Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schouw - (schoorsteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schouw 1 zn. ‘stookplaats, schoorsteenmantel’; (BN) ‘rookkanaal’
Mnl. scouwe ‘stookplaats’ [1486; Haslinghuis&Janse 2001], dan neempt een goede hantvol roets uter schouwe oft wt een oven ‘neem dan een flinke handvol roet van de stookplaats of uit een oven’ [1551; MNW].
Er zijn twee verklaringen en tegen allebei bestaan bezwaren. De eerste is afleiding van het mnl. schouwen ‘met heet water wassen; koken’, variant van schouden ‘id.’, zoals in wie die saye scoud ‘wie de saai heet wast’ [1277; VMNW] en vleesch stucken ... Dien hi scoude in den sope ‘stukken vlees ... die hij kookte in het vleesnat’ [1291-1300; VMNW]. Het werkwoord is ontleend aan Oudfrans eschauder ‘met heet water wassen, verwarmen’ [eind 12e eeuw; Rey], eerder eschalder ‘id.’ [eind 11e eeuw; Rey] (Nieuwfrans échauder), dat teruggaat op Laatlatijn excaldare ‘verwarmen’, gevormd uit het voorvoegsel → ex-, dat hier intensiverend is, en caldare ‘verwarmen’, een afleiding van het bn. klassiek Latijn calidus, caldus ‘warm’. Het komt echter nooit voor dat een nnl.-afleiding van de stam van een werkwoord gebruikt wordt om de ‘plaats van de handeling van dat werkwoord’ aan te geven.
Een andere mogelijkheid (Tavernier 1962, De Tollenaere 1969) is ontlening aan vulgair Latijn *excava ‘met metselwerk beklede holle ruimte’, een nevenvorm van Laatlatijn cava ‘holle ruimte’ < klassiek Latijn cav(e)a ‘holte’, een afleiding van het bn. cavus ‘hol’. Tavernier vergelijkt het met mnl. cave ‘schouw’ [1465-69; MNW] (nog Vlaams kave ‘id.’), dat via Frans cave op hetzelfde Latijnse woord teruggaat. Hoewel ontlening van *excava als schouw fonetisch mogelijk is, ontbreekt het in de Noord-Franse of andere Romaanse dialecten aan een dergelijk woord met deze betekenis. Meyer-Lübke registreert alleen Italiaans scavo ‘uitholling’ en Provençaals escava ‘vogel- of visnet’. Toch lijkt deze herkomst het meest waarschijnlijk, mede omdat het past binnen het grote aantal ontleningen aan het Latijn op het gebied van de huizenbouw.
Het werkwoord schouden, schouwen was vooral Zuid-Nederlands (WNT), maar het zn. schouw verspreidde zich ook over het noorden. Het is echter nog steeds algemener in het BN dan in het NN.
Oorspr. werd de stookplaats aangeduid met het woord → haard of → schoorsteen. Dat laatste woord betekent nu in het Nederlands vooral ‘afvoerkanaal voor rook’, een betekenis die het woord schouw met name in het BN nog steeds vaak heeft. In de 17e eeuw zou de hoge schouw met pilaren en bekleding van ijzer of tegels in zwang raken, in de 18e eeuw gevolgd door de zogenaamde Engelse schoorsteen, die veel minder ver naar voren uitstak. Sindsdien wordt meestal de benaming open haard gebruikt. De omlijsting van de haard wordt in het Nederlands meestal schoorsteenmantel genoemd, zie → schoorsteen.
Lit.: C. Tavernier (1962), “Schouw ‘schoorsteen’. Etymologie”, in: Taal en Tongval 14, 75-76; F. de Tollenaere (1969) ‘Het Nederlands etymologisch woordenboek’, in: TNTL 85, 241-242

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schouw3 [schoorsteen] {schouwe 1546} < laat-latijn cavea, nevenvorm van nederlands kaaf [schoorsteen] < latijn cava [holte met metselwerk bekleed].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schouw 1 znw. v. ‘schoorsteen’, sedert de 16de eeuw bekend; ouder is de bij Kiliaen genoemde vorm schoude bij het ww. mnl. scouden, scouwen ‘met kokend water wassen of begieten, schroeien, branden’ < ofra. escauder (nfra. échauder) < lat. excaldare afl. van calidus ‘warm’ (vgl. ne. scald ‘met heet water branden, zengen, koken’).

schouw 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 241 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schouw I (schoorsteen), sedert de 16. eeuw. Uit schoude, welken vorm Kil. opgeeft. Van mnl. scouden (scouwen) “met kokend water wasschen of begieten, zengen, schroeien, branden” (nog dial.). Dit uit ofr. escauder (fr. échauder; > lat. *ex-cal(i)dâre van calidus “warm”). Evenzoo eng. to scald “met heet water branden, zengen, koken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schouw 1 v. (schoorsteen), Mnl. scouwe = schouwplaats, kijktoren, toren, schoorsteenpijp: verbaalabstr. van schouwen. Wvl. schouw, Kil. schauwe, schaude laten niet toe het w. bij schouden te brengen. Mnl. en Kil. schoude, Kil. schaude zijn kunstmatige schrijftaalvormen met onuitgesproken epent. d gelijk partijdig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjouw (zn.) schoorsteen; Middelnederlands scouwe <1486>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schouw gemetselde rookvang, schoorsteen (diverse dialecten). (via Frans ?) « lat. *excava ‘uitholling’ (vgl. it. scavo ‘uitholling’, provenç. escava ‘vogel- of visnet’).
TT XIV 75-76, Bernaerts 103.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skou II [+]: (boekw.) skoorsteenmantel; Ndl. (sedert 17e eeu) schouw, wsk. ontw. uit wd. behandel onder skou I (d. skoorsteenmantel het o.a. ook gedien as “vertoonplek” v. allerlei voorwerpe).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schouw (Latijn excava)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schouw (schoorsteen) van ’t Mnl. scouden = branden, schroeien, vgl. ’t Fr. chaud = warm, van ’t Lat. calidus = warm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schouw ‘schoorsteen’ -> Duits Schaude ‘schoorsteen, (scheldwoord) lomperd, boer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schouw schoorsteen 1546 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal