Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schieten - (een projectiel afvuren, (zich) snel verplaatsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schieten ww. ‘een projectiel afvuren, (zich) snel verplaatsen’
Onl. skietan ‘beschieten’ in scietint ‘zouden beschieten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. schieten ‘schieten, afschieten (een projectiel)’ [1240; Bern.], ‘neerschieten’ in Ende scoetene doet ‘en schoot hem dood’ [1285; VMNW], ‘verliezen’ dat sire in Welna algader haren sin Geschoten hadde ‘dat ze daarbij haast alle lust was kwijtgeraakt’ [1265-70; VMNW], ‘schieten’ in diverse betekenissen in Die schijn ... die ... Lutgarden uten monde schoet ‘het schijnsel dat plotseling uit Lutgards mond kwam’ [1265-70; VMNW], in corter stont sciet soe hare saet ‘na een korte tijd legt zij haar eitjes’ [1276-1300; VMNW], alle die ghescoete die men sciet van ghelde ‘alle (polder)belastingen die men in geld voldoet’ [1282; VMNW], alle de scaren van dien dieren comen vp hem ghescoten ‘al die dieren (hyena's) komen in troepen op hem toegeschoten’ [1287; VMNW], dat welna al dat iaer groiet ende sciet ‘dat bijna het hele jaar door groeit en loten schiet’ [1287; VMNW], Dan eerst sciet soe hare venijn ‘dan pas laat ze haar gemeenheid zien’ [1290-1310; MNW-R].
Os. skietan (mnd. scheten); ohd. sciozan (nhd. schießen); ofri. skiāta (nfri. sjitte); oe. scēotan (ne. shoot); on. skjóta (nzw. skjuta); Krim-Gotisch schieten; alle hoofdzakelijk ‘schieten, wegwerpen’, on./ohd. ook ‘vooruitschuiven’, < pgm. *skeutan-. Hierbij hoort met lange ū i.p.v. eu ook *skūtōn-, zie → schuit; met ablaut het nomen agentis *skutjō-, zie → schutter, en de abstracta *skuta- ‘het schieten’, zie → schot 2, en met umlaut *skuti-, zie → scheut. Wrsch. hoort ook → schutten hierbij.
Verdere herkomst onduidelijk. Volgens LIV verwant met: Sanskrit códati ‘drijft voort’; Albanees hedh ‘werpt’; < pie. *(s)k(w)eud- ‘voortdrijven’ (LIV 560). Geografisch dichterbij staan Litouws šáuti ‘schieten, voortduwen’ en Oudkerkslavisch sovati ‘id.’, die wijzen op een pie. wortel *skeu-, die in het pgm. uitgebreid is met een dentaal.
Al in de diverse Oudgermaanse talen heeft het woord uiteenlopende overgankelijke en onovergankelijke betekenissen. De oorspr. betekenis en de betekenisontwikkeling zijn daarom onduidelijk, zoals wel vaker het geval is bij werkwoorden van beweging. Bij de ruimtelijke toepassingen van het woord lijkt het betekeniselement ‘snelle of plotselinge beweging’ redelijk algemeen; het is ook herkenbaar in enkele jongere, afgeleide betekenissen en in combinatie met voorzetsels, bijv. te hulp schieten, in de lach schieten, te binnen schieten, iets laten schieten ‘ervan afzien’, wortel schieten, foto's schieten, verschieten ‘verbleken’ (oorspr. gezegd van schrikkende personen), erbij inschieten ‘verloren gaan’ (als door een afgevuurd schot), opschieten.
Opvallend is de al zeer vroege en ook in het Oudengels en Oudnoords voorkomende betekenis ‘bijdragen, een betaling verrichten, een belasting voldoen’. In het Nederlands is deze betekenis nog herkenbaar in de samenstelling geldschieter ‘verstrekker van geld’ en in → voorschieten. Hierbij hoort ook mnl. sc(h)ot ‘soort belasting op landgebruik of op de opbrengst van het land’, zoals in die hureware sael euuelike scot ... gelden ‘het gehuurde land moet altijd belasting opbrengen’ [1268; VMNW], en bovendien al in het Oudnederlands als glosse skot ‘soort belasting’ [12e eeuw; ONW]. Zie ook → beschot 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schieten* [projectiel met werktuig werpen, snel bewegen] {oudnederlands scietan 901-1000, middelnederlands schieten [(zich) snel bewegen, werktuig werpen]} oudsaksisch skiotan, oudhoogduits sciozzan, oudfries skiata, oudengels sceotan, oudnoors skjóta [schuiven]; buiten het germ. litouws skudrus [snel], oudkerkslavisch iskydati [naar buiten werpen], albaans heth [werpen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schieten ww., mnl. scieten ‘zich of iets snel bewegen; uitspruiten, schieten, werpen’, onfrank. scietan, os. skiotan, ohd. scioʒʒan (nhd. schiessen), ofri. skiāta, oe. scēotan (ne. shoot), on. skjōta, krimgot. schieten ‘snel bewegen, schieten, duwen’. — Zie: scheut, schoot, schot, schuit, schut en geschut.

Vergelijkt men oi. skundate ‘haast zich’, lit. skudrùs ‘flink’, dan wijzen verder oi. čodayati ‘drijft aan’, osl. kydati ‘werpen’, op een wortel *(s)keud (IEW 955-956). Het Germ. kent alleen vormen met s-; deze wt. *skeu vat Benveniste Origines 164 als afl. van *sek ‘snijden’ op (waarvoor zie: zaag). — Misschien steekt deze wt. *skeu in de nl. waternaam Schie (zie Schōnfeld, Waternamen 1955, 83). — Bij deze etymologie stuit men op het bezwaar hoe uit ‘snijden’ een bet. ‘werpen’ kon zijn ontstaan; daarvoor kan men er aan herinneren, dat de wt. *sek een term van het primitieve bosbedrijf is: men snijdt de twijgen om de huiswand te maken; later werpt men er de natte leem tegen om deze te dichten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schieten ww., mnl. scieten “zich of iets anders snel bewegen”, specialer o.a. “uitspruiten, (een pijl e.dgl.) schieten, werpen”. = onfr. scietan, ohd. scioʒʒan (nhd. schiessen), os. skiotan, ofri. skiâta, ags. scêotan (eng. to shoot), on. skjôta, krimgot. schieten “snel bewegen, schieten, duwen”. Germ. *skeutô “ik beweeg snel” = alb. heϑ “ik werp”, idg. *sqeudô of *sḱeudô. Met *sqeudô zouden oi. skú-n-date “hij springt vooruit, ijlt”, lit. skudrus “flink, scherp”, eventueel ook met overdr. bet. gr. skudmaínō, skúzomai “ik ben boos” e.a. verwant kunnen zijn, hoogerop de bij hotsen besproken vormen met q-anlaut, — idg. sḱeud- kan een verlenging zijn van sḱeu-, waarvan ksl. sovati “werpen, slingeren”, lit. száuju, száuti “schieten”; een dgl. verlenging met d is bij gieten besproken. In de basis van gieten ziet men wel een anlautsvariant (ĝeu-d-) van sḱeu-d-. Vgl. nog scheut, schoot, schot, schuit, schut, geschut.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schieten. Als we van idg. *sḱeu(d)- moeten uitgaan, zijn wellicht in de eerste plaats te vergelijken lit. šáudyti ‘herhaaldelijk schieten’, lett. šaudrs ‘snel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schieten o.w., Mnl. id., Onfra. scietan. Os. skiotan + Ohd. scioʒʒan (Mhd. schieʒʒen, Nhd. schieszen), Ags. scéotan (Eng. to shoot), Ofri. skiáta, On. skjóta (Zw. skjuta, De. skyde) + Skr. wrt. skund = vooruitspringen, Alb. heθ, Osl. kydati = werpen; daarnevens de s-looze vorm van gieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjete (ww.) schieten; Aajdnederlands skietan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schieten (schoot, heeft geschoten), (ook, niet alg.:) schieten op, doodschieten (een mens).Dilap twijfelde even. ’Als ik ren, schiet hij me direkt. La’ me rustig lopen’, dacht hij (Behr 26). - Etym.: In AN veroud., wel gebr. met een dier als object.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schieten, van den Germ. wt. skut = schieten, Skr. skund = sprong; het woord ziet dus op de snelle beweging.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schieten ‘snel bewegen; projectiel met werktuig werpen’ ->? Menadonees skit ‘slaan’; Negerhollands skud, skit, skiet ‘wegwerpen, projectiel met werktuig werpen’; Berbice-Nederlands skiti ‘projectiel met werktuig werpen’; Papiaments skit ‘projectiel met werktuig werpen; zich verplaatsen, weggaan; ejaculeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schieten* projectiel met werktuig werpen 0901-1000 [WPs]

schieten* snel bewegen 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1745. Iemand overhoop (loopen, schieten, steken).

In het Middelnederlandsch werd over hoop gebruikt in de beteekenis van ter neder, omver, ‘welke zich bij het begrip vallen geleidelijk uit die van te zamen, de eene hoop op den anderen ontwikkelt’; bijv. Lanc. II, 38800: (Hi) reetter daer vive over hoop, dat si daer vielen metten perde sere gequetst op die eerde; Mnl. Wdb. III, 579; V, 2178. Voor lateren tijd zie Ndl. Wdb. XI, 1763; vgl. ook hd. jem. über den Haufen schieszen.

522. Onder iemands duiven schieten.

In eigenlijken zin wil deze uitdr. zeggen: schieten onder de duiven van een ander, wat in vroegeren tijd uitdrukkelijk verboden was. Koning Filips verbood bij plakkaat van 13 April 1559 ‘dat iemand eenige Zwanen of Duiven, met bussen of met bogen zou schieten.... op verbeurte de eerste reize van vijf en twintig gulden, te appliceeren ten behoeve van den Grave, of ten behoeve van de Pachters der Zwanerij, of van de Vasallen Zwanerij hebbende en gebruikende, en Eigenaars of bezitters der Duifhuizen of Duivenwachters twee derdenparten, enz.Zie Nederlandsch Placaat en Rechtsk. Wdb. II, 408. De Staten-Generaal vaardigden 11 Januari 1642 eveneens een verbod uit op het schieten van duiven. Oorspronkelijk zal de uitdr. dus willen zeggen schieten onder de duiven, die behooren in het duifhuis of duivenkot van iemand, die dit in eigendom of in leen bezat.In Rijnland moest men twaalf morgen land hebben in eigendom of in gebruik om duifhuizen of duivekotten op te richten; Placaat v/h Hof v. Holland 20 Januarij 1591; zie ook Stallaert I, 380. Op deze duiven te schieten was verboden; toch zal menigeen dit stilletjes hebben gedaan, te eerder, omdat duiven gemakkelijk onder schot te krijgen zijn. Vandaar iemand benadeelen, op geheime wijze onderkruipen, oneerlijk concurreeren, hem zijne klanten afhalen. De uitdr. is ook in geheel Zuid-Nederland bekend; zie Schuermans, 110 b; 587 b; Joos, 110; Rutten, 58; Antw. Idiot. 383 en De Bo, 908: ‘bezig zijn met ze (duiven) te stelen, met er een deel van weg te rooven. Fig. iemand onderkruipen, hem van eene winst of voordeel berooven om er zelve 't genot van te hebben, op eene onrechtveerdige of ten minste trouwlooze manier concurrentie aandoen’; 't Daghet XII, 142; vgl. Waasch Idiot. 345: in iemands klaver zitten, hem zijnen handel benadeelen, hem onderkruipen; syn. van in iemand's rapen zitten; 't Daghet XII, 160: zich in zijn koolen laten weiden (vgl. hd. jem. in seinen Hafer gehen). In Friesland: onder immens douwen sjitte naast in immens druven of druvebeam sitte (W. Dijkstra, 395 aIn de heerlijkheid Hemmen in de Betuwe houdt de ‘heer’ er nog een groote duivenslag op na; mededeeling van Dr. S.S. Hoogstra, die mij ook op den oorsprong der uitdrukking wees..

2023. Een schot(je) voor iets schieten (of steken),

d.w.z. een afsluiting of versperring ergens aanbrengen; fig. iets tegenhouden, den voortgang beletten; mnl. iet verscutten; 17de eeuw: schutten; in de Zaanstreek ergens den duim tusschen zetten (Boekenoogen, 183). Een ‘schot’ is een planken afsluiting, een beschot, schutting (vgl. het wkw. afschieten), terwijl ‘schieten’ moet worden opgevat in de beteekenis van snel er voor schuiven. De uitdr. komt in de middeleeuwen voor bij Hild. 212, 9 in den zin van eene afsluiting maken voor iets, en verder overdr. bij Sart. II, 8, 46: hy sal daer, Godt wouds, een schut voor schieten; Hooft, Ged. I, 140: U schoonvader Tijndar schoot een schot voor sulcken quaet; ook Warenar, vs. 805; bij Winschooten, 237: Ik sal daar wel een schot voor schieten: oneigendlijk, ik sal dat wel beletten. Zie verder Vondel, Virg. I, 38: o Bacchus, schiet een schot voor zulck een zwaricheit; II, 18: Het noodlot schiet er een schot voor; W.D. Hooft, Verl. Soon, 13; Asselijn, 232; 235; 239; Tijdschr. VIII, 122; H.S. 50: Ik zal daar een schotje voor leggen; C. Wildsch. I, 61; V. Janus, 143: Daar hoop ik een schutjen voor te steeken; Sewel, 710: Ik zal 'er een schot voor schieten, I'll put a stop to it; I will prevent it; Halma, 578: Ik zal daar een schut voor schieten, j'empêchera que cela n'arrive; in het fri.: ik scil dêr in skoatteltsje (grendel) foar strike of ik scil dêr in boerdtsje foar skutte; in Limb. er iemand een spijken vóór zetten ('t Daghet XII, 111); hd. der Sache einen Riegel vorschieben; einen Pflock vor etw. stecken. Syn. in de 16de eeuw een scof scuven voor of tegen iets (zie Despars I, 280; V. Ghistele, Virg. Aen. 123 b); in de 17de eeuw: een knoop slaan voor iets (Doeden, 15).

2113. Met spek schieten,

d.w.z. liegen, opsnijden, met de leugenpees schieten (Harreb. II, 18 a); fri. mei spek scjitte, waarvoor men in Groningen ook zegt een spekkoegel op 't geweer hebben (Molema, 565 a); in het Haspengouwsch er onder schieten (Rutten, 200 a). Deze uitdr. wordt aangetroffen in het Boek der Rabauwen en Naaktridders, 37: Hoort hoe hy met speck daer schiet; Klucht van Claes Cloet, 12 v: Je hoeft mit gien speck te schieten; in V.d. Venne's Tafereel van de Belacchende Werelt, 45: Schoot ick somwijl mittet speck, dickwils snoerden ick mijn beck; bij Winschooten, 229: Met spek schieten, te weeten, om brand te veroorsaken in des vijands schip: oneigendlijk iemand scherp aan tasten: en sijn saaligheid lustig zeggen: hij schoot geweldig met spek: hij gaf hem genoeg te ruiken’. In de Bisschop voor Groningen op de maniere van Tragi-Comedie door C.H. 4de Uytkomst:

 Geeft lardum cameraden
 T'sa groetwe te gelijck en te gelijck weer ladenAangehaald door G. Kalff, Gesch. d. Ndl. Ltk. V, 139..

Vandaar een spekschieter, een druktemaker, iemand die den baas speelt, in welken zin we dit woord lezen in Pamfletten, Muller no. 584, anno 1607, 4 v:

 Hy spreeckt de waerheyt, so recht als een sickel mach wesen.
 Jae al had den Duyvel sijn tonghe belesen,
 So en mocht hy niet beter roeren sijnen duyme.
 Alsulcke Spec-schieters zijn in 't Pausdom opgheresen,
 Die soo konnen Philosopheeren int ruyme
 Ghelyck als onsen I.H. hier volgt sijn costume.

De ontwikkeling der beteekenissen kan dus zijn: met een met spek voorzienen brandkogel schieten; geweldig aantasten, een uitbrander geven, met grof geschut schieten, groote woorden gebruiken, opsnijden, bluffen, liegenIn het Ndl. Wdb. III, 1759 wordt met spek schieten vergeleken met het verouderde, thans nog in Friesland bekende, builen met (oor)kussens (of met hooi) slaan, eig. iets onmogelijks (beweren te kunnen) doen, bluffen, pochen. Dat deze verklaring niet juist is, blijkt uit Grimm VII, 2036 en Schiller und Lübben IV, 307 b, die eene plaats citeert, waar werkelijk sprake is van schieten met spek, dat eene verschrikkelijke uitwerking heeft.. In de bet. ‘iemand onder handen nemen’, ‘de les lezen’ komt de uitdr. in de 18de eeuw nog voor bij Sewel, 738: Hy schoot lustig met spek op hem, he upbraided him severely, he gave him his shareOpmerking verdient, dat men te Antwerpen ook zegt: met laaien schieten (dus met vlammen schieten) in den zin van liegen, eene uitdrukking, die de hier gegeven verklaring eenigen steun kan geven (Schuerm. 3r9 a, doch niet in het Antw. Idiot.). Volgens het Waasch Idiot. 385 b zegt men ook met de lade (zou Schuerm. dit bedoelen?) schieten, liegen, naast met draadkens schieten, uitdrukkingen, die mij niet zeer duidelijk zijn, doch blijkbaar haren oorsprong vinden in het weven. Of moeten we denken aan ‘lade’ in den zin van uitgeholde gedeelte, waarin de loop rust, voorheen ook de affuit van een kanon? Zie Ndl. Wdb. VIII, 899.. Zie verder Tuinman I, 32; Afrik. met spek schiet; hy skiet nie alleen met spek nie, maar hy gooi met die heele vark; Harreb. II, 284; Amstelv. 152: Leeuwen, tijgers, giraffen, die door een zekeren Roosevelt met spek geschoten zijn in de binnenlanden van ‘Humbug’; Nw. School, VII, 244: Zoo'n schutter met het spek zijner opgeblazenheid; De Amsterdammer, 26 Jan. 1924, p. 6 k. 2: Met leede oogen heb ik de toenemende onzedelijkheid op handels- en scheepvaartgebied, zich uitend in het met spek schieten bij het opmaken der jaarbalansen.... waargenomen; Ndl. Wdb. XIV, 586. In Zuid-Nederland is de uitdr. eveneens in den tegenwoordigen zin bekend, volgens Schuermans, 587 b; Joos, 93; Antw. Idiot. 2052: met spek schieten, liegen. Voor het nd. vgl. Wander IV, 677: er Scheust mit spek (in Hessen von einem Lügenhaften).

2568. In zijn wiek geschoten zijn,

d.w.z. zich beleedigd gevoelen, op zijn teenen getrapt zijn; in zijn gat gebeten zijn (Zuidndl.Antw. Idiot. 445; Tuerlinckx, 204.), zich geraakt gevoelen; ook verlegen zijn, onthutst zijn; eig. gezegd van een vogel, wiens vleugel geraakt is. Vgl. Van Eijk II, 95; Harreb. II, 457: Hij is in zijne wiek geslagen (of geschoten), hij is verlegen, en weet zich niet te helpen; Nkr. VII, 26 April p. 2: Je was danig in je wiek geschoten, toen ik niet toehapte; IX, 24 April p. 2; Nkr. III, 5 Sept. p. 4:

 In Breukelen is 't hommeles
 Onder de bondgenooten.
 De anti-revolutionnaire lui
 Zijn in hun wiek geschoten.

Het Volk, 19 Sept. 1913 p. 2 k. 4: Het katholieke blad ‘Het Huisgezin’ is danig in zijn wiek geschoten door onze opmerking dat in Brabant onderwijzeressen van 72, 74 en 82 jaar ‘werkzaam’ zijn; 28 Maart 1914 p. 5 k. 3: De burgemeester van Groningen, die in zijn edelachtbare wiek geschoten was, omdat Polak eenige felle dingen had gezegd over het nieuwe gebouw der universiteit; 5 Maart 1913, p. 5 k. 2: En de vrouw, in d'r wiek geschoten, blijft nog even als lamgeslagen staan; 6 Aug. 1914 p. 5 k. 4: De onderwijzer was er een beetje door (een teleurstellend antwoord) in zijn wiek geschoten; Propria Cures, XXVI, 317: Ben jij door d'almanak-kritiek zoo in de wiek van je Pegaas geschoten? Elders in den zin van verlamd, gefnuikt; zie Opr. Haarl. Cour. 24 Sept. 1923 p. 6 k. 2: Terwijl er bezuinigd wordt op ziekte-, ouderdomszorg en het lager onderwijs in zijn wiek geschoten door het opofferen van het 7de leerjaar, heeft het woord geklonken: op alles bezuinigen, maar op de vloot niet.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)keud-2 ‘werfen, schießen, hetzen’; intr. ‘dahinschießen, eilen, hervorschließen’

Ai. cṓdati, cōdáyati ‘treibt an, drängt’, np. čust ‘flink, tätig, passend’, ai. skundatē ‘eilt’ (Dhātup.);
gr. κυδίας ‘Zahnkeim’, Hes. (?); alb. heth ‘werfe, worfle’ (für *hedh aus *skoudei̯ō?);
aisl. skjōta, ags. scēotan ‘schleudern, stoßen, schießen’, ahd. sciozanschießen, werfen, schnellend bewegen’; ahd. scoz ‘Geschoß, Schößling’, scuz ‘Schuß, Wurf, Schnelligkeit’, aisl. skjōtr, ags. scēot ‘schnell’, got. skaut ‘Schoß, Saum’, aisl. skaut n. ‘Zipfel, Ecke, Schoß, Vorsprung’, ahd. scōz ‘Zipfel, Kleiderschoß, Rockschoß’, mnd. schott (-tt-) ‘(vorgeschobener) Riegel, Verschluß’, wovon schutten ‘abdämmen, hindern, schützen’, mhd. nhd. schützen;
ohne anlaut. s-: mhd. hossen, hotzen ‘schnell laufen’, nhd. dial. hutzen ‘antreiben, hetzen’ (wie ai. cṓdati), auch ‘stoßen’;
lit. skudrùs, skaudrùs ‘flink’; lett. skaudrs ds., skudra ‘Ameise’; aksl. is-kydati ‘herauswerfen’, russ. kidátь ‘werfen’, kídkij ‘rasch, bereit, gierig’.

WP. II 554 f.;s. auch unter skeu-5 und skeub-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal