schuine beweging maken, dwars door elkaar vlechten’ (FvW): mnl. scranken ‘de benen over elkaar slaan’; os. gi-skrankon ‘uiteenspreiden’, mnd. schrenken ‘dwars zetten, belemmeren’; ohd. screnken ‘kruisen, spreiden’ (nhd. schränken ‘id.’); oe. screncan ‘doen vallen’.
Zowel pgm. *skrag- als *skrank-/*skrang- zouden volgens sommigen (o.a. NEW, Pfeifer, maar niet Kluge) horen bij een grote groep afleidingen van de wortel pie. *(s)ker- ‘draaien, buigen’ (IEW 935-938), waartoe bijv. ook Grieks kríkos ‘ring’ (zie → circus), behoort, maar die overwegend uit Germaanse woorden bestaat en waarvan de Indo-Europese status dus maar zwak is.
schragen ww. ‘ondersteunen’. Mnl. alleen in onderscraghen ‘id.’ [ca. 1483; MNW]; vnnl. schraeghen ‘id.’ [1599; Kil.]. Afleiding van schraag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schraag* [draagconstructie] {schrage 1294} middelhoogduits schrage (hoogduits Schragen), genoemd naar de gekruiste steunlatten, vgl. schraag [schuin], hoogduits schräg [schuin], van een zeer productieve i.-e. stam met de betekenis ‘scheef’, waarvan ook zijn afgeleid ring, schrompelen, rug, harp, rank, schrijden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schraag znw. v., mnl. scrāghe v., mnd. schrāge m. mhd. schrāge (nhd. schragen) ‘toestel ter ondersteuning, bestaande uit een balk op twee elkaar kruisende latten’, genoemd naar de beide schuin staande houten, vgl. ouder en dial. nnl. schraag, nnd. schrēg, nhd. schräg gaat terug op idg. *(s)krek, waartoe ook russ. okorča ‘gebogen deel van de slede’, kórča ‘kramp’, naast *(s)kerk in gr. kírkos ‘ring’, lat. circus ‘cirkellijn’, oi. kṛ́kāta- ‘halsgewricht’; gutturaal-afl. van de wt. *(s)ker ‘buigen, krom’.

Deze wortel heeft de volgende afleidingen behalve *(s)krek
*(s)kreng zie: schrank en rank 1
*(s)krengh zie: ring en rong
*(s)kert zie: hor en horst
*(s)kerb zie: harp
*(s)kremb zie: romp en schrompelen
*(s)krei en wel: *(s)kreit zie: schrijden
*(s) kreis zie:rijs
*(s)kreu en wel: *(s)kreuk zie: rug.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schraag znw., mnl. scrāghe v. = mhd. schrage (nhd. schragen), mnd. schrāge m. “schraag”. Oorsprong onzeker. Misschien bij gr. krékō “ik sla, klop, sla de draden van ’t weefsel vast” en zijn verwanten (zie rong). Gew. combineert men met schraag ook oud- en dial. nnl. schraag, hd. schräg, ndd. schrêg “schuin”. Maar met ’t oog op mnd. schrât (d), gron. dr. schroat, achterh. schrao “id.” moet met de mogelijkheid gerekend worden, dat die vorm met gramm. wechsel bij de basis skrē̆χ- hoort: zie schraal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schraag v., Mnl. scraghe + Mhd. schrage (Nhd. schragen): verwant met schrank 1: z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schraaf, zn.: schraag. Ook Br. var. van schraag door v/g-wisseling uit schrage/schrave, schraag/schraaf. Vgl. FN Verschaeve < van der Schage (Leys 1960).

schreeg, schraag, bn.: schuin, scheef. D. schräg ‘schuin’. Het woord hoort bij Ndl. schraag, Mnl. scraghe, Mnd. schrage, wat oorspronkelijk op kruisgewijs schuine steunlatten sloeg. Verwant met schranken, zie schrankelen. Ook bw. schriks ‘schuin’, met bijwoordelijke -s.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schraaf, zn.: schraag. Dial. var. van schraag door v/g-wisseling uit schrage/schrave, schraag/schraaf. Vgl. FN Verschaeve < van der Schage (Leys 1960).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schrave (L), schraaf (Dender, B, W), zn. v.: schraag. Var. van schrage met g/v-wisseling; vgl. FN Verschaeve < van der Schage (Leys 1960).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schrèèk diagonaal (Huissen). Vgl. hgd. schräg ‘schuin’ (= nl. schraag).
Huissen 119.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schraag ‘draagconstructie’ ->? Engels † scraw ‘droogrek’; Sranantongo skraki ‘draagbalk op twee paar elkaar kruisende, onderling verbonden benen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schraag* draagconstructie 1294 [CG I Brugge]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)ker-3 ‘drehen, biegen’, (s. auch 1. (s)ker- ‘einschrumpfen’ und 2. (s)ker- ‘springen’), krispo- ‘kraus’, kroukā- ‘Haufe’

A. Av. skarǝna- ‘rund’, skārayat̰-raθa- EN., eigentlich ‘der den Streitwagen kreisen läßt’;
alb. vielleicht kërrús, kurrús ‘beuge, biege’;
gr. κυρτός ‘krumm’ (alte u-Färbung, vgl. russ. kortočki, sowie ksl. sъ-krъčiti ‘zusammenziehen’ usw.); κορωνός ‘gekrümmt’; κορώνη ‘allerlei Gekrümmtes, Gebogenes usw.’ (lat. Lw. corōna), vielleicht als *korō[]-no-s zur u-Basis *(s)kereu-;
lat. curvus ‘krumm, gekrümmt, gewölbt’ (Formans -u̯o-); cortīna ‘rundes Gefäß, Kessel; der Dreifuß Apollos mit dem Kessel darauf; Himmelswölbung’; von einem Partiz. *kr̥-to- ‘gedreht’ abgeleitet;
mir. cor, Akk. Pl. curu ‘Kreise’, cymr. cor-wynt, bret. cor-uent ‘turbo’;
russ. kórtočki Pl. f. ‘hockende, kauernde Stellung’, klr. kortáty śa ‘sich durchhelfen, rackern’ (wenn ‘*sich krümmen’? vgl. gr. κυρτός).
α) Gutturalerweiterungen:
ker-k-, daneben kir-k- (aus redupl. *ki-kro-) und (s)krek-:
Unsicher ai. kŕ̥kāṭa- n. ‘Halsgelenk’, kr̥ka- m. (unbelegt) ‘Kehlkopf’;
gr. κίρκος m. ‘Ring’ (κιρκόω ‘feßle mit einem Ring’), gewöhnlich (seit Homer) κρίκος (dazu κιρσός, κρισσός, dor. κριξός m. Poll. Hes. ‘Krampfader’ als ‘vortretende Aderringe’); lat. circus ‘Zirkellinie, Kreis in der Astronomie; bes. die (runde) Rennbahn’, Präp. circum ‘ringsumherusw.’, circā (nach suprā, extrā); der umbr. Monatsname kurçlasiu als ‘circulāriō’?;
(s)krek- in nd. schrēge, schräge, mhd. schræge ‘schräg’, mnd. mhd. schrage ‘kreuzweisestehende Holzfüße’; klr. kórkuš m. ‘Nacken’, korkoši Pl. ‘Achseln’, čech. krk ‘Hals’ usw. (vgl. oben ai. kr̥ka-); ksl. sъ-krъčiti ‘zusammenziehen’, russ. kórču, -itь ds., ‘Gesichter schneiden’, kórča, korč ‘Krampf’, okorča ‘gebogener Teil des Schlittens’, čech. dial. krkoška ‘Knorren am Holz’, krkva ‘Runzel, Falte’ usw.; auch wruss. korch ‘Faust’ usw. aus *kъrk-so-?;
nasaliert (s)krenk-: vermutlich russ. krjákatь ‘eine andere Wendung nehmen’, krjač ‘Knebelholz’, krjáčitь ‘festbinden’; ksl. kručina (*krǫčina) ‘χολέρα, epilepsia’, sloven. u-kroknem, -niti ‘sich krümmen’, u-kročiti ds., čech. kručina ‘Ginster’, poln. kręcz (*krǫčь) ‘Kopfdrehen, Schwindel; (alt) Starrkrampf’;
mit -g-: (s)ker-g-.
norw. hork (aisl. *hǫrk f.) ‘Weidenband’, dial. auch ‘runzeliges Weib’, herkja ‘zusammenbinden’, hurkl ‘Unebenheit, Knorren’, harkal ‘knorrig’; russ. korgá ‘verkrüppelter Baum’, koržávyj ‘verschrumpft, verkümmert, hart’ (usw.);
nasaliert (s)kreng-: aisl. hrøkkva (hrǫkk) ‘sich kräuseln, krümmen, zusammenschrumpfen’ (*hrenkwan), Kaus. hrøkkva ‘schlingen, kräuseln’ (*krankwjan), dän. rynke ‘runzeln’, aisl. hrukka, mhd. runke ‘Runzel’; m. Anlaut sk- aisl. skrukka ‘runzeliges Weib’, norw. skrukk ‘Runzel’, schwed. skrynka ‘runzeln’, ags. scrincan ‘sich zusammenziehen, verschrumpfen, verwelken’, mnd. schrinken ‘sich zusammenziehen’; gäl. sgreang ‘Runzel’ ist vielleicht ags. Lw.;
als ‘verquerte, kreuzweis gestellte Latten’: mnd. mhd. schrank(e) ‘Gitter, Zaun, Verschluß’, nhd. Schrank, Schranke, mnd. mhd. schrenken ‘verschränken, beschränken, hindern’; ahd. scranc ‘Betrug’, screnchan ‘zu Fall bringen’, ags. screncan ‘ein Bein stellen, betrügen’;
(s)kregh-, nasaliert: (s)krengh-:
umbr. cringatro, krenkatrum, krikatru ‘cinctum’; urgem. *hrengaz in finn. rengas, aisl. hringr, ags. as. ahd. hring ‘Ring’, aisl. hringja ‘kleines rundes Gefäß’ und ‘Spange’ = ahd. rinka, ags. hringe ‘Spange’, ahd. as. hringon ‘ringeln, einen Kreis bilden’; dazu wohl als ‘Rundstab’, got. hrugga ‘Stab’, ags. hrung f. ‘Leitersprosse, Speiche’, engl. rung ‘Leitersprosse’, mnd. mhd. runge ‘Wagenrunge’; aksl. krǫgъ ‘Kreis’, ksl. kruglъ, okruglъ ‘rund’ usw.;
β) Dentalerweiterung kert- ‘drehen’, s. oben S. 584 f.
γ) Labialerweiterungen (s)kereb(h)-, (s)kremb- ‘drehen’ s. unter bes. Schlagwort.
B. i-Basis (s)krei-:
Lat. scrinium ‘rollenförmige Kapsel, Schrein’ (*runder Behälter);
lit. skriejù (für *skrejù), skriẽti ‘im Kreise bewegen, im Bogen fliegen’, lett. skrìenu (skreju), skrìet ‘laufen, fliegen’, alit. skrelis ‘Fittich’, aksl. krilo (*krī-dlo-) n. ‘Flügel’; lit. kreĩvas ‘gewunden, schief’, ostlit. kraĩvas ‘schief’, apý-kraivis ‘gekrümmt’, ablaut. krìvis ‘schief gewachsener Mensch’; apr. grēiwa-kaulin Akk. ‘Rippe’ (‘krummer Knochen’; dissim. aus krēiwa-kaulin), russ. (usw.) kriv ‘krumm’, aksl. razkriviti ‘krümmen’; lett. krails ‘gebogen, gekrümmt’; lett. kreĩlis ‘Linkhand’, ḱeĩris (dissim. aus *kreiris) ds., lit. kairỹs ds. (dissim. aus *krairỹs); aksl. krinica ‘Gefäß, Krug’, okrinъ ‘Napf’, russ. kriníca ‘Kufe, Brunnen, Quelle’;
α) Mit Dentalen:
(s)krei-t-: lat. crīsō, -āre ‘mit den Schenkeln wackeln (beim Beischlaf; von der Frau)’, *creitsō oder *crītsō; mir. crith ‘Zittern, Fieber’, cymr. cryd ‘Wiege, Fieber’, mit s-: ysgryd, bret. skrija ‘vor Furcht zittern’; aisl. hrīð f. ‘Anfall, Sturm; Zwischenzeit, Zeitabschnitt’, ags. hrīþ f. ‘Sturm’, ahd. (h)rīdōn ‘zittern’, ablaut. (h)rit(t)o ‘Fieber’, ags. hrið ‘Fieber’, aisl. hreiðr n. ‘Nest’ (‘*Flechtwerk’); aus dem Begriff der bogenförmigen Bewegung ist verständlich aisl. skrīða ‘sich langsam vorwärts bewegen, kriechen’ (von Würmern), ags. scrīþan, as. scrīthan und skrīdan, ahd. scrītanschreiten’, ahd. scrit ‘Schritt’, aisl. skriðr ‘Lauf, Vorwärtsschreiten’, ags. scriþe, scride m. ‘Lauf’, skrid n. ‘Wagen’; lett. kraitât ‘taumeln’; lit. skriečiù, skriẽsti ‘drehen, im Kreis herumdrehen’, skrýtis ‘Radfelge’, apr. scritayle ds., lit. apskritùs ‘rund’, skritulỹs ‘Kreis, Kniescheibe’, lett. skritulis ‘Rad’, lit. skritinỹs ‘Kugel, Globus’.
(s)kreid-:
Lit. skrindù, skrìsti ‘fliegen, kreisen’, skridinė́ti ‘kreisen (von Vögeln)’, skrýdauti ‘im Kreise gehn’, skriedžiù, skriẽsti ‘fliegen’, skraidaũ, -ýti ‘hin und her im Bogen fliegen’, skraidùs ‘schnell’; lett. skraidelêt ‘umherlaufen’, skrìedinât ‘antreiben’.
β) Mit Labialen: (s)kreip-:
Aisl. hreife m. ‘Handwurzel’, hreifa ‘schwingen’; lit. kreipiù, kreipti ‘drehen, wenden’, kraipaũ, -ýti, Iter. krypstù, krỹpti ‘sich drehen’; aksl. skrěnja ‘εὐτραπελία, scurrilitas’ (*skroipni̯ā); slav. *krě(p)sъ (*kroip-so-) in aksl. vъz-krěšǫ, -iti ‘auferstehen lassen (von den Toten)’, ksl. krěsъ m. ‘τροπή, temporum mutatio’, serb. krȉjes ‘Johannisfeuer’; ablaut. aksl. vъs-krьsnǫti ‘auferstehen’.
(s)kreib-: aisl. hrip n. ‘hölzernes Gefäß’, mengl. rip ‘Fischkorb’, ahd. href ‘Tragkorb’(ursprüngl. ‘Geflochtenes’); lett. kribas Pl. ‘Geflecht im Schlitten’.
s-Erweiterung (s)krei-s-, bes. von ‘vibrierender Bewegung, (sich) schütteln’.
Mir. cressaim ‘schüttle, schwinge’ (*kristō);
got. af-, us-hrisjan ‘ab-, ausschütteln’, ags. as. hrissan ‘sich schütteln, zittern’; aisl. hrīs n. ‘Gesträuch, Rute’, ags. hrīs n. ‘Zweig, Rute’, ahd. hrīs ‘Reis, Rute, Reisig, Gebüsch’; norw. risla ‘Busch, Zweig, Wipfel eines Baumes; Ähre’, schwed. ressna ‘(Hopfen)ranke’, ressn ‘Docke gehechelten Flachses’ usw.; lat. crīnis ‘Haar, bes. Haupthaar’ (*crisnis, vgl.:) cris-ta ‘der Kamm am Kopfe der Tiere’, aisl. hrista ‘schütteln’, mnd. risten ‘flechten’; ahd. rīsta, nhd. Reiste ‘zusammengedrehter Büschel, Bündel überhaupt’; mit : nd. riste, risse ds., ndl. riste (und rijste) auch ‘Traubenkamm, Rispe, Reihe’; apr. craysi ‘Halm’, crays ‘Heu’;
hierher als p-Ableitung auch: lat. crispus ‘kraus, sich kräuselnd, vibrierend’, crispō, -āre ‘kräuseln, schwingen’, intr. ‘zittern’, gall. PN. Crixos, cymr. crych ‘kraus’, bret. crech ds.; mhd. rispen ‘kräuseln’, rispeln ds., rispe ‘Gezweig, Gesträuch’, ahd. hrispahi ‘virgultum’, nhd. Rispe ‘Reisig, Buschwerk, Bündel, büschliger Blütenstand’, in der Weberei ‘eine gewisse Lage der Fäden’, engl. dial. risp ‘Stengel von Schlingflanzen, Ranken’.
C. u-Basis (s)kreu-:
Vgl. oben S. 935 zu gr. κορωνός; acymr. crunn, mcymr. crwnn, fem. cronn, abret. cron ‘rund’, mir. cruind ‘rund’, zur Grundf. *krundi, vgl. gr. κοκρυν-δακοί· κυλλοί;
sloven. krúliti ‘verstümmeln, rings behacken’, serb. krùljav ‘lahm, verkrüppelt’, poln. królić (für krulić) ‘runzeln’;
vgl. auch ai. karū́-kara- m. ‘Wirbel des Halses und Rückgrates’;
k-Erw. (s)kreu-k-: ai. kruñcati (Dhātup.) ‘krümmt sich’; lat. crux ‘Marterholz’ (ursprüngl. ‘runder Pfahl’); ir. crūach f. ‘Haufe, Schober, Hügel’, gall. *krouka ‘Gipfel’, woraus *krōkka, krūk(k)a ds. (v. Wartburg FEW. 2, 1367), cymr. crug m. ‘cippus, tumulus’, corn. abret. cruc ‘Hügel’, nbret. crug, abrit.-lat. Penno-crucium ON.; aisl. hryggr ‘Rückgrat’, ags. hrycg, as. hruggi, ahd. (h)rukki ‘Rücken’; aisl. hrūga f. ‘Haufe’, hraukr ‘Haufe’, ags. hrēac ‘Kornhaufe’, ndl. rook ds., ablautend ags. cornhrycce f. ‘Korndieme’, engl. rick ds.; lit. kriáuklė ‘Meerschnecke’, kriáuklas ‘Rippe’; lett. kruknêt ‘gekrümmt sitzen’;
Eine t-Erw. scheint krū̆t- ‘Körperwölbung’ oben S. 624.

WP. II 568 ff., WH. I 220 f., 233 f., 279 f., 317 f., 293, 296 f., Trautmann 140 f., 267 f., Loth RC. 43, 416 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal