Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schim - (schaduw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schim zn. ‘schaduw’
Mnl. schim, schem ‘schaduwbeeld, schim’ in dat vergaet haestelic als een schim ‘dat vergaat zo snel als een schaduw’ [1400-50; MNW], des schems der doot ‘van de schim der dood’ [ca. 1450; MNW]; vnnl. schim ‘geest van een overledene’ in Een schim, een' geest gelijck en enckel been, en vel ‘een schim, een geest gelijk en vel over been’ [1640; iWNT]; nnl. schim ‘vage gedaante’ [1857; iWNT].
Mhd. schem ‘schaduw’; on. skim ‘glans’; < pgm. *skima-; nno. skimte ‘(zwak) schijnen; ontwaren’; nzw. skymta ‘id.’, <pgm. *skim-atjan-. Het woord hoort bij de wortel van → schemeren.
schimmig bn. ‘niet duidelijk zichtbaar, vaag’. Nnl. schimmig ‘niet fel’ in een schimmig licht ... over het IJ en de stad ‘een licht dat schaduwen werpt ...’ en de berken met hun schimmig loover [beide 1851; Gids], ‘niet duidelijk zichtbaar’ in omdat ... ik mij van Amy slechts een flauw en schimmig beeld kan vormen [1870; Gids]. Jonge afleiding van schim, aanvankelijk bij de verouderde betekenis ‘schaduw’, later bij de gewonere betekenis ‘vage gedaante’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schim* [schaduw] {schim, schem [schaduw, beeld van afwezige, geestverschijning] 1437} van de stam van schemeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schim znw. v., Kiliaen schimme (Holl.), met zeker secundaire -mm- naast mnl. scim, scem ‘schaduw, schim’ en on. skim ‘glans’. — Zie verder: schemeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schemer znw., bij Kil. in de bet. “schaduw”, evenzoo reeds laat-mnl., als tenminste scēmerachtich “schaduwrijk” (1488) van schemer komt en niet evenals dit znw. zelf van ’t ww. schemeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schim v., Mnl. id. + dial. Hgd. schiem, Eng. shim, On. skim: van denz. wortel als scheem, maar met ander suffix.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

schim [sjim], schemp, sjim: naam, slechte naam, reputatie, gezicht, bewijs; op je schim verschut gaan: gearresteerd worden; loene/linke schim: valse naam; agere schim: andere (valse) naam; schimmen trekken: fotograferen; (de juiste schrijfwijze zou “sjim” moeten zijn; die vinden we alleen in de samenstellingen die hierna genoemd worden) ook: de Naam, God (als los woord meestal geschreven als sjem, zie aldaar). Zie ook: addesjim, sjimborregoe, sjimjismereine. | < Jidd. sjem < Hebr. sjeim: naam.

— Ik zal je veeberen op een agere schim.* (W.L.H. KÖSTER HENKE, 1906)
— Maak de schim asjewijne (verdonkeremaan de bewijzen). (W.L.H. KÖSTER HENKE, 1906)
— Ik zette een loene schim in ’t nachtboek. (H. VAN AALST, 1946)
— - Weet je nog hoe Herry Doks, die toe ook juis e grote verkoop gedaan had, ze segaar angestoke het mit e bankie van vijf-e-twintig? ’t Staat me nog veur as de dag van vedaag... schimjis-mareine!... nog zie ‘k ’t ponem van zo e Jan, weut ‘k veul, as toen ie van de donder geslage te kijke het gestaan! (IS. QUERIDO, 1901)

* Ik zal je schrijven onder een andere (valse) naam.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schijnen, denom. van schijn, afl. op n van den Germ. wt. ski = blinkend zijn, glanzen. Het Os. sein (Mnl. scheme) bet. zoowel glans als schaduw, vandaar ons: schemeren (z. d. w.) en schim.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schim* schaduw 1437 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sk̑āi-, sk̑ǝi- : sk̑ī- ‘gedämpft schimmern; Schatten (Abglanz)’, sk̑ii̯ā- ‘Schatten’; sk̑ī-ro- ‘klar’

Ai. chāyā́ ‘Glanz, Schimmer, Schatten’, av. a-saya- ‘wer keinen Schatten wirft’, np. sāya ‘Schatten, Schutz’;
gr. σκιά̄ f. (sk̑ii̯-ā) ‘Schatten’, σκιερός, hom. σκιόεις ‘schattig, dunkel’, σκίρον ‘Sonnenschirm’ (formal = alb. hir, mit Länge got. skeirs); mit der Stufe sk̑ā[i]-: σκηνή, dor. σκᾱνά̄ ‘Zelt, Bühne, Szene’, σκῆνος, dor. σκᾶνος n. ‘Zelt; Leib (als Hülle der Seele)’; σκῆν ‘Schmetterling, Motte’ Hes.; σκίναρ n. ‘Leib’;
alb. , hie ‘Schatten’ (*sk̑ii̯ā), hir ‘Gnade’ (= gr. σκίρον), (h)ona ‘Schatten’ (*skēi-n-?), geg. huj ‘Gott’;
aisl. skī n. ‘Heuchelei’ (: gr. σκιά̄), got. skeinan ‘scheinen, leuchten, glänzen’, aisl. skīna ds., ahd. ags. scīnan ds., nhd. scheinen (n-Präs., vgl. aksl. sinǫti; ob auch in lat. scintilla ‘Funke’ eine Bildung von einem ähnlichen Ausgangspunkt aus vorliegt, ist fraglich (Ableitung eines *sk̑i-nto- ‘glänzend’?); aisl. skīn n., as. skīn, ahd. scīn m. ‘Schein, Glanz’; ags. as. scima, mhd. scheme ‘Schatten’, nhd. Schemen ‘schattenhafte Gestalt’, aisl. skimi m. ‘Glanz’, nhd. schimmern, Schimmel usw.; got. skeima ‘Leuchte, Fackel’, ahd. as. scīmo, ags. scīma m. ‘Licht, Glanz’; mhd. scheim ds.; ohne s- wohl norw. hīm, hīma, wie skīm ‘dünne Decke, Häutchen’ (als ‘durchscheinend’, vgl.:) aisl. skjār m. ‘durchsichtige Haut, Fensterrahmen’; got. skeirs ‘klar’, aisl. skīrr, ags. scīr ‘durchsichtig, hell, rein’, mhd. (md.) schīr ‘lauter’, nhd. schier; aisl. skǣrr ‘rein, klar’ (*skairi-r), afries. skēria ‘reinigen’;
lett. seja (*k̑ei̯ā) ‘Schatten, Spiegelbild, Gesicht’;
aksl. sijati, sinǫti ‘glänzen, hell werden’, sěnь ‘Schatten’ (neben stěnь für *scěnь); čech. čirý ‘lauter’, russ. ščíryj ‘wahrhaft, echt’ (got. Lw.?), ksl. *širъ ‘offen’, Adv. širý usw.;
toch. В skiyo ‘Schatten’ (= gr. σκιά̄).

WP. II 535 f., WH. I 131, Jokl L.-U. 60 ff., Trautmann 304.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal