Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoof - (bundel halmen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoof zn. ‘bundel halmen’
Mnl. scoef ‘schoof’ [1240; Bern.], Dat si te samene scoue bonden ‘dat zij samen schoven bonden’ [1285; VMNW].
Os. scōf; ohd. scoub (nhd. Schaub); nfri. skeaf; oe. scēaf (ne. sheaf); alle ‘bos, bundel, schoof e.d.’; on. skauf ‘vossenstaart’, en mogelijk nde. skæv ‘bundel darmen van een geslacht dier’; < pgm. *skauba-. Herkomst onduidelijk. Er bestaan diverse stammen met vergelijkbare vorm en betekenis, waarvan met name de labiaal varieert en waarvan meestal wordt aangenomen dat zij verwant zijn. Pgm. *skup(p)a-, *skup-ta-, *skuf-ta- ‘hoofdhaar, haardos’, waaruit: mhd. schopf (nhd. Schopf); on. skopt; got. skuft (datief), alle ‘hoofdhaar, haardos’. Pgm. *skuppan- ‘dakbedekking uit strobundels?’, waaruit o.a. mnl. schoppe ‘open bergplaats, afdak, kraampje e.d.’ en zie → shop. Pgm. *skub-ra-, waaruit: ohd. scobar, scober ‘hoop, stapel (van schoven, stro, hooi e.d.)’ (nhd. Schober ‘hooiberg’).
Misschien verwant met: Proto-Slavisch *čubŭ (Russisch čub, Servisch/Kroatisch čupa, alle ‘haardos, -kuif, -lok e.d.’); < pie. *skeup-, *skoup- en/of *skeubh-, *skoubh- (IEW 956), zie ook → schuiven. Ook op Indo-Europees niveau is er onduidelijkheid over de eindmedeklinker van de wortel. Pgm. *skuppa- kan verklaard worden uit een genitiefvorm pie. *skubh-nós.
In de betekenis ‘bundel halmen’ is schoof oorspr. alleen West-Nederlands, tegenover oostelijk → garf. In de oostelijke en de meeste Duitse dialecten betekent het woord ‘bundel stro’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoof* [bundel halmen] {schove, schoof 1201-1250} oudsaksisch scōf, oudhoogduits scoub, oudengels sceaf, oudnoors skauf [staart] en ablautend skúfr [bos, kwast], naast ook oudhoogduits scuft, oudnoors skopt, gotisch skuft [hoofdhaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoof znw. v., mnl. scoof m., os. scōf m. ‘schoof’, ohd. scoub m. ‘bundel, strobos, strowis’, oe. skeaf m. ‘bos, schoof (ne. sheaf), on. skauf o. ‘vossestaart’. — Daarnaast abl. on. skūfr ‘hoofddoek’, eig. ‘kwast, bos’, ohd. scubil ‘haarlok’, oe. scyfel ‘muts’. — > ne. sheaf, vgl. oudere vormen schof, schoof (sedert ± 1440, vgl. Bense 366).

Men mag wel uitgaan van een woord voor ‘takkenbos’ en dan nog vergelijken ohd. scuft (mhd. schopf), on. skopt o., got. skuft ‘haarlok, hoofdhaar’, dat men verder verbindt met serv. čùpa ‘pluk haren’, russ. čup ‘kuif, haarbosje’ (idg. wt. *(s)keup, IEW 956). — De verdeling van de woorden schoof en garf is aangegeven op de kaart van J. Daan, Taalatlas afl. 7, 6.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoof znw., mnl. scoof m. = ohd. scoub m. “bundel, stroobos, stroowisch”, os. scôf m. “schoof”, ags. scêaf m. “bos, schoof” (eng. sheaf), on. skauf o. “harige staart”. Met ablaut on. skûfr m. “bos, kwast”, ohd. scubil m. “bos”. Eenerzijds laat zich deze woordfamilie moeilijk scheiden van got. skuft, on. skopt o. “hoofdhaar”, ohd. scuft “id.”, mhd. (nhd.) schopf m. “kuif”, russ. čup (naast čub) “id.”, serv. čȕpa “bos haren”, anderzijds moeten wij ohd. scobar m. “tas graan of hooi” (nhd. schober) voor verwant houden: vgl. mhd. schober hâr “bos haren”. Mogen wij voor obg. kupŭ, lit. kaũpas “hoop” (zie hoop I) een dgl. bet.-ontwikkeling als voor hd. schober aannemen, dan zou ook dit verwant kunnen zijn. Semantisch is noch verwantschap met schuiven noch met den bij heuvel besproken wortel qū̆p- wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoof. Wellicht hierbij lett. skupele ‘Flachsknocke’ (Endzelin KZ. 52, 121).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoof v. (garf), Mnl. scove, Os. skôf + Ohd. scoub (Mhd. schoup, Nhd. schaub), Ags. scéaf (Eng. sheaf), On. skauf; verder Ohd. scobar = hoop graan (Mhd. schober = bos haren), alsook Ohd. scuft, On. skopt, Go. skuft = hoofdhaar, en zonder anlauts-s hoop 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schob, sjop, sjob(be), sjouf, zn.: schoof, bos stro. Brabants schob ‘schoof uitgedorsen graan, strobundel’. Vgl. D. Schober ‘hooischuur, hooiberg, opper’ bij Ohd. scoub ‘schoof, bundel’, Mhd. schoup ‘strobundel’, Os. skôf, Mnd. schôf, Mnl. scoof, Ndl. schoof. Ablautend bij Ohd. scubil ‘haarlok’. Idg. *(s)keup-, (s)keub(h)- ‘bundel’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schob, schop, zn.: schoof uitgedorsen graan, strobundel. Vgl. D. Schober ‘hooischuur, hooiberg, opper’ bij Ohd. scoub ‘schoof, bundel’, Mhd. schoup ‘strobundel’, Os. skôf, Mnd. schôf, Mnl. scoof, Ndl. schoof. Ablautend bij Ohd. scubil ‘haarlok’. Idg. *(s)keup-, (s)keub(h)- ‘bundel’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schob, sjobbe, skaob schoof (Gelderland, Limburg, Brabant). Ablautend ~ schoof en schuiven. Betekenismotief: ‘het bijeengeschovene’.
Goossens 1963, I 121-125, Roukens 286-292, krt. 54, De Bo 1225, Cornelissen/Vervliet 1088, Naaijkens 118, Vos/Van der Wijst 142.

schop III, sjop korenschoof, bos stro (Limburg, Brabant). ~ schoof.
TT IV 164-170, TNZN VII 8.

sjob korenschoof (Midden-Limburg). ~ schoof (= eng. sheaf = os. scôf ‘id.’ = ono. skauf ‘staart’). ~ ono. skûfr ‘bos’. ~ got. skufta (3e nv.). ‘hoofdhaar’, ohgd. scubil ‘haarlok’, vgl. ook russ. tsjup ‘kuif, serv. čūpa ‘bos haar’.
TNZN VII 6, IEW 956, Vasmer III 356.

sjoof (op der -) opgebaard (Limburg). Herinnert aan een oud volksgebruik dat de dode op gedorst koren werd gelegd.
Amkreutz e.a. 253, Goossens 1963 I, 189-193.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoof (garf), van schuiven: wat te zamen geschoven wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoof ‘bundel halmen; (verouderd) duigen’ -> Schots scow ‘(meestal mv.) de duigen van een ton, dunne planken; splinters, versplinterde stukken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoof* bundel halmen 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keup-, skeub(h)- ‘Büschel, Schopf, Quaste’; nur germ. und slav.

Aisl. skauf ‘Büschel, Quaste’, ags. scēaf, ahd. scoub ‘Bündel, Strohbund, Garbe’, nhd. dial. Schaub ‘Bündel, Strohbund, Strohwisch’, aisl. skūfr ‘Troddel, Quaste, Büschel’; ahd. scubil ‘Büschel von Haaren oder Stroh oder dgl., Haufen, Menge’;
ags. scyfel(e) f. ‘Frauenhaube’ (mit p: aisl. skypill, skupla ds.);
ahd. scobar ‘Schober, Haufe, bes. von Getreide oder Heu’, mhd. schober hār ‘Büschel, Haare’;
got. skufta (Dat. Sg.) ‘Haupthaar’, aisl. skopt ds.; mhd. schopf m. ‘Schopf’, schopfen und (nd.) schoppen ‘stopfen (ursprüngl. mit Büscheln von Heu, Haar usw.), geschwollen sein’; mit ebensolchem germ. pp: norw. hupp ‘Quaste’, ahd. hopfo ‘Hopfen’;
vielleicht als ‘mit Strohbündeln gedecktes Dach’ hierher nd. schupp ‘Wetterdach’ (nhd. Schuppen), ahd. scopf m. ‘Gebäude ohne Vorderwand, Scheune’, nhd. bair. schweiz. schopf m. ds., ags. scypen f. ‘Stall’, engl. shippen, ags. scoppa m. ‘Schuppen, Bude’ (engl. shop ‘Kramladen’);
serb. čȕpa ‘Büschel Haare’, russ. čupъ, čubъ, čech. čup, čub ‘Schopf’;
vielleicht slav. *kyta (*kūp-tā) in russ. kíta ‘Stengel und Blätter langstieliger Pflanzen’, kítka ‘Kätzchen an Bäumen’ usw., und russ. kistь (*kūp-sti-) ‘Quaste, Pinsel, Traube, Hand’, bulg. kíska (aus kystъka) ‘Strauß’, skr. kȍščica ‘Art Pinsel’, alt auch kist, poln. kiść ‘Quaste, Besen, Busch, Büschel’.

WP. II 555 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal