Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schikken - (regelen, ordenen; gelegen komen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schikken ww. ‘regelen, ordenen; gelegen komen’
Mnl. sc(h)icken ‘plaatsen, voegen, verrichten, regelen, (iemand) bestemmen, zenden e.d.’ in Ende waer si was hare entare Scicti hem altoes neven hare ‘en waar ze ook was, hier of daar, hij voegde zich altijd naast haar’ [1340-60; MNW-R], en verder slechts enkele voorbeelden in du saelt di scicken dattu den sondach selt eren ‘je moet je ertoe richten dat je de zondag in ere zult houden’ [1390-1410; MNW-R], so sullen die hooftmans twe ofte drie van oor ghesellen up den dijck ofte werf schicken ‘dan moeten de aanvoerders twee of drie van hun mannen naar de dijk of de kade sturen’ [1407-50; MNW], om te ramen ende te scicken die hebbelicheden der steden ‘om de behoeften van de stad te bepalen en te vervullen’ [15e eeuw; MNW]; nnl. schikken ‘gelegen komen’ in Het schikt voor zeer weinige vrouwen als Auteurs bekend en beroemd te worden [1793; iWNT].
Afleiding met intensiverende verdubbeling van de oorspronkelijke medeklinker *k van de wortel van het Proto-Germaanse sterke werkwoord *skehan- dat ten grondslag ligt aan → geschieden ‘plaatsvinden’ en zie ook → schielijk ‘spoedig’. Het woord lijkt oorspr. de functie van een causatief ‘doen plaatsvinden, doen bewegen’ te hebben gehad.
Mnd. schicken; mhd. schicken [11e eeuw; Kluge] (nhd. schicken ‘zenden’). Het Zweedse skicka ‘zenden’ is aan het mnd. ontleend, evenals het zn. skick ‘toestand, gewoonte’.
Het woord is uitsluitend continentaal West-Germaans. De rijkdom aan betekenissen en betekenisnuances die het woord aanvankelijk had, is zowel in het Nederlands als in het Hoogduits sterk gereduceerd. Als overgankelijk werkwoord kan men in het Nederlands o.a. spreken van het schikken van een zaak ‘de kwestie onderling regelen’ of van een voorwerp (bijv. kledingstuk) of verzameling voorwerpen (bijv. bloemen) of personen ‘ordenen’; wederkerend kan zich schikken bovendien ‘berusten’ betekenen. Als onpersoonlijk werkwoord betekent het schikt ‘het komt gelegen’. Zie ook → beschikken (al 13e-eeuws) en → geschikt. Ten slotte kent men in het BN de constructie schikken te plus infinitief ‘van plan zijn’.
schikking zn. ‘ordening; accoord’. Mnl. sc(h)ickinghe ‘het schikken (in de diverse mnl. betekenissen)’: schickyng ‘zending’, gaids schickyng ‘noodlot’ [1477; Teuth.]; nnl. in het bijzonder ‘akkoord, overeenkomst tussen partijen waarbij van weerszijden wat wordt toegegeven’ [1757; iWNT]. Afleiding van schikken met het achtervoegsel → -ing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schikken* [ordenen] {schicken [in het leven roepen, regelen, bestemmen, zenden] 1357} een intensivum van middelnederlands schien (vgl. geschieden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schikken ww., mnl. scicken ‘ordenen, voegen, totstand brengen, bestemmen, zenden’, mnd. schicken ‘ordenen, gereed maken, volvoeren, richten, zenden’, mhd. schicken (nhd. schicken). — Met intensieve -kk- bij germ. *skehan ‘snel gaan’, waarvoor zie: geschieden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schikken o.w., Mnl. scicken + Mhd. schicken (Nhd. id.): met kk uit Idg. qnʼ intensief van (ge)schieden (z.d.w. en schooien).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjikke (ww.) sturen, zenden; < Duits schicken.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schikken, sjikken, sjieken, ww.: sturen. Mnl. schicken ‘scheppen, bezorgen, wenden, bestemmen, zenden’. D. schicken ‘sturen’, Mhd. schicken ‘maken dat iets gebeurt, bewerken, zenden’, Mnd. schicken. Causatief bij Ohd. skehan ‘rondtrekken’, Mhd. schehen ‘jagen, rennen’, D. geschehen ‘gebeuren’, oostelijk Mnl. schien ‘geschieden, gebeuren’. De grondbet. is dus ‘doen lopen’, maar ook ‘doen gebeuren, beschikken’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schikken, sjikke sturen (Barger Compascuum, Gennep, Neeritter). = hgd. schicken ‘sturen’. Een oudere betekenis ‘ordenen’ zit in nl. schikken, beschikken en hgd. schicksal ‘noodlot’. ~ hgd. geschehen ‘gebeuren’ (= mnl. geschien) zoals hgd. zücken ~ hgd. ziehen.
OV III 149, Kluge 645, Van Dinter 159, Kocks 1068.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geschieden van den Germ. wt. skeh = gaan, vgl.: Got. skewjan = gaan; Ohd. scehan = snel gaan; waaraan ons schicht, schichtig, schielijk herinnert. Ook schoe(n) leidt men van dezen wortel af. – Geschieden (in ’t Mnl. gescien voor gescihen, waarin later de d is ingelascht) ziet dus op het voorbijgaan, op het zich voordoen van een of ander voorval. Ook schikken behoort als caus. (tevens intens., de h wordt k) bij dezen stam: het bet.: doen gaan, in orde brengen om te doen gaan, regelen, ordenen, klaar maken; vgl. geschikt en beschikken. (Het Hgd. schicken bet. zenden, en dit is letterlijk óók: doen gaan; zie Zenden).

Geschieden van den Germ. wt. skeh = gaan, vgl.: Got. skewjan = gaan; Ohd. scehan = snel gaan; waaraan ons schicht, schichtig, schielijk herinnert. Ook schoe(n) leidt men van dezen wortel af. – Geschieden (in ’t Mnl. gescien voor gescihen, waarin later de d is ingelascht) ziet dus op het voorbijgaan, op het zich voordoen van een of ander voorval. Ook schikken behoort als caus. (tevens intens., de h wordt k) bij dezen stam: het bet.: doen gaan, in orde brengen om te doen gaan, regelen, ordenen, klaar maken; vgl. geschikt en beschikken. (Het Hgd. schicken bet. zenden, en dit is letterlijk óók: doen gaan; zie Zenden).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schikken ‘regelen, ordenen; (gewestelijk) zenden, sturen’ ->? Duits schicken ‘sturen, zenden’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skikke ‘(verouderd) zenden; (verouderd) passen, gedragen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skikke ‘gedragen, passen; verzenden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skicka ‘sturen, verzenden; beschikken’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo skeki (ouder: skikki) ‘regelen, ordenen; (op)schikken; opsmuk’; Surinaams-Javaans sekig, nyekig ‘schikken (van bloemen)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schikken* regelen, ordenen 1357 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1996. In zijn schik zijn,

d.w.z. opgeruimd, blij, in zijn nopjes zijn, in zijn sas zijn, opgezet zijn met iets, zooals men in Zuid-Nederland zegt. Het znw. schik, afgeleid van het wkw. schikken, voegen, passen, ordenen, bet. eig. ordeKil.: Schick, dispositio, ordo, accommodatio; Plantijn: sonder schick, sans ordre. (vgl. fri.: hy is der mei yn oarder, in zijn schik), zoodat in zijn schik zijn eig. wil zeggen: goed in elkaar gevoegd, in orde zijn, zijn zooals het behoort, in welken zin het voorkomt bij Hooft, Ged. I, 102; Tac. Jaarb. 260, en thans nog dialectisch gebruikt wordt; vgl. Ten Doornk. Koolman III, 121 a: dat is nêt in de schik (niet in orde); Rutten, 201: van schik, gelijk het behoort; Tuerlinckx, 552: iemand van schik, een deftige persoon; iet van schik, iets fatsoenlijks; Waasch Idiot. 577 b: schik noch voeg hebben, van een kleed dat hoegenaamd niet past; geenen schik hebben (Antw. Idiot. 1078); fri. in ding sonder skik of fatsoen, onbehaaglijk van vorm; Molema, 365: schik, goede vorm; schiks halven, welstaanshalve; met schik, met fatsoen. Vandaar toegepast op iemands gemoedstoestand: goed, aangenaam, prettig gestemd zijn (mnl. in sijn gevoechMnl. Wdb. II, 1819., in welke bet. we het lezen bij Sart. II, 6, 33: Hier is hy in gras-duynen; hier is hy in sijn schik; Brederoo III, 397, vs. 19; 402, vs. 18; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1146; Geboorteklock, 735; Virg. I, 182; II, 22; 55; 102; Joannes de Boetgezant V, vs. 610:

 Zy schaft het juichende haer' vader op den disch,
 Voor koningklijck bancket, en zet zich aen de zijde
 Van moeder, in haer schick, en noit voorheen zoo blijde.

Sewel, 704: Alles is op zynen schik, all is in orderVgl. Brederoo III, 68, vs. 1702: Het lustich lyf wel op syn dreef en schick.; in zynen schik zyn, to be very well pleased; Eckart, 456: 't is in schick (in ordnung); to schick kâmen, zustande kommen; ik bin nich recht upp'n Schick, nicht recht gesund; enz.; fri. yn (of op) syn (of 't) skik wêze; hy hat skik yn 't libben, hij heeft plezier in het leven, is opgeruimd van aard; Afrik. baie in sy skik met iets wees. Dial. beteekend schik hebben, tieren, goed kunnen aarden (V.d. Water, 128); vgl. Gunnink, 200: schik, plezier, deeg; evenzoo V. Schothorst, 195.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kek-, skeg- ‘springen; lebhafte Bewegung’

Gr. κεκῆνας· λαγωούς. Κρῆτες Hes. (‘Hase’ als ‘Springer’);
air. scēn ‘Schrecken’ (*skek-no-); scochid, jünger scuchid (*skoketi) ‘weicht, geht fort, geht zu Ende’ (Konj.-St. scess-, Perf. scāich ‘ging fort, war vorüber’); di-ro-uss-scoch- ‘übertreffen’ (*’hervorspringen’), cymr. ysgogi ‘to stir’, bret. diskogella ‘schütteln’;
ahd. scehan st. V. ‘eilen, schnell fortgehen’, mhd. nhd. geschehen, ags. scēon schw. V. ‘geschehen, eilen’, mhd. schehen schw. V. ‘schnell einherfahren, eilen’, ahd. skihtīg ‘scheu’ (got. skōhsl n. ‘böser Geist, Unhold’ als ‘einherfahrend’ oder ‘schüttelnd’ hierher?); Faktitiv mhd. schicken (‘vonstatten gehen lassen’) ‘bereiten, ordnen, senden’, nhd. schicken; ahd. gesciht ‘Ereignis’, nhd. Geschichte, mhd. schiht ‘Anordnung, Schicht (bei Bergleuten, und sonst)’; mit gramm. Wechsel: aisl. skaga ‘hervorspringen, hervorstechen’, skagi m. ‘Landzunge’, dehnstufigskōgr m. ‘Wald’; ags. tōscecgan ‘sich scheiden’, sceaga m. ‘Gebüsch’ (aus ‘Wald’); auch aisl. skegg n. ‘Bart’ (*skaggja-), ags. sceagga ‘Haupthaar’, aisl. skeggja f. ‘Streitaxt’ (vgl. nhd. Barte ds.);
ksl. skokъ m. ‘Sprung’, Perfektiv aksl. skočiti, Imperf. skakati ‘springen’; mit Alternation sk:ks lit. šókti ‘springen’, lett. sâkt ‘anfangen’, lit. šankìnti ‘springen machen’.
Auslautvariante auf -g-: skeg- ‘eilen, springen, schütteln’ (= ‘springen machen’) in: ai. khajati ‘rührt um’ (Dhātup.), khája- m. ‘Gewühl’, khája-, khajaka- m., (lex.) khajā f. ‘Rührstock, Butterstößel’; aisl. skaka st. V. ‘schwingen, schnitteln’, ags. sceacan ‘schütteln (engl. shake); eilen, weggehen, fliehen’; as. skakan st. V. ‘weggehen, entfliehen’ (nd. schacken ‘schütteln, rücken’), ahd. unt-scachōndes ‘fluctivagi’; ahd. scahho m. ‘Vorgebirge’, mhd. schache m. ‘Stückeinzelstehenden Waldes’, nhd. bair. schweiz. Schachen ds., aisl. skekill ‘Landzunge’.
fraglich ist Zugehörigkeit von afries. skāk m. ‘Beute, Raub’, ahd. scāch m. ‘Räuberei, Raub’, ags. scēacere, ahd. scāhhari ‘Räuber’, nhd. Schächer (eigentlich ‘schweifen, oder mit dem Raub laufen’?).

WP. II 556 f., Trautmann 262.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal