Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoen - (voetbekleding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schoen zn. ‘voetbekleding’
Mnl. scoe, schoe ‘schoen’ [1240; Bern.], gulden scoenen an sijn voeten ‘gouden schoenen aan zijn voeten’ [1458; MNW-P], Met couscen ende schoens ‘met kousen en schoenen’ [ca. 1470; MNW]; vnnl. schoe oft schoen [1573; Thes.].
In onl. An Idumeam sal ic thenan gescue min ‘naar Edom zal ik mijn voetstappen richten’ [10e eeuw; W.Ps.] is sprake van een overdrachtelijk gebruik van een collectivum met ge-e (zie → ge-te) dat ‘schoeisel’ betekent.
Os. skōh (mnd. schō); ohd. scuoh (nhd. Schuh); ofri. skōch (nfri. skoech); oe. scōh (ne. shoe); on. skōr (nzw. sko); got. skōhs; alle ‘voetbekleding’, < pgm. *skōha-.
Verdere herkomst onzeker. Er zijn geen direct verwante woorden buiten het Germaans. Meestal verbindt men pgm. *skōh- < pie. *skōuH-ko- met de wortel pie. *(s)keu(H)- ‘bedekken, omhullen’ (IEW 951), zoals in → huid en → schuilen, maar in schoen is geen spoor van *-u. Bjorvand/Lindeman leiden het woord daarentegen met ablaut af van het sterke werkwoord pgm. *skehan- ‘zich snel bewegen’, waarvoor zie → schielijk en → geschieden. Voor het betekenisverband tussen een werkwoord van beweging en een woord voor ‘voetbekleding’ vergelijken zij Grieks émbasis ‘voet, hoef, schoen’ bij embaínein ‘stappen, betreden’, en Engels slipper, zie → slipper, bij slip ‘(o.a.) schuiven’.
De klankwettige nominatiefvorm van dit woord luidt mnl. *scoech, met net als in het Fries -ch in de auslaut uit Proto-Germaans *h. De gewone vorm is echter al vanaf het vroegste Middelnederlands sc(h)oe onder invloed van de verbogen naamvallen, waarin de intervocalische Germaanse *-h- in het Nederlands klankwettig verdwenen was. De meervoudsvorm luidde sc(h)oen. Omdat het meervoud zoveel frequenter was dan het enkelvoud en omdat de uitgang -n op den duur niet meer herkend werd als meervoudsuitgang, werd deze vorm geherinterpreteerd als enkelvoud, waarbij nieuwe meervoudsvormen sc(h)oens, sc(h)oene of sc(h)oenen ontstonden. Andere woorden waarbij dit gebeurde zijn → peen en → teen 1. Het oorspr. enkelvoud schoe komt nog altijd voor in de Vlaamse dialecten en het meervoud schoen is nog bewaard in de samenstelling schoenmaker: beroepsnamen op -maker hebben als eerste lid immers meestal een meervoud: laarzenmaker, mandenmaker, stratenmaker. Zie ook de afleiding → schoeien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoen* [voetbekleedsel] {schoe 1201-1250} de vorm schoen is eigenlijk het mv., met de betekenis ‘schede, foedraal, schoen’, oudsaksisch skōh, oudhoogduits scuoh, oudfries skōch, oudengels scōh, oudnoors skōr, gotisch skōhs; het woord stamt van een i.-e. stam met de betekenis ‘bedekken’ (vgl. obscuur). Met de uitdrukking iemand iets in de schoenen schuiven [iem. een bedoeling toedichten] zal bedoeld zijn een steentje in de schoen stoppen. De uitdrukking over de hoge schoenen lopen, gezegd van dingen die te bar zijn, is ofwel gebaseerd op een gevecht waarbij men door het bloedt waadt (Daer was sulke bloetstortinghe dat die van Gendt ghinghen tot halven schoene uitbloedt) ofwel van wateroverlast die zo hoog reikt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schoen

In het Nederlands bestaan zogenaamde stapelvormen, dat wil zeggen woorden, waarin het meervoud, de verkleining enz. tweemaal voorkomt, waarin dus de ene meervouds- of verkleiningsvorm op de andere is gestapeld. Het woord schoen is daarvan een voorbeeld. In het Middelnederlands luidde het scoe (uitgesproken: schoe) en het meervoud was dus: scoen. Dit meervoud leek echter zó op het enkelvoud van woorden als: zoen, harpoen, meloen enz. dat men het niet meer als meervoud herkende en er een tweede meervoudsuitgang achter plaatste. Zo ontstond de vorm: schoenen.

Tenen is eveneens een stapelvorm. Het enkelvoud luidde vroeger: tee (Duits: Zehe).

Twee verkleiningen op elkaar gestapeld vindt men in drup-druppel-druppeltje; stip-stippel-stippeltje enz. Eigenaardig is de stapelvorm: gegeten. Het werkwoord is eten-at-geten en de laatste vorm komt in het Middelnederlands veelvuldig voor. Later heeft men er nog eens ge- voorgeplaatst.

Om nu nog even op ‘schoen’ terug te komen: het woord betekent eigenlijk: beweegmiddel, hulp bij het lopen. Kan het karakteristieker?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoen znw. m., mnl. scoen, eig. mv. van scoe naast zelden scoech (nog gron.) ‘schoen; schede, foedraal’, os. skōh, ohd. scuoh (nhd. schuh), ofri. skō, oe. scōh, scō (ne. shoe), on. skōr, got. skōhs. — Indien men uit mag gaan van een idg. vorm *skōu-ko- dan kan men verbinden met de wt. *(s)keu ‘bedekken’, waartoe ook iers cuarān ‘schoen’ behoort (IEW 951); zie verder: schuilen. — Mogelijk was de schoen aanvankelijk een voetbedekking van gevlochten bast en werd hij eerst later van leer gemaakt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoen znw., reeds mnl. scoen naast scoe m. (zelden nog scoech, de klankwettige nomin.-vorm, die nu nog in ’t Gron. voorkomt. De nomin. schoe bestaat nog in veel diall. Schoen was vroeger de mv.-vorm; vgl. peen. = ohd. scuoh (nhd. schuh), os. skôh, ofri. skô, ags. scôh, scô (eng. shoe), on. skôr, got. skohs m. “schoen”. Wsch. een vrddhi-vorm bij de basis sqeq-, waarvan geschieden; eventueel kunnen wij er een directe afl. van een nomen *sqoqo- “beweegmiddel, voet” in zien. De afl. van *skóχa- uit *skôuχa-, dat dan van de basis squ- “bedekken” zou komen (zie bij schuilen), is minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schoen. Mnl. scoe ook = ‘schede, foedraal’, wat — evenals mogelijk handschoen — pleiten kan voor een oudste bet. ‘bedekking’ en dan de verbinding met de basis van schuilen aannemelijker maakt (vgl. Persson Beitr. 186). Intussen kunnen deze, evenals andere later overgeleverde technische bett. van schoen, ook zeer goed secundair zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoen m., eigenlijk meerv. van (dial.) schoe (vergel. teen). Mnl. scoe, Os. skôh + Ohd. scuoh (Mhd. schuoch, Nhd. schuh), Ags. scóh (Eng. shoe), Ofri. skó, On. skór (Zw. en De. sko), Go. skohs, wellicht van denz. wortel als geschieden en schooien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjoon (zn.) schoen; Vreugmiddelnederlands schoe <1240>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schou (uit een verbogen nv.), schoeg (uit de eerste nv.), sjōē schoen (Groningen, Veluwe). = hgd. schuh ‘id.’, eng. shoe ‘id.’, got. skohs ‘id.’. Van een basis die ‘bedekken’ betekent en ook aanwezig is in iers cuarān ‘schoen’ en in nl. schuilen en (zonder de mobiele s) huid. De n van nl. schoen was oorspr. een aanduiding voor het mv.
Ter Laan 798, NEW 621, Van Schothorst 197.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schoen (de), (ook:) een paar schoenen. Ma moet maar zien rond te komen met een minimum aan geld. Hij durft haar haast niet te vragen om een schoen en een stel schriften, die hij hard nodig heeft (van Mulier 1972: 44). - Etym.: In AN veroud. ’Schoenen’ is in feite een dubbel mv., want het oorspr. enkelv. is ’schoe’ (WNT 1936). Zie ook de uitdr. een voet* schoen (kous, sok, e.d.). - Opm.: Het lijkt mogelijk, dat het gebr. van het enkelv. in het SN, als het gaat om een paar van aan de voeten gedragen stukken schoeisel of kleding, zich ontwikkeld heeft naar analogie van ’schoen’: kous* (2), sok* (2), slipper*, teptep* (2), jubel* (2). Samenst. o.m. schoolschoen*.
— : een voet schoen: zie voet*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skoen: voetbekleding/- skoeisel; Ndl. schoen (Mnl. scoen, eint. mv. v. scoe, wat nog dial. i. Ndl. voorkom), Hd. schuh, Eng. shoe, Got. skōhs, ouer verw. onseker, maar bet. wsk. ong. “bedek(king)”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schoen (iemand iets in de -en schuiven) (vert. van Duits einem etwas in die Schuhe schieben)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Niet waard zijn iemands schoenriem of schoenen te ontbinden, niet waardig zijn om ook maar de nederigste dienst aan iemand te bewijzen, geheel en al onwaardig zijn ten opzichte van iemand.

Johannes de Doper, degene die Jezus' komst voorzegde, sprak tot zijn volgelingen: 'Ik doop u met water, doch Hij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur' (Lucas 3:16, NBG-vertaling; de NBV heeft 'de riem van zijn sandalen'). Deze uitdrukking wordt nog regelmatig gebruikt.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 28, 19-21. Jc doepe inden watre in penitentien vor de sonden. Mar die na mi comen sal, hi es starker dan ic ben, ende in ben nit werdech hen tontbindene den rieme van sinen schoe.
Zij haatte Paul, oui je le hais, ce prétentieux. Cel dacht dat zij hem haatte omdat hij hem van haar wegtrok. O neen, zij haatte hem omdat die stinker Cel beschouwde als zijn gelijke, terwijl hij niet waardig was zijn schoenen te ontbinden. (G. Walschap, De Française, 1992 (1957), p. 79)
Ik keek naar schrijvers op. Het waren goden. Nog niet waardig was je om hun schoenriem los te gespen. (Haagse Post, 17-3-1979)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoen, volgens Prof. Vercoullie eig. meerv. van schoe (evenals teen van tee), Mnl. scoe, Os. skoh; ’t staat in verband met skeh, ’t oude woord voor gaan; zie Geschieden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoen ‘voetbekleedsel’ -> Negerhollands skoen, skun, skon, skuen ‘voetbekleedsel’; Berbice-Nederlands skun ‘voetbekleedsel’; Skepi-Nederlands skun ‘voetbekleedsel’.

schoen ‘ankerschoen, steunstuk dat onder het blad van een scheepsanker wordt gelegd’ -> Russisch † škun ‘bus of hout dat als een schoen aan de ankerhanden wordt gedaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoen* voetbekleedsel 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

845. Het hart zinkt hem in de schoenen,

d.w.z. hij verliest den moed, hem ontzinkt de moed; zie Trou m. Bl. 282, vs. 498; Brederoo II, 58; Pers, 386 b; Winschooten, 254; Hooft, Brieven, 161; Van Lummel, 471:

't Hert dat sinckt hem (Spinola) in de schoen,
Signoor die kakelt als een hoen.

Bij V.d. Noot: Ic voelde myn hart zincken wel drie voeten onder myn knieTijdschrift, XXIII, 234.. In Limburg zegt men: het hart zinkt hem in de broek; in Antw. in de onderbroek; in Groningen: 't zakt hem in de bijnen, en in het nd.: dat Harte fallt em in de Boxen; sîn hart sakt hum in de bênen (hasen, bükse); zie Taalgids V, 171; Molema, 64 a en vgl. gri. πασιν δε παραι ποσι καπpi;εσε θυμος (Homerus); lat. animus in pedes decidit; in het mnl. syn herte valt in syn knye; 16de eeuw: mijn herte in mijn schoen sanc; zie verder Wander II, 617: das Herz ist ihm in die Hosen gefallen; das Herz lag mir gantz in den Knien; eng. his heart sank into his boots, heels, shoes; Harreb. I, 288; Ndl. Wdb. VI, 11; Erasmus, XII; Reuter, 47. (Aanv.) Ook in de 16de eeuw: Mijn hert sal mij inden brouck ontvallen, wat overeenkomt met het Limb. het hart zinkt hem in de broek; in Antwerpen: in de onderbroek (Tijdschr. 42, 189).

1263. Met kousen en schoenen in den hemel komen,

gewoonlijk met de ontkenning, in den zin van niet op zijn gemak, maar na veel moeite en inspanning een heerlijk doel bereiken. In het Middelnederlandsch ghecoust, ghescoeyt, met kousen en schoenen, gemakkelijk (Dram. Poëzie, 574); in de 17de eeuw bij Poirters, Mask. 40: Hy scheen te wesen van sulck ghevoelen al of hy met koussen en schoenen uyt sijnen Lust-hof in 't Paradijs sou hebben ghetreden; Pers, 754 a: Rennenbergh trock van daer op Collum, van meeninge om met koussen en schoenen in Dockum te lopen, maar hier stiet hy zijn hoofd; Starter, 440:

Spreeckt doch een troostlijck woordje, en seg ien reys om de nuwigheyd ja; 't Sal âers noch âers wesen, of ick met koussen en schoenen in den Hemel ga.

Ook in het liedje van Het Verwaand Kwezeltje:

Daar was een kwezeltje, die 't al wil verstaan,
Die meynde zachtjes in den hemel te gaan
Op hare zokjes,
Schoetjes, houten blokjes,
Maar onzen Heere, die 't alles wel voorziet,
En wilde deze kwezel in den hemel niet.

Boere-krakeel, 113: Zy mienden zo mit kous en schoenen te gaen in Hans- en Heinsland; Adagia, 46: Men komt met kousen en schoenen in den Hemel niet, non itur ad astra deliciis; Sewel, 415: Men komt'er zo niet met koussen en schoenen in, one does not enter so easily there. Tuinman I, 3 en Zeeman, 333 denken aan Exodus 3, 5, waar vermeld wordt, dat Mozus en Jozua blootsvoets moesten zijn, als God verscheen. Doch het door Servilius, 278* vermelde met cousen ende scoenen, met leers ende sporen, doen eerder vermoeden, dat met deze uitdr. wordt bedoeld met pak en zak, waaraan ze door Sartorius III, 10, 54 ook gelijk gesteld word; dus: met alles bij zich, zóó maar, gelijk men is, op zijn gemak. Vgl. Tuerlinckx, 342: be kousen en schoen(en), met gemak; be kousen en schoen(en) den hemel ingouën; be kousen en schoenen ieverans deurkome; Ons Volksleven VIII, 227; Joos, 59; Antw. Idiot. 704; Waasch Idiot. 285; Ndl. Wdb. VI, 546; Grimm IX, 1844: Mit schuh und strümpfen in die hölle faren, mit willen und wissen sich in leibliches und geistiges verderben stürzen; er geht nicht mit schuhen und strümpfen zum himmel; Eckart, 218: me löpt nit so met Huosen un Schan in'n Hiemel. Syn. op (vilten) sloffen in den hemel komen of naar den hemel wandelenSuringar, Erasmus, CCXL; B. Wolff, Brieven, bl. 341. Volgens Prof. Verdam kan in deze zegswijze eene reactie opgesloten liggen tegen de vroegere voorstellingen van de reis naar den hemel. Grimm, Myth,1 697 deelt namelijk mede, dat vroeger bij verschillende Europeesche volken een doode ‘ausser dem fährgeld und dem schiff auch ein besondrer todtenschuh, onr. helskô, zum antritt der langen wanderung mitgegeben und an die füsse gebunden wurde. Im Hennebergischen nennt man noch jetzt die dem verstorbnen erwiesne letzte ehre den todtenschuh, ohne dass der gebrauch selbst fortdauerte, ja das leichenmal wird so geheissen’. In West-Vlaanderen kent men, volgens De Bo, 1134, nu nog zijne schoe'n tatsen (van puntige spijkers voorzien), zich reisveerdig maken voor de eeuwigheid met de laatste Heilige Sacramenten te ontvangen. In plaats van deze voorstelling, meent Prof. Verdam, kon en moest het Christendom eene andere op den voorgrond stellen, nl. ‘voor de reis naar den hemel heeft men nog iets anders noodig dan kousen (waarschijnlijk eene latere comisch parodieerende toevoeging) en schoenen’. Zie Tijdschrift XIX, 147..

1426. Met lood in de schoenen (of met looden schoenen) gaan,

d.w.z. langzaam en schoorvoetend gaan, t.w. uit behoedzaamheid om geen mispas te doen, of uit vrees; en in figuurlijke toepassing: behoedzaam of vreesachtig te werk gaan (Ndl. Wdb. IV, 27; VIII, 2730); ook zeide men: met looden voeten gaan; vgl. V.d. Venne, 25: Verresiende luyden gaen met loode voeten (voorzichtig). Zie ook Hooft, Ned. Hist. 494: Loode voeten had hy, om hier over te treeden; bl. 58: Sy begosten den Kaizarlyken Schout, met loode schoenen (voorzichtig) na te gaan (vgl. Bank. I, 375); zie verder C. Wildsch. I, 25; Sewel, 458: Met loode schoenen aankomen, to come slowly; Iemand met loode schoenen nagaan, to watch for an opportunity to be revenged of one; Harreb. II, 35: Het is of hij lood in zijn schoen heeft; Nkr. III, 19 Sept. p. 4: Zoo keerde hij terug bedroefd, met looden schoenen; VIII, 28 Maart p. 7: Mistroostig met lood in d'r schoenen zakte ze af. In het Westvl. zegt men: met een lang gat (of lange hielen) ergens naar toe gaan (De Bo, 341; 428 en Joos, 110). Vgl. ook schudt dat lood uit uw schoenen (Joos, 88); met looden beenen gaan of met een lang gat ievers naar toe gaan, d.i. mismoedig zijn (Joos, 95); lood in zijn schoenen hebben (Joos, 110). Het tegenovergestelde wordt uitgedrukt door: zijn lichte schoenen aandoen (of aantrekken), zich spoeden; Teirl. II, 211.

1426. Met lood in de schoenen (of met looden schoenen) gaan,

d.w.z. langzaam en schoorvoetend gaan, t.w. uit behoedzaamheid om geen mispas te doen, of uit vrees; en in figuurlijke toepassing: behoedzaam of vreesachtig te werk gaan (Ndl. Wdb. IV, 27; VIII, 2730); ook zeide men: met looden voeten gaan; vgl. V.d. Venne, 25: Verresiende luyden gaen met loode voeten (voorzichtig). Zie ook Hooft, Ned. Hist. 494: Loode voeten had hy, om hier over te treeden; bl. 58: Sy begosten den Kaizarlyken Schout, met loode schoenen (voorzichtig) na te gaan (vgl. Bank. I, 375); zie verder C. Wildsch. I, 25; Sewel, 458: Met loode schoenen aankomen, to come slowly; Iemand met loode schoenen nagaan, to watch for an opportunity to be revenged of one; Harreb. II, 35: Het is of hij lood in zijn schoen heeft; Nkr. III, 19 Sept. p. 4: Zoo keerde hij terug bedroefd, met looden schoenen; VIII, 28 Maart p. 7: Mistroostig met lood in d'r schoenen zakte ze af. In het Westvl. zegt men: met een lang gat (of lange hielen) ergens naar toe gaan (De Bo, 341; 428 en Joos, 110). Vgl. ook schudt dat lood uit uw schoenen (Joos, 88); met looden beenen gaan of met een lang gat ievers naar toe gaan, d.i. mismoedig zijn (Joos, 95); lood in zijn schoenen hebben (Joos, 110). Het tegenovergestelde wordt uitgedrukt door: zijn lichte schoenen aandoen (of aantrekken), zich spoeden; Teirl. II, 211.

1524. De moed zinkt hem in de schoenen,

d.w.z. hij verliest den moed, hij laat den moed zakken; fri. de moed giet him yn 'e hakken sitten. Vgl. Marnix, Byenc. 190 a: Hy mochte de moedt heel ende al tot in de hielen laten sincken; Idinau, 266:

 Van sulcke de moedt in de schoenen sinckt
 Die, uyt vreese en anxt, den moedt verliesen.

Vgl. Vondel, Rosk. 48: Hoe sou sijn fiere moed hem in de schoenen sincken; Sart. I, 9, 39: Animus mihi in pedes decidebatZie Homerus, Ilias, O, 280: Ταρβησαν, πασιν δε παραι ποσι καππεσε θυμος., mijn moet sonck my in mijn knie; Tuinman I, 208: Zyn moed zakt hem in de hielen; Harreb. I, 308 a; III, 24 a; Suringar, Erasmus XII, en verder onze uitdr. den moed laten zinken, zakken; het hart zakt hem in de schoenen, waarnaast in Vlaanderen iemand het hart opdraaien, hem bemoedigen; zie Ndl. Wdb. IX, 917; Afrik. sy moed het in sy skoene gesink; vgl. no. 845.

2003. Ieder weet het best, waar hem de schoen wringt,

d.w.z. ‘elk kent en gevoelt zyn eigen leed, dat andere menigmaal niet merken, want niemand hinkt aan een anders zeer’ (Tuinman I, 166) of, zooals Poirters, Mask. 308 zegt: ‘Niemandt en siet waer een ander den schoen wringht’. Deze zegswijze vinden we in de 16de eeuw bij Goedthals, 48: een yeghelyck weet best, waar hem zynen schoen dwinght, chascunt sent mieux son soullier; Prov. Comm. 347: een yeghelijck weet best waer hem sinen schoen wrinct, varius hoc egomet scio quo me calcius urget. Vgl. verder Cats I, 518; De Brune, 376: elck weet, waer dat de schoen hem wringt; Idinau, 185; V.d. Venne, 36: Yder weet waer hem de kleeren dwingen; Joos, 166; Harrebomée II, 254 a; Afrik. elkeen weet die beste waar die skoen hom druk. Plutarchus, V.P. Aemilii c. 5, p. 257 deelt mede dat, toen een Romeinsch edelman door zijne vrienden berispt werd, omdat hij van zijne schoone, kuische en rijke vrouw was gescheiden, hij zijn voet vooruitstak en zeide: et hic soccus quem videtis, videtur vobis novus et elegans, sed nemo scit praeter me ubi me premat. Zie Bebel, no. 333; Werner, 66: Omnis homo bene scit, ipsum quo calcius angit en vgl. het hd. jeder weiss am besten, wo ihn der Schuh drückt; fr. chacun sait où le soulier le blesse; eng. none knows where the shoe pinches so well, as he that wears it; Wander IV, 351-352; Eckart, 472; Grimm IX, 1847; vgl. het fri.: elk wit sels bêst hwêr 't him de skoech twingt; Twente: ieder weet, woar 'm de schoo knip; in Zuid-Nederland: weten waar de schoe duwt (De Bo, 998 a), douwt of nijpt (Antw. Idiot. 1082). Zie Ndl. Wdb. XIV, 745.

2004. Wien de schoen past, trekke hem aan,

d.w.z. wie zich schuldig gevoelt, passe de zinspeling op zichzelven toe, beschouwe het gezegde als tot hem gericht, die een neus heeft kan rieken, zooals in Zuid-Nederland gezegd wordtOok in het Friesch; Dy 't in (of gjin houten) noas het kin mar rûke., maar ‘hij die niet schurftig is, behoeft zich niet te krauwen’. De uitdrukking was in de 17de eeuw bekend, blijkens J. Vos, 263: ‘Ik smijt slechte schoenen te grabbel, wil jyse aantrekken, ik kan niet beeteren datze jou passen’, waarin tevens de verklaring der spreekwijze is te vinden; vgl. verder Huygens, Korenbl. II, 361: 'k Sie dien de schoen wel past die treckt hem geeren aen; C. Wildsch. III, 71: Die den schoen past, kan hem aantrekken; Harreb. II, 253 b; Afrik. as die skoen jou pas, moet jy hom maar aantrek. Voor het nederd. vgl. Taalgids IV, 263; Eckart, 472; Dirksen I, 83; Wander IV, 355: wemme de Shoh passet, de tüht en an; Dirksen I, 272; vgl. het hd. wem die Mütze passt, der setze sie auf; eng. if the cap fits, wear it; voor Zuid-Nederland vgl. Schuermans, 591 b; Waasch Idiot. 579 b; Antw. Idiot. 2019: dien 't schoentje past, die trekke 't aan; fri. dy de skoech past, tsjucht him oanVgl. bij Anna Bijns (Leuv. Bijdr. IV, 227): Knaecht myn beenken die wilt, ic werpt int hondert al; diet aengaet macht in zyn tessche steken..

2005. In iemands schoenen staan,

meestal ‘niet gaarne in iemands schoenen staan’, d.i. niet gaarne in zijn toestand verkeeren, in zijne plaats wezen; vgl. Harreb. II, 255: Ik zou niet gaarne mijne voeten in zijne schoenen steken. Ik wil niet in zijne schoenen staan; Huygens VI, 60, waar een kwakzalver zegt: Ick steeck mijn' stouten voet in der Doctoren Schoen; Kluchtspel III, 286. Ook in het fri.: ik woe net graech yn dy man syn skoen of foetleasten stean; Afrik. ek wil nie in sy skoene staan nie; in Zuid-Nederland: in iemands schoe'n willen terden of zitten, wenschen in zijne plaats te zijn (De Bo, 998 a); goed in zijnen schoen zitten, welgesteld zijn (Schuerm. 591 b); slecht in zijn schoenen of in slechte schoenen (of lakensVgl. fr. être dans de mauvais draps, dans une position fâcheuse.) zitten, in slechte zaken zitten, bedenkelijk ziek zijn (Joos, 103; Schuerm. Bijv. 288); vgl. ook Claes, 212: ik zou mijnen voet in zijnen schoen niet willen steken; Rutten, 201 b: ik zou niet gaarne mijne voeten in zijne schoenen steken; Antw. Idiot. 1082: in iemands schoenen niet willen staan; zijne voeten in iemands schoenen niet willen zetten; Waasch Idiot. 825: in iemands schoenen springen, in iemands plaats of bediening komen; syn. in iemands huid steken; in 't eng. to step (to be, to stand) in another person's shoes (or boots), een andermans plaats innemen, als die vacant komt (Barentz, 259); in iemands kleeren niet willen steken (Waasch Idiot. 345); in duitsche dial. i böse schune stecke, in schlechten verhältnissen leben; in eignen schuhen stehen, selbständig, unabhängig sein; in eines andern schuhen gehen, stehen, seine stelle einnehmen; Grimm IX, 1847; Wander IV, 359; Ndl. Wdb. XIV, 744.

2006. Niet recht in zijn schoenen staan (of gaan),

d.w.z. oneerlijk zijn, langs slinksche wegen gaan; duitsch dial. nig in liken schoen gaanGrimm IX, 1847.. Zie Harreb. II, 254 a: Hij gaat niet recht in zijne schoenen; De Bo, 918: recht in zijne schoe'n gaan, op zijn goeden naam passen; Schuerm. Bijv. 288: recht in zijne schoenen gaan, eerlijk man zijn; Rutten, 201: recht in zijne schoenen gaan, stipt zijne plichten doen; Antw. Idiot. 1017; Waasch Idiot. 579 b; Joos, 100: scheef (of niet recht) in zijn schoenen gaan, oneerlijk zijn. In de 16de eeuw: recht in sijn schoen gaen, welgesteld zijn (zie no. 2005Immink, De Spiegel der Minnen door Colijn van Rijssele, bl. 262.).

2007. Vast in zijn schoenen staan,

d.w.z. bij een eens genomen besluit blijven, op zijn stuk blijven staan; zich niet wankelend of ongestadig in zijne woorden of daden gedragen (Tuinman I, 194). In de 17de eeuw bij Baardt, Deugd.-Sp. 69 en Cats I, 465 b; Pers, 284 a: vast in zijne schoenen blijven; Paffenr. 54: vast in zijne schoenen gaan; zie ook Halma, 570: Vast in zijne schoenen staan, vast bij zijn voornemen blijven, se tenir bien sur ses étriers, agir avec confiance; Sewel, 706: Vast in zynen schoenen staan, to stand firm to his resolution; V. Janus III, 220; Harreb. II, 254; B.B. 18. Ook in Zuid-Nederland: vast in zijn schoe'n gaan, bij zijn stuk blijven (De Bo, 998 a); vast in zijn schoenen staan, zeker van zijn stuk zijn (Antw. Idiot. 1082); in vaste schoenen gaan, zeker zijn van iets (Joos, 122); in het fri.: fêst yn 'e skoen stean, zich schrap zetten, standvastig zijn; in nd. dial. in fasten schoen gaan, seiner sache gewisz sein; fast in de schôen stân (Grimm IX, 1847; Ten Doornk. Koolm. III, 130; Eckart, 472); eng. to stand firm in one's shoes.

2008. Iemand iets in de schoenen schuiven,

d.w.z. iemand iets toedichten, iemand van iets de schuld geven; ook iemand iets in de schoenen gooien of leggen (Köster Henke, 10; 59); Zuidndl. iemand iet doorsteken; hd. ‘Jemandem etwas in die Schuhe schieben, gieszen, werfen, schütten. Das soll ihn in der Seele so schmerzen, beschweren, als den Fusz ein Steinchen oder Wasser im Schuh beschwert. ‘Die Redensart jemandem etwas in die Schuhe schieben, führt uns zu den gemeinsamen Wanderungen der fahrenden Gesellen. Einer hat im letzten Quartier ein Geldstück oder einen Wertgegenstand mitgehn heiszen. Wenn nur die Gefahr der Entdeckung droht, so schiebt er einem andern in der gemeinsamen Herberge das gestohlene heimlich in die Schuhe, so dasz der Verdacht nun auf diesen fällt’ (Seiler, 289). Aehnlich: Einem etwas ins Gewissen schieben, es ihm zur Gewissensache machen’ (Schrader, 441); nd. en wat in de Schoh gêt'n (Eckart, 472). Vgl. Schoolblad XLII, 1379: Schuift hij de afdeeling Amsterdam geen argumenten in de schoenen, die er nooit verkondigd zijn?; Handelingen St.-Gen. 1913-14, kol. 1504: De Redactie beklaagt zich ‘dat wij haar wat veel in de schoenen hebben geschoven’; Nw. School VII, 212: Ze schuiven je allerlei dwaasheden in de schoenen; De Telegraaf, 18 Dec. 1914 (avondbl.), p. 1 k. 6: De verantwoordelijkheid daarvan aan Duitschland in de schoenen te schuiven; Handelsblad, 16 Maart 1915 (ochtendbl.), p. 1 k. 3: Dit voorstel vinden we in de ‘Temps’ niet. De Romeinsche correspondent van de ‘Frankf. Ztg.’ heeft hier het Parijsche blad dit voorstel in de schoenen geschoven en zijn eigen blad wat op de mouw gespeld; Schoolblad XLIV, 361; De Arbeid, 22 April 1914, p. 2 k. 1: Wat ook in de hoogste mate afkeuring verdient, is het feit dat men de leden in de schoenen schuift de oorzaak te zijn dat, enz.; 13 Dec. 1913, p. 3 k. 3: Wij vinden het gemeen dat ze middelen te baat nemen, die ze ons in de schoenen willen schuiven; 23 Januari 1915, p. 1 k. 3; 20 Maart 1915, p. 2 k. 4; Het Volk, 6 Mei 1914, p. 2 k. 4: De bedoeling is ook hier weer zoo iets de S.D.A.P. weer in de schoenen te schuiven; 25 Mei 1914, p. 3 k. 2; De Amsterdammer, 26 April 1914, p. 7 k. 5; Handelsblad, 9 April 1914, p. 1 k. 1 (avondbl.): Men schuive ons niet in de muilen wat vlak tegen onze overtuiging ingaat. Wij willen de redactie-leden van De Standaard wel andere woorden in de muilen leggen. In de 17de eeuw iets op iemands kap leggen of schuiven.

2009. De stoute schoenen aantrekken,

d.w.z. na aarzeling wagen, zich verstouten. Vgl. Haagsche Reize, 60: De begeerte om zoo eenen schoonen stuiver te verdienen deed haer de stoute schoenen aantrekken; Van Effen, Spect. VII, 58: Daerom heb ik men stoute schoenen angetrokken, om je ook een consolaesie af te vergen; V. Janus, 324; Harrebomée II, 254; Kalv. II, 96; Sjof. 191; Afrik. hy het die stoute skoene aangetrek; Van Eijk I, nal. 78, waar vergeleken wordt de vroegere uitdr. hij heeft de hondsschoenen aangetrokken, d.i. hij gedraagt zich onbeschaamd, heeft zijne schaamschoenen uitgetrokken (vgl. Mnl. Wdb. VII, 227); Sart. I, 9, 15; Frontem perfricare, sijn onbeschaemde hantschoenen aentrecken. In het fri.: de dryste skoen oantsjên, de mâlle skoen oantsjên, de leelijke schoenen aantrekken, zijn kwade luim botvieren (W. Dijkstra, 398); vgl. ook Waasch Idiot. 397 a: zijn lichte schoenen aantrekken, spoeden; mnl. sijn gecke sporen spannen, een dwazen streek uithalen, tegengesteld van enen wisen rock antien (zie Mloop I, 899), wat te vergelijken is met het fri. it mâl jak oantsjen, een booze bui krijgen.

2010. Over de hooge schoenen gaan (of loopen),

d.w.z. alle maat te buiten gaan, alle perken overschrijden, de spuigaten uitloopen; vgl. het fri.: it giet oer de hege skoen, 't is buitensporig; hy giet der oan 'e hoasbânnen (kousebanden) ta troch, hij leeft verkwistend; dat giet oer 'e klompen hinne, dat loopt de spuigaten uit. Eig. gezegd van een watervloed, die reikt tot over de hooge schoenenOf moet gedacht worden aan een strijd, waarbij zooveel bloed vloeit, dat het over de schoenen loopt? Vgl. C.C.v.d. Graft, Middelnederlandsche Historieliederen, bl. 219: Veel van den boeren sach men als dan het bloet over die schoenen vlieten; Despars, 1, 244: Daar was sulke bloetstortinghe dat die van Gendt ghinghen tot halven schoene (tot aan de enkels) int bloedt.. Vgl. Rechtbanck tegen de Ydele, Korzelighe ende Wispeltuyrige Vrouwen (anno 1670), voorwoord, bl. 5: Nochtans sal ick so verre over de schoen niet loopen, ofte ick sal soecken drooghsvoets weder daer uyt te raecken; Harreb. II, 254 a: Het loopt over de hooge schoenen heen. Syn. Het gaat of loopt er over heenNdl. Wdb. XI, 1600; IV, 86..

2011. Men moet geen oude schoenen verwerpen, voordat men nieuwe heeft,

d.w.z. men offere niet iets op, voordat men weet iets anders en beters er voor in de plaats te krijgen. Zie Spieghel, 273; Cats I, 493 en 502:

 Al hebt gy schoon versleten schoen,
 En wilt se nimmer van u doen:
 Maer hout se tot gy beter siet,
 Of anders, vrient! u naeckt verdriet.

Zie verder Winschooten, 358; De Brune, 381: Gheen oude schoenen wegh en smijt, of hebt eerst nieuwe, voor dien tijd; Tuinman I, 165; C. Wildsch. I, 237; Harrebomée II, 255 a; Ndl. Wdb. XI, 1532; Afrik. moenie ou skoene weggooi voor jy nuwes het nie; Wander IV, 353; Grimm IX, 1849 en vgl. De Bo, 998 a: gooi uw oude schoe'n op strate niet, eer gij er nieuwe hebt; Joos, 193; Antw. Idiot. 2019. In het Friesch zegt men: min moat gjin âlde planke út 'e wân skoerre ear 't min der in nijen-ien for klear het naast min moat gjin âlde skoen weismite ear 't min nije het.

2664. Iets aan de zoolen van zijn schoenen kunnen schrijven,

d.w.z. op iets niet behoeven te rekenen, vooral van schuldvorderingen gezegd. Vgl. Het Volk 18 Aug. 1915 p. 3 k. 2: Hij moet zich maar eenige offers getroosten, zijn verlofdagen moet hij maar aan de zolen van zijn schoenen schrijven; van betaling voor extra arbeid schijnt geen sprake te zullen zijn; fri. dat kinst mar onder 'e soal fen 'e skoech skriuwe, daar komt niets van te recht; syn. van iets op zijn buik kunnen schrijven. Zie Harreb. I, 103: Schrijf het op uw buik, dan kunt ge het met uw hemd uitwisschen; Schakels, 117: En de centen die je te wachten heb, ken je op je buik schrijven; L. Bakelmans, Zonnekloppers, bl. 36: We betalen potverdekke niks. Schrijf die pintjes maar op uwen buik.... die is dik genoeg. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1620: dat kunde op uwen buik schrijven en met uw hemdslip uîtvègen. Zie no. 151; 1312 en vgl. het vroegere, thans nog Zuidndl. iets in zijn doodboek schrijvenH. de Luyere, 27: Ghy meught die schuit in u dootboeck (vergeetboek) wel schrijven. Zie Ndl. Wdb. III, 2861.; afrik. dat kunt ge wel op uw pens schrijven; het lat. in aqua scribere; gri. καθυδατος γ ραφειν; hd. etwas in den Schornstein oder Rauchfang schreiben.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keu-2, (s)keu̯ǝ : (s)kū- ‘bedecken, umhüllen’, auch mit zahlreichen Erweiterungen: (s)kū-lo- ‘Versteck, Hinterteil’, skū-ro- ‘Schutz, Hülle’, (s)kū̆-ti- ‘Haut’, ku-z-dho- ‘Versteck, Höhlung’

Ai. skunāti, skunṓti, skāuti ‘bedeckt’; unsicher ku-kūla- ‘Hülsen, Rüstung’, pāṃsu-kūla- ‘Lumpenkleid der buddhist. Mönche’;
arm. c̣iw ‘Dach, Decke’ (*skēu̯o-); mit anl. kh-: arm. xuc̣ ‘Stube’ (*khū̆-sk̑ho-, allenfalls zur s-Erw.), fraglicher xavar ‘dunkel’ (*khou̯o-, Formans arm. -ar), xu-p’ ‘Deckel’, xul, xlik ‘Hütte’, xlay (*khū̆lati-) ‘weibliche Kopfverhüllung, Schleier; Kleid’;
gr. σκύ̄νια Pl. ‘Brauen’, ἐπισκύνιον ‘Haut oberhalb der Augenbrauen’ (vgl. ai. skunā́ti); σκύλος n. ‘Tierhaut, Schale’, σκύλον ‘abgezogene Tierhaut’, σκῦλον ds. ‘dem Feind abgenommene Rüstung’; unsicher κῶας, Pl. κώεα ‘Fließ’;
lat. obscūrus ‘*bedeckt’ = ‘dunkel’; cūlus ‘der Hintere’;
air. cūl m. ‘Rücken, Hinterteil’, cymr. cil ‘Rücken’; air. cūl (*kū-lā-) f. ‘Winkel, Versteck’ = cymr. usw. cil, ysgil ‘Versteck’; ir. cuarān, cymr. curan ‘Schuh’; vielleicht kelt.-lat. cucullus ‘Kapuze’ (vgl. oben ai. ku-kūla-?);
aisl. skjā f. ‘Scheuer’ (*skeu̯ā), wohl auch aisl. f. ‘Haut’ in hross-hā u. dgl. (*skou̯ā), skāli ‘Hütte, Zimmer’ (germ. *skawalan-); skȳ n. (*skeui̯o-) ‘Wolke, Verdunklung’, ags. scīo, as. scio ‘Wolke’; ags. scu(w)a m. ‘Schatten, Dunkel, Schutz’, ahd. scuwo, scū m. ‘Schatten’, scū-c(h)ar n. ‘Spiegel’, eigentlich ‘Schattengefäß’, aisl. skuggi m. ‘Schatten, Spiegelbild, Gespenst’, skugg-sjā f. ‘Spiegel’, got. skuggwa m. ‘Spiegel’; ahd. skugin(a), mhd. schiune, nhd. Scheune (‘Obdach’), norw. dial. skyggne m. ‘Hütte, Schlupfwinkel’; aisl. skaun f. (oder skaunn m.) ‘Schild’; norw. skūme ‘dunkel’, aisl. skūmi m. ‘Dämmerung’, mnd. schummer ‘Dämmerung’ (: lett. skumt); aisl. hūm n. ‘Zwielicht’, PN. Hymir ‘Verdunkler’; vielleicht ahd. scūm ‘Schaum’ (wenn ‘deckendes’);
aisl. skjōl n. ‘Versteck, Zuflucht, Schutz, Scheune’, skjōla ‘Bütte, Kübel’, (‘Verwahrungsraum’), ablautend aisl. skȳli, mnd. schūle n. ‘Versteck’, afries. skule ‘Hütte’; aisl. skȳla ‘beschützen’, mhd. schūlen ‘verbogen sein, lauern, lugen’;
ahd. scūr m. ‘Wetterdach, Schutz’ (: lat. obscūrus), mhd. schūr ‘Obdach, Schirm’, aisl. skūr f. ‘Haut der Mandel’, ahd. skūra, sciura, (*skūrja) ‘Scheuer, Scheune’; mit Formans -ko-und Dehnstufe ō[u] wahrscheinlich got. skōhs, aisl. skōr, Pl. skūar, ahd. scuoh ‘Schuh’ (eigentlich ‘deckendes Oberleder des Schuhes’, vgl. oben ir. cūarān ‘Schuh’ und mndl. schoe ‘Schwertscheide, Futteral’);
lit. kẽvalas ‘Eierschale’, lett. čàula ‘Schale, Hülse’; lett. kūja ‘weibliche Scham’; lett. skaût ‘umarmen’, skumstu, skùmt ‘traurig werden’ (‘obscurāri’); aber lit. skūrà ‘Leder, Baumrinde’, lett. skura ‘Hülse’ aus weißruss. skyra.
A. Dentalerweiterungen (bzw. Bildungen mit Dentalformantien):
(s)keu-t-:
Gr. σκῦτος n. ‘Haut, Leder’, ἐγκυτί, ἐγκυτίς ‘bis auf die Haut’, κύτος n. ‘Hülle, Haut’ und ‘Gefäß, Urne, Höhlung’, κυτίς ‘kleiner Kasten, Büchse’, κυσός· ἡ πυγή; ἤ γυναικεῖον αἰδοῖον Hes.; (*κυτ-ι̯ος oder *κυθ-ι̯ός), κύτ(τ)αρος ‘Höhlung, Wölbung, Bienenzelle, Eichelnapf’, κύσσαρος ‘ānus’ (*κυτϝαρος); über lat. cuturnium ‘vas, quo in sacrificiis vinum fundebatur’ s. WH. I 320;
lat. cutis ‘Haut’; cunnus ‘pudendum muliebre’ (*kut-nos);
cymr. cwd ‘Hodensack’; mcymr. eskit, esgit, ncymr. esgid, corn. eskit, esgis ‘Schuh’ (*ped-skūti-);
aisl. hūð, ags. hȳd, ahd. hūt (*hūdi-) ‘Haut’ (schweiz. hut ‘Hülse, Fruchtschale’);
ahd. hodo, afries. hotha ‘Hode’; ags. hoðma m. ‘Finsternis’, ahd. hutta ‘Hütte’ (*kuti̯ā́ oder *kudhi̯ā: daraus as. hutta, huttia);
alit. kutỹs ‘Beutel, Geldkatze’; balt. *keutā ‘Haut’, apr. keuto, lit. kiáutas ‘Schale, Hülse’, dial. kẽvetas m. ds.; kiãvalas m. ‘Eierschale’ (*keu̯olo-), lett. čàula f. ‘Schale’, čàumala f. ‘harte Schale’ (Trautmann 132);
nasaliertes *kunti̯ō ‘bewahre’ vielleicht in aksl. sъkǫtati ‘beruhigen, stillen’, russ. kútatь ‘verhüllen’ usw., apr. -kūnti ‘pflegt’, Inf. pokūnst, pakūnst ‘bewahren’ und mit Intonationswechsel slav. *kǫta f. in aksl. kǫšta ‘σκηνή’, klr. kúča ‘Schweinestall’ (Trautmann 145).
(s)keudh-:
Ai. kuhara- n. ‘Höhle’, kuhaka- m. ‘Schelm, Gaukler, Betrüger’, kuhayate ‘betrügt’, kuhū́- f. ‘Neumond’ (‘der versteckte Mond’); pamir dial. skīð ‘hohe Mütze aus Schaffell’;
gr. κεύθω ‘verberge’, κεῦθος n., κευθμών ‘verborgene Tiefe’, κευθμός ‘verborgener Ort, Höhlung, Saulache’;
mir. codal ‘Haut’;
ags. hȳdan ‘verbergen’; hierher oder zu *skeut- got. skauda-(raip) Akk. Sg. ‘Schuh(riemen)’, aisl. skauð f. ‘Scheide’, Pl. ‘Vorhaut; Elender, Scheusal’, skjōða f. ‘Beutel, Sack’, mnd. schōde n. ‘Scheide’ (beim Pferd), f. ‘Schote, Erbse’, mhd. schōte ‘Schote, Samengehäuse’;
unklar ist lat. cūdō, -ōnis ‘Helm aus Fell’ (Lw.?); in der Bed. nahe steht av. xaōδa- m., ар. xaudā- ‘Hut, Kарре; Helm’.
В. Gutturalerweiterung (s)keu-k̑-:
Ai. kṓśa- m. ‘Behälter, Schatzkammer usw.’ (spät auch kóṣa-, das vielleicht ind. Entwicklung aus kṓśa- ist); unsicher kōśaka- m. n. ‘Ei, Hode, Gehäuse’, kuśapa- m. (unbelegt) ‘Trinkgeschirr’, kuśayá- m. (unbelegt) ‘Zisterne’; kukṣí- m. ‘Bauch, Mutterleib, Höhlung’; npers. kus ‘weibliche Scham’; av. kusra- ‘sich wölbend, hohl’, vīkusra-, hankusra- ‘sich auseinander-, zusammenwölbend’;
lit. kūšỹs (Plur. kūšỹs), lett. kũsis, kũsa ‘weibliche Schamhaare’ (*kūki- oder *kūksi-); lit. kiáušė ‘Hirnschale, Schädel’, kiaũšis ‘Ei, Hode’, preuß.-lett. ḱaušis ‘Ei’; lit. káušas ‘großer Schöpflöffel’, lett. kaûss ‘Schüssel, Kochlöffel’.
C. s-Erweiterung (s)keu-s-:
Vielleicht ai. koṣṭha- m. n. ‘Behälter, Unterleib, Vorratskammer’ u. dgl., kuṣṭha- m. ‘Lendenhöhle’ (?), kúṣṭhikā ‘Inhalt der Gedärme’, npers. kušt ‘Weichen’ (arm. Lw. kušt ‘Bauch, Weichen, Leib’);
gr. κύστις, -εως, -ιδος ‘Harnblase, Beutel’, κύσθος ‘weibliche Scham’;
unsicher lat. custōs ‘Wächter’, vgl. WH. I 319;
cymr. cwthr ‘After, Mastdarm’ (*kuzdhro-);
aisl. hauss m. ‘Hirnschale’; ablaut. norw. dial. hūse m. ‘Fischkopf’, ahd. hūso ‘Hausen’, nach dem mit Schildplatten gepanzerten Kopf;
nhd. dial. hosen ‘Hülse, Schote’, ags. hosa m. ‘Strumpf, Hülse’, aisl. ahd. hosa ‘Hose’;
vermutlich hierher got. aisl. ags. as. ahd. hūs ‘Haus’, vgl. nd. hūske ‘Kerngehäuse, Futteral, Tüte’ u. dgl.;
got. huzd, aisl. hodd f. (?), ags. as. hord, ahd. hort ‘Schatz, Hort’ (*kuz-dho- = gr. κύσθος); schwed. hydda ‘Hütte’, dial. hodda, hudda ‘Schuppen, Gefängnisraum’, aschw. hydda ‘verbergen’.

WP. II 546 ff., WH. I 298 f., 301, 309, 319, 320, II 196, 503, Trautmann 132, 145.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal