Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schlemiel - (pechvogel; slappeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schlemiel zn. ‘pechvogel; slappeling’
Nnl. sjlemihl ‘ongeluksvogel’ [1863; Kramers], sjlemiel, schlemiel ‘stakker, pechvogel’ in een orgel voor den sjlemiel [1893; Groene Amsterdammer], Heeren ik ben 'n arme schlemiel [1895; Groene Amsterdammer], een lange of een dunne schlemiel ‘een lange slungel’ [1914; Van Dale].
Ontleend aan Jiddisch sjlemiel, s(c)hlemiel ‘ongeluksvogel, mislukkeling, domkop’, dat ontleend is, via Duits Schlemihl ‘id.’ [voor 1814; Kluge21], aan de Hebreeuwse eigennaam Šəlūmīʾēl ‘Selumiël’, letterlijk ‘mijn vrede is God’, opgebouwd uit šālōm ‘vrede, welzijn’ + ‘mijn’ + -ʾēl ‘God’, familiehoofd van de stam van Simeon (Numeri 7:36) en volgens de Talmoed identiek met de tot dezelfde stam behorende sloeber Zimri, die gedood wordt als hij overspel pleegt (Numeri 25:6-15). Ontlening aan Hebreeuws še lō mōʿēl ‘iemand die niet deugt’ (Kluge21) is fonologisch onmogelijk.
De betekenis van schlemiel is waarschijnlijk gepopulariseerd door de romanfiguur Schlemihl, in Peter Schlemihl's wundersame Geschichte uit 1814 van de Duitse schrijver Adalbert von Chamisso (1781-1838) waarin de onnozele hoofdpersoon zijn schaduw aan de duivel verkoopt. Chamisso zou de naam hebben ontleend aan het al bestaande Jiddische woord. Het verhaal is vele malen herdrukt en werd in onder meer het Engels (1814), Nederlands (1831) en Frans (1842) vertaald.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schlemiel [slappeling] {1901-1925} < jiddisch sjlemiel [ongeluksvogel, domkop], mogelijk via hoogduits Schlemihl, misschien < hebreeuws šəlumīʼēl, volgens bepaalde tradities dezelfde als de pechvogel Zimri uit Numeri 25:14.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schlemiel znw. m. ‘slungel; ongeluksvogel’, eerst nnl. < nhd. schlemihl uit het jiddisch, vgl. hebr. šęlō mōcīl ‘wie niet deugt, deugniet’ (Lokotsch Nr. 1882).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schlemiel, slemiel, sjlemiel: ongeluksvogel; slappeling; beklagenswaardig persoon; iemand die steeds de dupe is. In Joodse kringen bestaat er een spreekwoord dat zegt dat een schlemiel die op zijn achterste valt, zijn neus breekt. Ook bekend is de uitdrukking de boterham van een schlemiel valt altijd met de beboterde kant op de grond (Bei a sjlemiel falt es brout immer ufs ponem). Wij hebben het woord ontleend aan het Duits (Schlemihl) , vandaar de uitspraak sjlemiel. De herkomst is echter het Jiddisch. Het Hebreeuwse shelomoil slaat op iemand die nergens goed voor is, die niet deugt. Een schlemiel is meestal een slemassel (of slamassel), van het Jiddische sjlemazzel (ongeluk): een samenstelling van het Duitse schlimm (slecht) en het Hebreeuwse mazzel (geluk). Omgekeerd is dat niet zo. Het verschil tussen beide termen is subtiel. Terwijl de schlemiel wel eens pech heeft omdat hij domme dingen doet, heeft de slemassel voortdurend pech. Afleidingen van schlemiel zijn schlemielig (het woord dat Rinus Israëls ooit in de mond nam na een voetbalwedstrijd, daarmee bedoelend dat de nederlaag te wijten was aan pech) en schlemieligheid. Kijk ook nog onder (lange) slemier*.

Een orgel voor den sjlemiel! – en dat’s muziek zonder ziel. (De Groene Amsterdammer, 19/02/1893)
Ieder heeft zijn beurt om een ander tot schlemiel te maken of schlemiel te zijn. (Siegfried E. van Praag, La Judith, 1930)
‘Schlemiel! Groenkoker!’ barstte tante Bet los. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

sjlemiel [sjlemiel’] (mv.: -im, -em, -en, -s), schlemiehl, schlemiel, selmiel, shlemiel, sjemiel, sjlamiel, slamiel, slemiel: slungel; pechvogel, mislukkeling, ‘loser’, stakker, sukkel, zielepoot; slappeling, sul, slome, druiloor, sufferd; mafkees; vr.: sjlemielte; versterking: sjlemiel van zondag; sjlemielig: stom, onhandig; sjlemieligheid; sjlemieliteit: onhandigheid, sulligheid, zieligheid, enz. | Onzeker. Wordt wel in verband gebracht met Sjeloemiël, een van de generaals van de Israelieten bij hun uittocht uit Egypte (Num. 1:6, 2:12, 7:36-41, 10:19) en volgens een bepaalde overlevering dezelfde als Zimrie, die met zijn Midjanietische liefje door Pinches (Pienechas) aan een speer werd geregen (Num.25:14), maar ook met Hebr. sje-lo-mo’il: wie niet deugt. Het Nederlands zal het woord overgenomen hebben via het Duits, waar de sjlemiel vooral furore maakte door ‘Peter Schlemihls wundersame Geschichte’ (1814) van Adelbert von Chamisso (ps. van Louis Charles Adelaide de Chamisso de Boncourt). De Duitse etymoloog Kluge, die het overigens uit het Jiddisch afleidt, brengt de betekenisontwikkeling in verband met een verhaal over een 13e-eeuwse jood Schlemihl, wiens vrouw een kind kreeg nadat hij elf maanden weg was geweest en wie men wijs maakte, dat hij de vader was.

— Maar helaas, het is alles voor niets! De dag zelf is zij ziek. “Louis s’est très bien amusé au bal, selon son rapport c’était très animé. Wat slemilig!”
([1821], uit I. H. VAN EEGHEN, 1964)
— Sjoute Klaas, addesjim, wat ’n sjemielte bin ik, dat Sinteklaas geen vrouw is geweest... (M. DE HOND, 1926)
— ‘We zijn nou eenmaal schlemiele en we blijve ̕ t. En as we nog es wat mazzel hebbe, en we kope ’n broodje met pekelvlees, dan valt ’t ons nog uit de hand op de koop toe. En met de goeie kant naar ondere natuurlijk...’ (JAN MENS, 1938)
— Als hun gevraagd wordt wat nu toch eigenlijk het subtiele verschil is tussen een sjlemiel en een nebbisj, kunnen ze het onderscheid slechts exact definiëren door een gelijkenis. Zeggen ze: ‘Een sjlemiel is iemand, die alles laat vallen, en een nebbisj-mannetje is iemand, die alles voor hem opraapt.’ Of ze zeggen: ‘Een sjlemiel is iemand, die op zijn rug valt en zijn neus breekt.’ (MEYER SLUYSER, 1959)
— ‘Kerootje, kerootje’, roept een vrouw met een zwarte omslagdoek, bij de brug van de Sint Anthoniebreestraat om haar gekookte biet in het zuur aan te prijzen. Ik bauw haar na, met een gemaakt jiddisch accent. Vader kijkt me
verschrikt aan en zegt bestraffend: ‘Je mag arme sjlemielem niet in de maling nemen. Opa heeft ook met een kar handel op straat gelopen toen hij als sigarenmaker geen droog brood meer kon verdienen. Ik hoop dat je dat nooit zult vergeten.’ (SAL SANTEN, 1987)
— De Nederlandse joden speelden een rol van naar het onderworpene zwemende bescheidenheid en ontmoetten daarom weinig weerstanden. Louis Davids was toen het populairste joodje, hij was dan ook de kleine burgerman, die hele kleine burgerman. Moos, de stereotype moppenfiguur, was de slimme schlemiel, vooral toch het laatste. (HERBERT J. KALMANN, 1993)
— Een Jiddische mama heeft het absolute alleenrecht om onredelijk en onberekenbaar te zijn. De gemiddelde joodse papa is haar onderdaan, een schlemiel van de bovenste plank. Buiten de deur mag hij heel wat voorstellen en succesvol zijn, maar thuis is hij de schlemazzel die van alles de schuld krijgt en die zich wel twee keer bedenkt voordat hij zich tegen de aantijgingen van zijn echtgenote verweert. (SIMON HAMMELBURG, 1996)

Zie ook gazerebbe, hobbeljongen, kaalf Mozes, slome duikelaar

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schlemiel (Jiddisch schlemiel)
sjlemiel (Jiddisch schlemiel)

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

slemiel TL 908. Verwijst niet naar Jiddisje oorsprong. Er zijn voor dit veel gebruikte woord diverse etymologieën aangedragen. Ik volsta met verwijzing naar RT s.v.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

schlemiel, schlemielte ongeluksvogel, domkop; het meest waarschijnl. is een afleiding van schlimm; er zijn echter verschillende andere hypothesen bijv. Sjeloemie-el, de stamvorst van Simon, die dan identiek zou zijn met Zimrie ben Saloe Numeri XXV, 14 en Numeri VII, 36; vrouwelijke vorm met suffix te; z. slemiel.

slemiel ndl. volkstaal; van schlemiel.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

schlemiel < jidd. etymologie onzeker; ongeluksvogel, domkop.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Sleemiel, ongeluksvogel, onnoozele, onhandige, verongelijkte, hebr. shlemiel. Vandaar Chamisso’s Peter Schlemihl, de man zonder schaduw.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schlemiel slappeling 1906 [Aanv WNT] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2072. Slemiel.

l. Sjlemielig (ongelukkig).

Schlemiel beteekent arme jongen, ongeluksvogel, lummel; vgl. Op R. en T. 122: Ik ben en blijf toch een schlemiel, d'r zit geen affaire voor me an vandaag! A. Jodenh. 4: Sjlemielig (ongellukkig) in 't sjpel, 'n bemazzel in de liefde; II, 27: 'n sjlamielige week; II, 2: reuzesjlemiel (domkop); II, 14: sjlamielieteit (ongeluk); Köster Henke, 59; Günther, 86; Voorzanger en Polak, 287; Woordenschat, 1069. Door sommigen wordt dit woord afgeleid van Sjeloemiël, die vermoord werd (Num. I, 6); Tijdschr. voor Taal en Lett. IX, 120; X, 81: sjlamiel, slecht; een sjlamiel sos, een slecht paard.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal