Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schop - (loods)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schop4* [loods] {schop(pe) [tentje, kraampje, winkeltje, schuurtje] 1343-1345} oudhoogduits scopf [afdak] (hoogduits Schuppen), oudengels scoppa [afdak voor vee] (engels shop); wel te verbinden met schoofschob.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schob 2 v. (kraam), Mnl. scop(pe) + Ohd. scopf (Mhd. schopf, Nhd. schuppen), Ags. sceoppa (Eng. shop). Uit Germ. komt Fr. échoppe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schop 1, schoep, sjop, zn.: loods, schuurtje; wagenhuis. Mnl. schop(pe) ‘tentje, schuurtje’, Vnnl. schop ‘bedekking’ (Kiliaan). Ohd. scoph, scof ‘afdak, veldschuur’, Mhd. schopf(e) ‘schuur’, Vroegnhd. Schopf, Ndd. Schupp ‘afdak’, D. Schuppen ‘loods’. Oe. sc(e)oppa ‘afdak’, E. shop. Zoals schob en schoof gaat het woord terug op Idg. *(s)keup-, *(s)keub(h) ‘bundel’. Een schop of Schuppen zal oorspr. een met strobundels bedekt afdak zijn geweest. Samenst. kerresjop ‘wagenhuis’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schop 1, zn.: loods, schuurtje. Mnl. schop(pe) ‘tentje, schuurtje’, Vnnl. schop ‘bedekking’ (Kiliaan). 1776 schop ‘wagenschuurtje’, Meierij (Heeroma). Ohd. scoph, scof ‘afdak, veldschuur’, Mhd. schopf(e) ‘schuur’, Vroegnhd. Schopf, Ndd. Schupp ‘afdak’, D. Schuppen ‘loods’. Oe. sc(e)oppa ‘afdak’, E. shop. Zoals schob en schoof gaat het woord terug op Idg. *(s)keup-, *(s)keub(h) ‘bundel’. Een schop of Schuppen zal oorspr. een met strobundels bedekt afdak zijn geweest.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schop II schuurtje (diverse dialecten). = eng. shop ‘winkel’ ~ nhgd. schuppen ‘schuur’. ~ hgd. schober ‘hoop’. ~ nl. schoof.
Weijnen 1937, par. 228, WBD 142-144.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schop ‘(gewestelijk) loods, schuur’ -> Engels shop ‘winkel; werkplaats; kantoor, zaak’ <via Frans>; Frans échoppe ‘kraampje (verouderd); klein huis met alleen begane grond (Bordeaux)’; Baskisch xopa ‘schippershut bij de achtersteven, waarin de levensmiddelenvoorraden bewaard worden’ <via Frans>.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keup-, skeub(h)- ‘Büschel, Schopf, Quaste’; nur germ. und slav.

Aisl. skauf ‘Büschel, Quaste’, ags. scēaf, ahd. scoub ‘Bündel, Strohbund, Garbe’, nhd. dial. Schaub ‘Bündel, Strohbund, Strohwisch’, aisl. skūfr ‘Troddel, Quaste, Büschel’; ahd. scubil ‘Büschel von Haaren oder Stroh oder dgl., Haufen, Menge’;
ags. scyfel(e) f. ‘Frauenhaube’ (mit p: aisl. skypill, skupla ds.);
ahd. scobar ‘Schober, Haufe, bes. von Getreide oder Heu’, mhd. schober hār ‘Büschel, Haare’;
got. skufta (Dat. Sg.) ‘Haupthaar’, aisl. skopt ds.; mhd. schopf m. ‘Schopf’, schopfen und (nd.) schoppen ‘stopfen (ursprüngl. mit Büscheln von Heu, Haar usw.), geschwollen sein’; mit ebensolchem germ. pp: norw. hupp ‘Quaste’, ahd. hopfo ‘Hopfen’;
vielleicht als ‘mit Strohbündeln gedecktes Dach’ hierher nd. schupp ‘Wetterdach’ (nhd. Schuppen), ahd. scopf m. ‘Gebäude ohne Vorderwand, Scheune’, nhd. bair. schweiz. schopf m. ds., ags. scypen f. ‘Stall’, engl. shippen, ags. scoppa m. ‘Schuppen, Bude’ (engl. shop ‘Kramladen’);
serb. čȕpa ‘Büschel Haare’, russ. čupъ, čubъ, čech. čup, čub ‘Schopf’;
vielleicht slav. *kyta (*kūp-tā) in russ. kíta ‘Stengel und Blätter langstieliger Pflanzen’, kítka ‘Kätzchen an Bäumen’ usw., und russ. kistь (*kūp-sti-) ‘Quaste, Pinsel, Traube, Hand’, bulg. kíska (aus kystъka) ‘Strauß’, skr. kȍščica ‘Art Pinsel’, alt auch kist, poln. kiść ‘Quaste, Besen, Busch, Büschel’.

WP. II 555 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal