Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schol - (ondiep)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schol3* [ondiep] {1454-1473} middelnederduits, middelhoogduits schal [verschaald], oudengels sceald (engels shallow); buiten het germ. grieks skellein [uitdrogen], lets kalst [verdorren] (vgl. verschalen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schol 3 bnw. ‘ondiep; mager, schraal’, mnl. scol, ‘ondiep’, nnd. scholl ‘ondiep water’, me. schalowe ‘schaal, ondiep’ (ne. shallow), vgl. ook oe. sceald ‘ondiep’. — Zie verder: verschalen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

scha 1, sja, sjou, bn.: ondiep. Ook als bw. scha omdoen ‘ondiep ploegen’. Dial. uitspr. van *schouw < Germ. *skaldaz- in Oe. sceald, Me. schald, scholde ‘ondiep’, E. shoal ‘ondiep; ondiepte, zandbank’, in E. shallow ‘ondiep’. Het woord komt voor in Engelse plaatsnamen, bv. Shalbourne (Wiltshire) < 912 Scaldeburne ‘ondiepe bron’. Het is een van de verklaringen voor de riviernaam Schelde.

school, schol, bn.: ondiep. E. shoal ‘ondiep’, Me. schoold, schold, Oe. sc(e)ald, in plaatsnamen, bv. æt scealdeburnan ‘Shalbourne’, d.i. ‘ondiepe bron’. Germ. skaldaz. E. shallow ‘ondiep’ heeft een w uit een verbogen vorm. Zie ook scha 1.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

scha 3, bn.: ondiep. Dial. uitspr. van *schouw < Germ. *skaldaz- in Oe. sceald, Me. schald, scholde ‘ondiep’, E. shoal ‘ondiep; ondiepte, zandbank’, in E. shallow ‘ondiep’. Het woord komt voor in Engelse plaatsnamen, bv. Shalbourne (Wiltshire) < 912 Scaldeburne ‘ondiepe bron’. Het is een van de verklaringen voor de riviernaam Schelde.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schol I, school, sjou, sja ondiep (Noordoost-Nederland, Limburg). Vgl. eng. shallow, dat uit een verbogen nv. stamt.
Hulshof/Schaars 105, Sassen 46, Hadderingh/Veenstra. 242, Ter Laan 799, Bezoen 1, 938, 36, Tuerlinckx 542.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kel-3 ‘austrocknen, dörren’

Gr. σκέλλω ‘trockne aus, dörre’ (trans., Fut. σκελῶ, Aor. ἔσκηλα; intr. Aor. ἔσκλην, Perf. ἔσκληκα), σκελετός ‘ausgetrocknet’, m. ‘Skelett’, n. ‘Mumie’, σκληρός ‘trocken, hart, rauh, unbeugsam’, σκελιφρός ‘ausgetrocknet, abgemagert’, σκληφρός ‘klein und flink’, ἀ-σκελής 1. ‘ohneWiderstandskraft’ (ohne σκληρότης); 2. ‘unablässig, vom Zorn, vom Weinen’ (eig. ‘unversieglich’); περι-σκελής ‘sehr trocken, spröde, hartnäckig’, περι-σκέλεια f. ‘Hartnäckigkeit’;
schwed. skäll ‘mager, dünn, fade, säuerlich’, nd. schal ‘trocken, dürr’, mnd. mhd. schalschal von Geschmack; trüb, unklar’, schaln ‘trüb werden’, mengl. schalowe ‘schal, matt, seicht’, engl. shallow (auch wohl ags. sceald ‘seicht, nicht tief’, nd. scholl ‘seichtes Wasser’);
ohne anlaut. s-: aisl. hall-ǣri ‘Mißjahr’, ags. hall-heort ‘erschrocken’; mhd. hel (-ll-) ‘schwach’, hellec ‘müde’, nhd. hellig ‘matt, erschöpft von Durst’, mhd. hellegen ‘ermüden, behelligen’, nd. hal ‘trocken, mager’; dehnstufig (?) nd. hāl, ndl. haal ‘trocken’, mndl. hael ‘ausgetrocknet, dürr, schal’; dän. dial. hælm ‘still’, dän. helme ‘aufhören’ (‘*ermatten’, ursprüngl. vor Hitze oder Durst);
lett. kàlss ‘mager’, kàlstu, kàlst ‘vertrocknen, verdorren’, kàltêt ‘trocknen’.

WP. II 597.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal