Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoorsteen - (rookkanaal, schoorsteenmantel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoorsteen zn. ‘rookkanaal, schoorsteenmantel’
Mnl. schorsten ‘stookplaats, schouw’ [1240; Bern.], Den scoorsten ende tfinster uit te breken ‘de schoorsteen en het venster uit te breken’ [1317; MNW]; vnnl. schoorsteen ‘stenen afvoerkanaal voor rook’ in die gelijk een Schoorsteen dampten ‘die rookten als een schoorsteen’ [1648; iWNT]; nnl. schoorsteen ‘schoorsteenmantel’ in De roze marmeren schoorsteen was bekroond met een Venetiaansch spiegeltje [1889; iWNT].
Gevormd uit de stam van het ww. schoren ‘ondersteunen’ en het zn.steen.
Bij schoren: nfri. skoarje; ne. shore; on. skorða (nno. skorde); alle ‘ondersteunen, stutten’ en afgeleid van de zn.: mnl. sc(h)ore ‘stut, schraag, een tot steun aangebrachte paal’; nfri. skoarre ‘id.’; on. skorða ‘id.’ (nno. skorde ‘id.’). Verdere herkomst onzeker; misschien moet men uitgaan van de vorm van een gespleten tak of balk en horen deze woorden bij dezelfde wortel als → scheren 1 ‘knippen, snijden’.
In het Middelnederlands duidde het woord de stookplaats aan met de stenen of houten rookvang er direct boven. De rookvang, die enigszins de kamer in stak, werd geschoord ‘ondersteund’ door uitkragende stenen.
Vanaf de 17e eeuw verschuift de betekenis naar het afvoerkanaal en dan met name naar het boven het dak uitstekende gedeelte. Zie ook → schouw 1. Een vergelijkbare betekenisontwikkeling van ‘stookplaats’ naar ‘rookkanaal’ kennen de woorden Duits Kamin, Engels chimney, Frans cheminée en Italiaans caminata.
schoorsteenmantel zn. ‘haardomlijsting’. Nnl. schoorsteenmantel ‘horizontaal blad boven de haard’ in Een boek van losse Aanteekeningen ... dat by hem op den Schoorsteenmantel lag [1756; iWNT], ‘haardomlijsting, schouw’ in De marmeren schoorsteenmantel ... rust op vier witte marmeren kolommen [1765; iWNT]. Gevormd uit schoorsteen en → mantel. In het Nederlands is schoorsteenmantel ‘haardomlijsting’ een veelgebruikt synoniem geworden van het oudere → schouw 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoorsteen* [rookkanaal] {schoorsteen, schorensteen [het van stenen gemetselde gewelf van de haard, dat de bovenbouw, namelijk het gemetselde rookkanaal, schraagt] 1201-1250} eigenlijk ‘steen die schoort’, van schoren [steunen] + steen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoorsteen znw. m., mnl. scorsteen, scoorsteen (geld. scōrensteen) m. ‘schoorsteen, vuurplaats, haardstede’, mnd. schorsten (> on. skorsteinn), mhd. schorstein, schornstein (nhd. schornstein). De oorspr. bet. was die van ‘stenen steunstuk, waarop de bovenbouw van de schoorsteen rust’, dus samenstelling van schoor en steen.

De vorm schorensteen, schornsteen vertoont een ingelaste n, die niet geheel duidelijk is. Vgl. bij Coornhert naast elkaar ter schoor en ter schoren stellen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoorsteen znw., mnl. scorsteen, scoorsteen, (geld.) scōrensteen m. “schoorsteen, vuurplaats, haardstede” (nnl. dial. de vormen schor-, schoor-, schornsteen), mhd. schorstein, schornstein (nhd. schornstein), mnd. schorstên m. “id.”. Uit het Mnd. on. skorsteinn m. “schoorsteen”. Wsch. bij schoren (zie schoor) met de oorspr. bet. “steun-steen, steenen gewelf waarop de bovenbouw van den schoorsteen rust”. De vorm mnl. scōrensteen enz. is opvallend; misschien is hij secundair uit scōresteen ontstaan. Minder wsch. is ’t, dat omgekeerd deze vorm (waaruit scoorsteen ontstond) een n vóór de s verloren heeft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoorsteen m., Mnl. scoorsteen + Mhd. schornstein (Nhd. id.) = steen die den rookvang schoort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skoorsteen s.nw.
Pyp of gemesselde skag bo 'n vuurherd, oond of stoof om rook buitenshuis te voer.
Uit Ndl. schoorsteen (al Mnl.), 'n samestelling van schoren 'met 'n stut steun of ondersteun' en steen 'steen', met schoren van die s.nw. schoor 'stut, steun', dus eintlik 'stene wat die rookkanaal steun of ondersteun'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Schornstein.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skoorsteen: – koorsteen (volkset.?) – , rookvervoerkanaal; Ndl. schoorsteen (Mnl. sco(o)rsteen, dial. Ndl. scōrensteen), Hd. schornstein, hou verb. m. Ndl. ww. schoren, “skraag, steun, stut”, + steen, eint. “kaggelboog wat stene v. rookkanaal dra/steun”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Schoorsteen, eig. een steen, die schoort, steun geeft; de benaming zal waarschijnlijk eerst voor een gedeelte (nml. dat in de kamer is) van wat wij nu daaronder verstaan, gebruikt zijn, en wel het waarschnlijkst nog speciaal van de zijwanden, die den rookvanger in de hoogte schoorden; een metselaar of timmerman spreekt, van een derg. ondersteunen van een hangend bouwdeel, juist van schoren. Steen is dan collectief (vgl. De Steen voor: een steenen gebouw).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoorsteen = stooksteen: oorspr. de steen waarop gestookt werd (de oude stookplaats der Indo-Germ.). Het woord schoren als stoken is verwant met ’t Hgd. schuren = opstoken, van ’t Ohd. skor = vuur; vgl. bijv. ’t Zweedsche Paske-skor = paaschvuur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoorsteen ‘rookkanaal’ -> Deens skorsten ‘rookkanaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skorstein ‘rookkanaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skorsten ‘rookkanaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests korsten ‘rookkanaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Lets skurstenis ‘rookkanaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis skorstén ‘lampenglas’; Papiaments skorsten (ouder: skoorstein) ‘rookkanaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoorsteen* rookkanaal 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2016. Daar moet de schoorsteen van rooken,

d.w.z. daar moeten we van leven, bestaan; dat verschaft ons voedsel, levensonderhoud. Vgl. Winschooten, 352: Mooi weer en geen haring: hetwelk oneigendlijk beteekend, alle ding is meutje, maar de schouw rookt'er niet van; Kluchtspel III, 201: Die (Amsterdamsche jongelui) studeeren nu maar, hoe ment geld zal verteeren..... daar rookt de schoorsteen niet van; V.d. Venne, 52: Schoorsteenen kosten veel om roockend' te houden; Tuinman I, 106: Daar van rookt de schoorsteen niet, dat is, daar van komt niets in den pot, die door 't ondergestookte vuur den schoorsteen doet rooken; Harreb. II, 257: Daar moet de schoorsteen van rooken. Daar de schoorsteen rookt, is het best vrijen; bl. 258: Van liefde rookt de schoorsteen niet; Kunstl. 134: Daar kin de schoorsteen nie van trekke; G.W. Lovendaal, Lentedagen, de Mulder:

De wind, de wind
Is mulders vrind:
 Zijn molen moet er van draaien.
 Hij zingt altijd, de witte man:
 ‘Daar rookt er bij ons de schoorsteen van’.

Molema, 371: Hier stoan en nijt verkoopen, doar ken mien schöstijn nijt van rooken, zeggen de vrouwen als zij den tijd verpraat hebben en heen willen gaan; Antw. Idiot. 1091: de schouwpijp zal daar niet blijven rooken, ze zullen er gauw door, ten ondere zijn; De Bo, 474: met hier te staan en niet te verkoopen, ons kavetje kan niet rooken, die wil geld winnen, mag niet ledig zijn; Afrik. daar sal die skoorsteen nie van rook nie; nd. darvan will de Schornstên nich rôken, das wird schlechten Vorteil bringen (Wander IV, 328). Vgl. hiermede Servilius, 15: ten brengt niet in die cuecken; Erasmus, CLXXXVI en het lat. domus fumabat, er werd braaf gegeten en gedronken (Cicero).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal