Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schier - (wild, snel, bijna)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schier bw. ‘bijna’
Onl. skiero ‘snel’ in wie gewunnest thu so sciere ... daz ‘hoe verkreeg je dat zo snel?’ [1151-1200; ONW]; mnl. schiere ‘snel’ in de verbinding harde schiere ‘heel snel’ [1220-40; VMNW], ‘spoedig’ in de verbinding iet schiere ‘binnen afzienbare tijd’ [1265-70; VMNW], ‘bijna’ in de verbindingen schiere altoos, schiere emmer ‘bijna altijd’ [1265-70; VMNW] en (zeldzaam) daarbuiten, zoals in Overspel en is schiere gheen scande ‘Overspel is nauwelijks een schande’ [1400-20; MNW].
Mnd. schere ‘spoedig; bijna’; ohd. sciero ‘snel, spoedig; scherp’ (nhd. schier ‘bijna’); < pgm. *skē2ro.
Wrsch. een afleiding van de wortel pie. *skeh2i- ‘splijten, scheiden’, zie → scheiden. In de andere Indo-Europese talen bestaan geen tegenhangers met hetzelfde r-achtervoegsel.
De betekenis ‘scherp’ van dit bijwoord hangt duidelijk samen met de betekenis ‘scheiden, snijden’ van de onderliggende wortel. Voor de betekenis ‘snel’ moet men te rade gaan bij het aanhorige bijvoeglijk naamwoord ohd. scieri ‘scherpzinnig bij het onderscheiden’ (een woord met een andere herkomst dan schier ‘wit, grijs’), dat een snel doorzien van iets impliceert. Uit ‘snel’ zal in bepalingen van tijd de betekenis ‘bijna’ zijn voortgekomen, zoals bijv. ook gebeurd is met al gauw ‘bijna’ uit gauw ‘snel’.
schiereiland zn. ‘stuk land dat bijna geheel door water is omgeven’. Nnl. Schierëland [1804; iWNT eenzelvig], Schiereiland [1824; iWNT]. Samenstelling van schier ‘bijna’ en → eiland, als leenvertaling van Latijn paen-īnsula ‘schiereiland’, letterlijk ‘bijna-eiland’ (Engels peninsula enz.), gevormd met een eerste lid paene ‘bijna’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schier2* [wild, snel, bijna] {schier(e) [snel, in korte tijd, plotseling, aanstonds, zoëven, haast, bijkans] 1220-1240} middelnederduits scher(e), oudhoogduits skieri, skioro [snel, direct]; van een i.-e. stam met de betekenis ‘snijden, scheiden’, waarvan ook scheiden.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schier

Anna Bijns schrijft in een harer gedichten: ic sal schier worden der wormen aes. Zij gebruikt het woord schier in de oorspronkelijke betekenis: snel, vlug, spoedig, weldra. Men brengt het woord in verband met het werkwoord schijnen en de oorspronkelijke betekenis zou dan zijn: een ogenblik schijnend, flikkerend. Uit de betekenis gauw volgt die van: kort tevoren, zoeven en daaruit is die van: bijna, nagenoeg voortgekomen. In die betekenis is schier beperkt tot de verzorgde schrijftaal. In de spreektaal gebruikt niemand het meer, maar in een klucht van Breero zegt iemand: sinnewer (= zijn we er) nog niet schier? Toen was het woord dus blijkbaar heel gewoon. Wel is nog bekend de samenstelling schiereiland voor: land dat bijna een eiland is omdat het aan de meeste zijden door water wordt omringd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schier 3 bijw., mnl. sciere, scier ‘snel, spoedig, terstond, bijna’, mnd. schēr(e) ‘snel, weldra, bijna’, ohd. scēro, sciaro, scioro ‘snel, terstond’, hetzelfde woord als ohd. scēri (< *skēiro) ‘scherpzinnig’. — Van de idg. wt. *skei ‘snijden, scheiden’ waarvoor zie: scheiden. — De bet. van ohd. scēri wordt verklaard door die van lat. scire ‘weten’; beide dus eigenlijk ‘onderscheiden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schier bijw., mnl. sciere, scier “snel, vlug, spoedig, terstond, weldra, bijna”. = ohd. scêro, sciaro, scioro “snel, terstond”, mnd. schêr(e) “snel, weldra, bijna”. Bijwoord bij ohd. scêri “sagax, acer ad investigandum”, ndl. dial. (vel.) schier “wild, onbesuisd”. Was de oorspr. bet. “sagax”, zie dan de bij scheen vermelde etymologie. Anders wellicht van den bij schijnen besproken wortel, met de oorspr. bet. “flikkerend”? Germ. *skê-ri- zal wel ê uit êi hebben, zoodat we van een i-wortel moeten uitgaan (vgl. hier).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schier 1 bijw. (bijna), Mnl. schiere = snel + Ohd. sciaro (Mhd. schiere = snel, Nhd. schier = bijna): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schiere (B, K, O, DB), schier (K), zn. v./o.: gekke bui, nuk (D, K, 0, P, DB), zottin, gekke, grillige vrouw (K). Mnl. schiere ‘snel, haastig, plotseling, onverwachts’, Vroegnnl. schier, rechtevoord ‘incontinent’ (Lambrecht), schier ‘propere, properanter, cito, mox, statim, propediem’ (Kiliaan). Ndl. bn./bw. schier ‘nagenoeg’, vero. ‘snel, gauw, spoedig’. Ohd. skiero, scêro, scioro ‘snel, dadelijk’, skieri, scêri ‘scherpzinnig, schrander, snel in het opsporen, vatten’, Mhd. schier(e) ‘dadelijk, snel’, Mnd. schêr(e), D. schier ‘nagenoeg’. Gwl. verklaard uit Idg. *skei- snijden, scheiden’ met r-suffix. Zie ook schier 1. De betekenisontwikkeling gaat dan van ‘vlug onderscheidend’ over ‘vlug’ naar ‘plotseling, plotseling optredend, onverwacht, grillig’ en zn. ‘plotselinge bui’. Vanwege het synonieme schie 2 ligt het verband met schien ‘plotseling gebeuren’ m.i. meer voor de hand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schier ‘bijwoord van hoedanigheid: snel, bijna’ -> Fries skier ‘bijwoord van hoedanigheid: snel, bijna’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schier* bijwoord van hoedanigheid: snel, bijna 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

skē̆i- ‘schneiden, trennen, scheiden’, Erweiterung von sek-; Anlaut z. T. auch sk̑-, skh-, sk̑h-, wie auch in den Weiterbildungen, skai-to-, skoi-to- ‘Brett, Schild’; sk̑id(ǝ)-ro-, sk̑id-to- ‘gespalten’

I. Ai. chyati ‘schneidet ab’, Partiz. chāta-, chitá- ‘abgeschnitten’, Kaus. chāyayati (mit sk̑-, wie:);
av. fra-sānǝm ‘Zerstörung’, sā-, sya- ‘wehren’;
gr. σχάω (*skhǝi̯ō, Impf. ἔσχwν, Inf. κατα-σχᾶν), σχάζω (Neubildung, Schwyzer Gr. Gr. 1, 716) ‘ritze, schlitze auf’ und ‘lasse fallen, schlaff herabhangen, hemme, stehe offen’, σχάσις ‘das Ritzen, Schröpfen; Loslassen’, σχάσμα n., σχασμός m. ‘Einschnitt’, σχαστήριον ‘Lanzette, Riegel’, σχαστηρία ‘das (zur Abtrennung der Zuschauer dienende) Seil vor der Rennbahn’;
lat. sciō, scīre ‘in Erfahrung gebracht haben, wissen’ (‘scheiden, unterscheiden’), dēscīscō, -ere ‘abtrünnig werden, sich lossagen’, scīscō, -ere ‘(durch Abstimmung) entscheiden, beschließen, verordnen’ und ‘zu erfahren suchen’, plēbīscītum ‘vom Volke gefällte Entscheidung’, scītus ‘gescheit’ (wie mhd. geschīde, nhd. gescheit zu *skēi-t-);
in der Bedeutung ‘ausscheiden’ (vgl. aisl. skīta unten S. 921) mir. sceïd ‘erbricht’ (*skei-i̯e-ti, idg. *skei-), Verbaln. sceith f. (aus *sceth, idg. *ski-tā, davon:) cymr. chwydu, bret. c’houeda, mcorn. hweža ‘sich erbrechen’; aus ir. scethach ‘zum Brechen reizend’ stammt aisl. skjaðak n. ‘Taumellolch’;
mir. scïan f. ‘Messer’, (*skii̯enā) daraus cymr. ysgïen ‘Messer, Schwert’; mir. scaīlid ‘läßt los, zerstreut’ (*skǝi-l-), air. erscaīliud ‘Zerteilung’;
aisl. skeina ‘leicht verwunden’; als ‘*abgespaltenes Holzstück, u. dgl.’: mhd. schīe m. f. ‘Zaunpfahl’, ags. scīa m. ‘Schienbein’, woneben (vgl. ahd. bīa : bini ‘Biene’) germ. *ski-nō(n) in ags. scinu f., scine-bān n. ‘Schienbein’, ahd. scina ‘Schienbein’, auch ‘Nadel’, norw. skĭna ‘kleine Scheibe’; afries. skidel ‘Armknochen’ (-dla Formans); westfläm. schier ‘Holzblock’ (*skī-ro-); von ‘*unterscheiden’ aus: ahd. skērī ‘scharf, scharfsinnig’ (*skēiro-); mhd. schier ‘schnell’, Adv. ahd. skēro, skioro ‘schnell’, mhd. schier(e) ds., ‘fast’;
lett. šk’ieva ‘Spalte im Holz’ und lit. skivytas ‘Fetzen’ haben wohl v aus dv, so daß zurd-Erweiterung lit. skíedžiu, lett. škiežu;
aksl. cěvnica “λύρα” (eig. ‘fistula’), russ. cěvjë ‘Griff, Handhabe’ und ‘Schienbein’, cěvka ‘Spule, Röhre; Schienbein des Pferdes’, usw.; daneben mit Palatal: lit. šeivà, šaivà, lett. saiva ‘Weberspule’ (bsl. *kōi-u̯ā, *(s)kēi-u̯ā, *(s)k̑ōiu̯ā).
II. Dentalerweiterungen skē̆i-d-, -t- (d, t z. T. präsensbildend, z. T. das nominale Formans-to-):
A. Formen auf -d-; im Ar. und Arm. mit sk̑-, im Balt. mit sk-:
ai. chinátti, themat. chindati ‘schneidet ab, spaltet’, Kaus. chēdayati; chēda- m. ‘Schnitt, Abschnitt’, chitti- ‘das Spalten’ (: lat. scissiō), chidrá- ‘zersplittert’, n. ‘Spalt, Loch’, chidira- m. (lex.) ‘Axt, Schwert’ (: av. sidara-, gr. σκιδαρός, ahd. scëtar, lett. šk’idrs ‘undicht’; vollstufig lit. skied-rà); av. saēd- ‘spalten’, avahisiδyāt̰ ‘er möge zerspalten’, sidara- (leg. sidra-) n. ‘Loch, Öffnung, Riß’, a-sista- ‘nicht gespalten’, balūčī sindag ‘spalten, brechen’;
arm. c̣tim ‘ritze mich, zerkratze mir mit den Nägeln die Haut’;
gr. σχίζω ‘spalte, trenne’, σχιστός (= av. á-sista-, lat. scissus) ‘geteilt, getrennt; teilbar’, σχίδαξ ‘Splitter, Schindel’, σχίζα f. ‘Scheit’, σχινδαλμός, Koine σκινδαλμός ‘Holzsplitter’, ἀνασχινδυλεύω ‘spieße auf’; makedon. σκοῖδος ‘Behörde’;
lat. scindō, -ere, scicidī, scissum ‘schlitzen, zerreißen, spalten’; scissiō ‘das Spalten’;
mbret. squeigaff, nbret. skeja ‘schneiden’ (-ž- aus -dj-, *skidi̯ō); cymr. ysgwydd (*skeid-), corn. scuid, bret. scoaz ‘Schulterblatt’;
air. scīath ‘Schulterblatt, Schwinge’ (þ statt ð nach scīath ‘Schild’);
ohne anlaut. s- vielleicht cymr. cwys f. ‘Furche’ (*kēid-tā-);
ahd. scīzan, ags. scītan, aisl. skīta ‘scheißen’ (*’ausscheiden’), mhd. schīze f., aisl. skītr m. ‘Durchfall’; ahd. scetar ‘dünn, lückenhaft’, mhd. schiter(e) ds., nhd. (obd., schles.) schitter (*skidro- = ai. chidrá- usw);
ohne anlaut. s- vielleicht aisl. hīt f. ‘Fellsack’;
lit. skíedžiu, skíesti ‘trennen, scheiden’, Iter. skáidyti (: got. skaidan, ai. chedayati), skiedà und skiedrà, skiedarà ‘Span’, skíemenys Pl. ‘der Raum, durch welche das Weberschifflein geworfen wird’, ap-skīdęs ‘zerfranst’, paskýsti ‘sich zerstreuen’; ohne anlaut. s- (durch diss. Schwund?) wohl sukìdęs ‘zerlumpt, zerfasert’;
lett. šḱiedu, šḱiest ‘zerstreuen, vergeuden’, šḱiemeńi Pl. ‘die über den Weberhefteln sich kreuzenden Fäden’, šḱīstu, šḱīst ‘auseinanderfallen’, šḱidrs ‘undicht, dünn’, skaîda ‘Span’; über lett. šḱieva ‘Spalte’, s. oben S. 920;
damit identisch lit. skíedžiu, skíesti ‘verdünnen’, skýstas ‘dünnflüssig’, lett. skaidīt ‘Getränke verdünnen’, šḱīsts ‘dünnflüssig’ (und ‘rein, klar, keusch’), šḱīstīt ‘reinigen, säubern’, šḱīdināt ‘dünn, flüssig machen’, šḱidrs ‘dünnflüssig’; apr. skīstan Akk. ‘rein’, skīstai ‘keusch’;
aksl. čistъ ‘rein’, čistiti ‘reinigen’, čěśtǫ, čěstiti ‘reinigen’, ksl. čěditi ‘seihen’; russ. ščíryj ‘wahrhaft, echt’; vgl. auch oben S. 917;
B. Formen auf -t-:
air. scīath m. ‘Schild’, cymr. ysgwyd, abret. scoit, nbret. skoed ds. = aksl. štitъ ‘Schild’, (ursprüngl. ‘Brett’), woneben mit Abtönung apr. staytan (lies scaytan) ‘Schild’ und lat. scūtum ds.;
aisl. skīð n. ‘Scheit, Schneeschuh’ (‘Ski’), ags. scīd ‘Scheit’; ahd. scīt ‘Holzstück, Scheit’ (*skīto-), mhd. schīten ‘spalten’, schīden ‘trennen, scheiden’, geschīde ‘gescheit, schlau’, aisl. skīðī n. ‘Scheide’; ablautend mhd. scheite ‘Holzspan’ und schwundstuf. ahd. scidōn ‘scheiden’, scidunga ‘Scheidung’, mhd. schit, -des m. ‘Scheidung, Unterscheidung’;
got. skaidan ‘scheiden’, ags. scēadan ‘scheiden, zerstreuen, vergießen’ (so auch mnl. scheiden ‘Blut vergießen’); ahd. sceidan (Partiz. ki-sceitan) ‘scheiden’; aisl. skeið n. ‘Stück Raum oder Zeit, Laufbahn’, as. skēth m. ‘Unterschied’, mhd. scheit f. ‘Scheidung, Wasserscheide’; ags. scēada, mnl. schēde, as. skēðlo ‘Scheitel’, mnd. schēdel m., schēdele f. ds., ahd. sceitilo ds.;
aisl. skeið f. ‘Weberkamm’, Pl. ‘Schwertscheide’ (‘eig. die beiden Holzscheiben in dieser’), ags. skǣð, scēað, ahd. sceida ‘Schwertscheide’, auch ‘Trennung, Grenze’, as. skēðia ds., ags. sceaðel ‘Weberkamm’;
mhd. schedel ‘Schädel, auch Trockenmaß’, mnl. schedel ‘Deckel, Augenlid’ (ndl. scheel ‘Deckel’), mnd. schedel, schidele ‘Schachtel’ aus *skiþla-, idg. *ski-tlo-, eigentlich ‘(abgeschnittene) Schädeldecke’; auf einem to-Partiz. von skēit- oder skēi-d- (vgl. lat. scissus) beruht ahd. scesso ‘rupes’;
III. Labialerweiterungen:
skē̆i-p-: gr. σκοῖπος m. ‘die Grundbalken, auf denen die Ziegel ruhen’; σκί̄πων ‘Stab, Stock’ (eig. ‘*abgespaltener Ast’), σκίμπους ‘Ruhebett’ (*σκιμποπους), σκίμπω, σκίμπτω ‘füge ein’; lat. scīpiō m. ‘Stab’; s. auch S. 543 unter k̑eipo- ‘Pfahl’ und S. 930 f. skēp-; gr. σκοίψ· ψώρα Hes. (von sich ablösender Haut);
ahd. scivaro ‘Holz- oder Steinsplitter’, nhd. Schiefer, mnd. schever, mengl. scifra, nengl. shiver ‘Splitter, Stückchen’, mhd. schebe f. ‘Abfall beim Flachsbrechen’, nhd. Schäbe, engl. shive ‘Schnitte’, ferner (als ‘abgeschnittenes Stück eines Stammes’), aisl. skīfa, as. skīƀa, ahd. scība ‘Scheibe, Rolle, Walze’, nhd. Scheibe, wozu aisl. skīfa ‘spalten, in Scheiben teilen’, mnd. schīven, mhd. schīben ‘rollen, Kegel scheiben’ (Kegel schieben durch Entstellung), afries. skīvia ‘teilen’.
skei-b-: got. aisl. ags. skip n. ‘Schiff, Boot’ (‘*ausgeschnittener, gehöhlter Einbaum’), ahd. scif, scef ‘Schiff, Weberschiff’ auch ‘Gefäß’, sciphi n. ‘phiala’, mhd. schipfe ‘Schaufel, Grabscheit’; dazu (als ‘zerschneiden = verteilen’) aisl. skipa ‘zuteilen, bestimmen, ordnen’, mnd. schippen ds.; aisl. skipta ‘teilen, entscheiden, wechseln’, ags. sciftan, mnd. schiften, schichten ‘teilen, ordnen’;
lit. skiẽbti ‘auftrennen’, lett. šḱibît ‘hauen, schneiden, ästeln’.

WP. II 541 ff., WH. II 493 f., 495 f., 503, Trautmann 263 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal