Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheren - (baard afsnijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scheren 1 ww. ‘haren verwijderen, rakelings langs iets gaan’
Onl. skeran ‘scheren’ in thaz corter thero scorenon scapho ‘de kudde geschoren schapen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sc(h)eren ‘haren verwijderen’ in huo si hem gemenlike scheren sullen ‘hoe ze zich allemaal het hoofdhaar moeten scheren’ [1236; VMNW]; vnnl. ook overdrachtelijk ‘snel vlak langs een oppervlak strijken’ in Dat u hooft met eenen pantoffel onsochte Gheschoren wert [1555; iWNT], Sy komen ... by der aerde scheeren ‘ze komen langs de aarde vliegen’ [1653; iWNT].
Mnd. scheren; ohd. skeran (nhd. scheren); ofri. skera (nfri. skarre ‘scheren (wol, riet)’, naast skeare ‘scheren (baard e.d.)’ dat is ontleend aan het nnl.); oe. sceran (ne. shear); on. skera (nzw. skära); alle ‘scheren, afsnijden (o.a. van haar)’, < pgm. *skeran-. Afleidingen van dezelfde wortel *sker- zijn o.a.schaar 1, → scheur, → schort, → schorten en mogelijk → schar, → scherf en → scherp.
Verwant met: Grieks keírein ‘afsnijden, scheren’; Armeens kcerem ‘afkrabben’; Albanees shqerr ‘afscheuren’; < pie. *(s)ker-, *(s)kr-, *(s)kor- ‘afsnijden, afkrabben’ (LIV 556). Wrsch. ook verwant met: Umbrisch kartu ‘zal verdelen’, Latijn carō (genitief carnis) ‘vlees’ (< ‘stuk vlees’, zie → carnivoor); Litouws skìrti ‘scheiden, verdelen’; Oudiers -scara ‘scheidt’; voor deze woorden reconstrueert men een vorm (afleiding?) met laryngaal: pie. *sker-H-, skr-H- ‘scheiden, verdelen’ (LIV 558). Volgens LIV wijken de wortels *(s)ker- en *(s)kerH- in betekenis te veel van elkaar af en zijn zij niet verwant. Zie ook → herfst, → kort en → kuras.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheren1* [baard afsnijden] {scher(r)en 1236} oudsaksisch skeran, oudfries, oudnoors skera, oudhoogduits sceran, oudengels scieran (engels to shear); buiten het germ. latijn caro [vlees, eig.: een afgesneden stuk], grieks keirein [snijden], oudkerkslavisch skora [huid], kora [boomschors], oudiers scaraim [ik scheid], oudindisch kṛntati [hij snijdt] → schaarde, geschoren.

wegscheren, zich* [ophoepelen] {1681} middelhoogduits schern, middelnederduits scheren [snel weglopen], van scheren [schaven], vgl. middelnederlands schaven [zich wegpakken, zich wegscheren].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zich wegscheren

Dit wederkerende werkwoord komt vrijwel alleen in de gebiedende wijs voor. Men zegt: scheer je weg! maar: de dief scheerde zich weg is hoogst ongebruikelijk. Het is waarschijnlijk dat wij het werkwoord aan het Duits hebben ontleend. Daar bestaat in de spreektaal sich scheren voor: zijn biezen pakken, sich packen zoals de Duitser ook zegt. Wij hebben te maken met een werkwoordsstam die verwant is met het Griekse skarein dat: huppelen, springen, dansen betekent en waarvan ook ons woord scherts familie is. Het Italiaans heeft scherzo: grap, spel, een woord dat ook als muziekterm wordt gebezigd. Ook schrikken hoort hierbij. Het gemeenschappelijke in al deze woorden is de vlugge beweging die men maakt, lopend, dansend, aan het schrikken gemaakt, of de benen nemend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheren ww., mnl. scēren (sterk) ‘schaven, schrappen, scheren’, os. skeran, ohd. sceran (nhd. scheren) ‘scheren, afsnijden’, ofri. skera ‘scheren, maaien’, oe. scieran ‘scheren, snijden’ (ne. shear), on. skera ‘snijden, afsnijden, scheren, slachten, beitelen’. — Idg. wt. *(s)ker ‘snijden’: gr. keírō ‘snijden, scheren’, lat. caro ‘vlees’ (umbr. karu ‘deel’), oi. apa-skaram ‘uitsnijding’, kṛṇāti ‘verwonden, doden’, arm. kcerem ‘schaaf’, oiers scaraim, lit. skiriù ‘snijd af, scheid’, alb. kor̃ ‘snijd af’, šker ‘ruk af, los’ (IEW 938-940).

Daarnaast staat een zwak ww. *skarjan, vgl. mnl. scēren ‘scharen, schikken, toedelen, bepalen, beramen, spannen’ (zie: schering). Kiliaen scheeren, scheren ‘gereed maken, voorbereiden, vormen, doen, handelen’, os. skerian ‘toedelen, bepalen, indelen’, ohd. scerian ‘toedelen, bepalen’ (nhd. bescheren), oe. scierian ‘toedelen, beschikken’. — Nnl. zich wegscheren is waarsch. aan het hd. ontleend, vgl. mhd. schern, laat-mnd. scheren ‘snel weglopen’, maar dit hoort eerder bij de wt. *(s)ker ‘springen, rondspringen’, waarvoor zie: scherts. — Zie ook nog: gekscheren.
Voor de samenhang van de uitgebreide van deze wortel afgeleide familie zie vooral J. Trier PBB 69, 1947, 425-432. — Van de wortel *(s)ker zijn verder afgeleid schaar, scheer, scheur, schor en het ww. haren. Verder zijn er afl.
met d zie: schort, schorten
met t zie: schaard, schrander
met b zie: scherp, schrapen
met p zie: scherf, schraven
met n zie: scheerling
met m zie: scherm
met s zie: scharrelen
*skrei zie: schrijven
*skreu zie: schroeien 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wegscheren (zich) ww., nog niet bij Kil. Zie bij scheren, aan het eind.

scheren ww., mnl. scēren (sterk) “schaven, schrappen, scheren”. = ohd. scëran “scheren, afsnijden” (nhd. scheren), os. skëran “id.”, ofri. skëra “scheren, maaien”, ags. scieran “scheren, snijden” (eng. to shear), on. skëra “snijden, stuksnijden, afsnijden, scheren, slachten, beitelen”. Verwant met ier. scaraim “ik scheid”, lat. caro “vleesch”, oorspr. “(afgesneden) stuk” blijkens osk. carneis “partis” en umbr. karu “pars”, gr. keírō “ik scheer, snijd af”, russ. dial. korˊ “mot” (voor de bet. zie bij mol I en mot I), lit. skiriù, skírti “scheiden”, alb. škˊer “ik scheur vaneen”, arm. kʿerem, kʿorem “ik kras, schrijf”, oi. kṛṇā́ti, kṛṇóti “hij wondt, doodt”. Een met t verlengde basis (wellicht oorspr. praesensstam) in lit. kertù “ik houw”, russ.-ksl. črĭtu, črěsti “snijden”, oi. kṛntáti “hij snijdt”, (arm. kʿertʿem “ik vil, schil”?), alb. kˊeϑ “ik scheer”; vgl. ook nomina als lat. cortex “schors”. Uit het Germ. zijn o.a. nog verwant de bij haren, schaar I, schaar II, schaard, scheer, scheur, schor II, schrander besproken woorden, benevens ’t zwakke ww. *skarjanan, mnl. scēren “scharen, schikken, toedeelen, bepalen, beramen, spannen” (hierbij nnl. schering, Teuth. scheryng, mnd. schēringe v.; verder leeft het ww. voort in de ook in ’t Du. voorkomende samenst. bescheren, mnl. nog met zwak verl. deelw. besceert, wsch. ook in gekscheren; vgl. Kil. scheeren, scheren “parare, praeparare, ordinare, formare, fingere, agere, gerere” en zie bij gekscheren), ohd. scerian “toedeelen, bepalen” (nhd. in bescheren), os. skerian “id., indeelen”, ags. scierian “toedeelen, beschikken”; verder mhd. schuor v. “het scheren” (nhd. schur), westf. schôr v. “id., schering.” Zie nog voor verlengde bases scharrelen, scherf, scherp, schort, schorten. Nnl. zich weg-scheren is wsch. een germanisme; mhd. schërn, laat-mnd. schēren “snel wegloopen”, nnl. zich (weg)scheren “id.” = scheren “afsnijden” en niet met scherts verwant. Vgl. mnl. hēnen scāven in gelijke bet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheren 1 o.w. (snijden, afscheren), Mnl. id., Os. sceran + Ohd. sceran (Mhd. schern, Nhd. scheren), Ags. scieran (Eng. to shear), Ofri. skera, On. id. (Zw. skära, De. skjœre) + Skr. kṛṇāti = wonden, Arm. k‘erem = krassen, Gr. keírein (d.i. skeirein) = snijden, Alb. škʼer = vaneenscheuren, Lat. caro = (afgesneden stuk) vleesch, Oier. scaraim, Lit. skírti = scheiden: Idg. wrt. s-qer. Scheren = afdeelen, schikken, toedeelen, Mnl. id., Os. skerian is met e = ä een denom. van schaar 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjiere inspannen gez. v.e. paard (Kerkrade). = hgd. (an)schirren, afgeleid van hgd. geschirr ‘bespanning, gerei, vaatwerk’ ~ scheren, dat oorspr. ‘snijden’ betekent. De betekenis v.h. znw. is dan oorspr. ‘gesneden gerei’.
Amkreutz e.a. 246, Kluge 252.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skeer: baard, hare of wol afsny; rakelings oor iets heenvlieg; Ndl. scheren (Mnl. sceren), Hd. scheren, Eng. shear, hou wsk. verb. m. Gr. keirein, “afsny”, mntl. ook m. Lat. caro, “stuk vleis” (afgesny v. liggaam), verb. met o.a. skaar, skêr, skerf, skerm, skerp, skermutseling.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

scheren. In het kluchtspel Verliefde Breckje [1705] van P.W. van Haps komt de volgende verwensing voor: “O, jou loozen! Weet jij ’t zo te draaijen? ben jy van dat hair, zo scheer jou de boozen.” Vertaald wil dat zeggen: ‘O, jij bedrieger! Weet jij het zo te verdraaien! Moge de duivel je haar zo afscheren dat jij van dat soort bent.’ Deze verwensing sluit aan bij de betekenis ‘het haar afsnijden’. Het kwaad zit hem hier evenwel in het feit dat de duivel uitgenodigd wordt dit te doen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheren, oorspr. snijden, vgl. ’t haar scheren, van den Idg. wt. sker stuksnijden, stukhakken. Daar scheren in de bet. van „den baard scheren” ook het begrip toeliet: maar even aanraken, ontstond de uitdrukking: de zwaluw scheert het watervlak.
In het Mnl. bestond nog een ander scheren, n.1. in de bet. van: afdeelen, schikken, regelen, bijv. de ketting op het weefgetouw scheren = de draden schikken, regelen, netjes naast elkander spannen; van daar schering en inslag; inslag is dan de draad, die door middel der spoel door de schering wordt geslagen: de even scheringdraden wippen omhoog, de oneven omlaag, hier schiet dan de spoel doorheen; bij een volgenden inslag komen de oneven draden boven. Vgl. verder: zijn beschoren lot: zijn afgedeeld, toegedeeld beschikt lot (schikken = ordenen, regelen). – Bij deze bet. behoort ook den gek scheren; immers hier is scheren óók toedeelen, n.1. den tooneelrol; zoo zei men vroeger: den edelman, den grooten heer, den prins scheren (= spelen); den haan scheren: den haan of baas spelen, den beest scheren, den zot scheren, enz. Den gek scheren was dus: voor gek spelen; en met iemand den gek scheren: met iemand dwaas doen; hem voor een gek (of den gek) laten spelen, houden of aanzien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheren ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’ -> Engels sheer ‘sterk van koers afwijken’; Frans déchirer ‘verscheuren; doorklieven; grote morele pijn veroorzaken’ Frankisch; Negerhollands skeer, skēr ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Berbice-Nederlands skeri ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Skepi-Nederlands skler ‘(baard) afsnijden; vlak langs iets gaan’; Sranantongo sker ‘(baard) afsnijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheren* baard afsnijden 1100 [Willeram]

wegscheren, zich* ophoepelen 1811 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

661. Ergens leelijk mee geschoren zijn (of zitten),

d.w.z. geplaagd, gekweld zijn met eene onoverkomelijke zwarigheid, verlegen zijn met iets, blijven zitten met iets. Het volt. deelw. geschoren behoort bij het ww. scheren, snijden, villen, fig. plunderen, kwellen, plagen; vgl. het mnl. ongescoren, niet gekweld, niet lastig gevallen, met rust gelaten; mhd. ungeschorn; nhd. ungeschoren in de uitdr. einen ungeschoren lassen, iemand met rust laten; daarnaast nhd. scheren, plagen, ergeren: es schiert mich; es hat mich geschoren. Zie Mnl. Wdb. VII, 474; Paul, Wtb. 437; Sewel, 264: Geschooren, bedot worden, to be cheated; hy zal er nog meê geschooren zyn, he will have still a great deal of trouble with it; Halma, 175: Ergens mee geschoren of belemmerd zijn, être embarassé de quelque chose; hij zal met den gek geschoren of gebruid zijn, il sera fort embarassé de ce fou; Schuermans, 150; Waasch Idiot. 251 b: met iets of met iemand geschoren zijn, er mee bedrogen zijn; Antw. Idiot. 1072.

1064. Over éen (of denzelfden) kam scheren,

d.w.z. op dezelfde wijze behandelen; geen onderscheid maken tusschen den een en den ander; eene spreekwijze ontleend aan de weverij, zoodat kam hier weverskam beteekent, die breed en fijn is, naar gelang het stuk, dat men weeft, breed en fijn is; eig. wil de uitdr. derhalve zeggen: de draden spannen (scheren) over denzelfden kam, en daarna bij overdracht: iets op dezelfde wijze behandelen, gelijk beoordeelen.Anderen denken aan den haarkam of den wolkam, waarop het haar genomen wordt, waardoor het snijden gelijkmatig kon geschieden. Zie Mnl. Wdb. III, 1135; Ndl. Wdb. VII, 1040; XI, 243; Grimm, V, 102; Halma, 253 en 561. Vgl. Campen, 133: Hy scheertste al te saemen over eenen cam; Hooft, Ned. Hist. 215; 291; in de 17de eeuw ook op denzelfden kam scheren (o.a. bij Hondius, Mouf. 141; 338; Poirters, Mask. 146) en iemand op eenen anderen kam zetten, iemand anders behandelen (Coster, 30, vs. 598); fri. alles oer ien kaem kjimme naast alles oer ien line lûke (over éen lijn trekken). Vergelijk hiermede Joos, 78: ze zijn op eenen kam geschoren; De Bo, 485; Waasch Idiot. 322 a; Antw. Idiot. 614: zij zijn in (op of door) denzelfden kam geschoren, d.i. zij verkeeren in denzelfden toestand of hebben hetzelfde karakter; in eenen aardigen kam geschoren zijn, in een vreemden, moeilijken toestand zijn; hd. alles über einen Kamm scheren, über einen Leisten schlagen (op dezelfde leest schoeien); nd. alles over ên Kamm scheren (Eckart, 244); eng. to weave all pieces on the same loom, uitdrukkingen, die in beteekenis overeenkomen met de vroegere met éen kwast of kwispel overstrijken (Van Effen, Spect. XI, 45; De Brune, Embl. 308); over denzelfden stok water doen dragen (Marnix, Byenc. (ed. 1640), 4 b; De Brune, Embl. 256) en met denzelfden boender schrobben (Com. Vet. 71Door contaminatie van over één kam scheren en over één boeg liggen of zeilen is ontstaan alles over êén boeg scheren, dat voorkomt in De Arbeid, 15 April 1914, p. 4 k. 3: Het spijt mij dat de schrijver alles over één boeg scheert; .... Als het waar is dat alles over één boeg geschoren moet worden, enz.; ze allemaal in één mand spittenN. Taalgids XI, 305..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)ker-4, (s)kerǝ-, (s)krē- ‘schneiden’, (s)ker-bo- ‘schneidend’, kor-tu- ds., skorā- ‘Abschnitt’, kori- ‘beißendes Tier’, skor-do- ‘steil’, skor-do- ‘abgeschnitten’, (s)kr̥-tā- ‘Spalt, Höhle’, kr̥-t-tó- ‘geschnitten’, kr̥̄-nó- ‘abgeschnitten’

I. A. Ai. ava-, apa-skara- ‘Exkremente (Ausscheidung)’; kr̥ṇāti, kr̥ṇōti ‘verletzt, tötet’ (lex.), utkīrṇa- ‘ausgeschnitten, eingeritzt’, samutkīrṇa- ‘durchbohrt’; ai. cárman-, av. čarǝman- ‘Fell, Haut’; vermutlich ai. kr̥vi- (unbel.) ‘ein Webergerät’ (: russ. dial. červь ‘Sichel’, lit. kir̃vis ‘Axt’ (?);
arm. k’orem ‘ich kratze’, k’erem ‘kratze, schabe’;
gr. κείρω (κερῶ, ἐκάρην, κέκαρμαι, καρτός) ‘abschneiden; scheren; abfressen’, κέρμα n. ‘Schnitzel, kleine Münze’, κορμός m. ‘(abgeschnittener) Klotz, Rumpf’, κορμάζω ‘zerstückle’; κόρις m. ‘Wanze’ (= russ. korь f. ‘Motte’: ‘schneidend, beißend, zerbeißend’); Gen. καρός ‘Nichts’ in τίω δέ μιν ἐν καρὸς αἴσῃ, vgl. auch καριμοίρους· τοὺς ἐν μηδεμιᾳ̃ μοίρᾳ … Hes., ferner ἀκαρί n. ‘Milbe’, ἀκαρής, ἀκαριαῖος ‘winzig’, Hes.; ‘schneidend’ scheint die Grundbed. von κάρνος und κάρ ‘Laus’ Hes.; zu letzterem vielleicht κάρον, κάρος ‘Kümmel’ (von der Ähnlichkeit des Kümmelkornes mit einer Laus); mit gr. κώρυκος ‘Ledersack’ vgl. ir. curach ‘Hautboot’, cymr. corwg, cwrwg ds. aus *kŏrukos; vgl. ferner aisl. hǫrr ‘Leinenkleid’, ahd. harra ‘Sack’; mit einer Bed. ‘schneidender Hohn’ hierher κέρτομος ‘höhnend’, κερτομέω ‘höhne, lästere’ (*κερ-στομος ‘ein Lästermaul habend’? im 1. Glied ein Wznomen [s]ker-, oder ein -[e]s-St. *ker-s-); σκέραφος, κέραφος ‘Tadel’ Hes., σκέρ-βολος· λοίδορος, σκερβολεῖ· ἀπατᾳ̃ Hes., σκερβόλλω ‘schmähe’;
alb. hirrë f. ‘Molke’ (*sker-nā; das h nach harr); Lidén KZ. 61, 9 f.;
alb. sh-kjer ‘reiße auseinander’, harr (*skor-n-) ‘schneide aus, jäte’, tsharɛ ‘verderben, verwüsten, sich trennen’, tshartës ‘Scharfrichter’, dehnstufig korr, kuarr (*kēr-n-ō) ‘schneide ab, ernte’;
lat. corium ‘dicke Haut, Balg, Leder’; carō, carnis f. ‘Fleisch’, ursprüngl. ‘Stück Fleisch’ wie Pl. carnēs; umbr. karu ‘Teil’, Dat. karne, Abl. Pl. karnus ‘carnibus’, osk. carneis ‘partis’; umbr. kartu ‘distribuito’; lat. curtus ‘verkürzt, verstümmelt’ (*kr̥-tó-);
air. scar(a)im (*skerā-mi) ‘ich trenne’, cymr. ysgar ‘Trennen’, gwa-sgar ‘zerstreuen’; Kaus.-Iterativ air. scu(i)rim ‘spanne die Pferde ab’, scor ‘Gehege für abgespannte Zugtiere’; auf einem to-Partiz. dazu beruht mir. aurscartad (*air-uss-scart-) ‘Fegen, Reinigen’, diuscart(a)im (*dī-uss-scart-) ‘entferne’; cymr. ysgarthu, dyscarthu ‘reinigen’, ysgarth ‘Kehricht, Spülicht’, carthen ‘purgatoria’ u. dgl.; mir. scairt ‘Netz um die Gedärme, Zwerchfell’; ir. cert ‘klein’; nicht sicher belegt ist mir. coire ‘Schwert’ (s. unten got. haírus); ir. curach, cymr. corwg, cwrwg ‘Hautboot’ zu gr. κώρυκος? s. oben;
aisl. skera ‘schneiden, stechen, abmachen’, ahd. sceran ‘scheren, abschneiden’, ags. scieran ds., as. sker-sahs ‘Schermesser’; ahd. scero ‘Maulwurf’, nhd. Schermaus, norw. vatn-skjer u. dgl. ‘Spitzmaus’ (vgl. unten ags. scierfe-mūs ‘Spitzmaus’); Kaus.-Iter. ahd. scerian, as. skerjan, ags. scierian ‘zuteilen, bestimmen’; aisl. skǫr f. ‘Haar; Rand; Ende’, ags. scearu f. ‘das Haarschneiden; Anteil’, ahd. scara ‘Heeresabteilung, Schar usw.’, mnd. schare f. ds. (daraus aisl. skǫr f., skari m. ‘Schar, Menge’); mit nicht klarer Bed.-Entw. ahd. haram-skara, as. harm-skara, ags. hearm-scearu ‘Strafe, Plage’;
ahd. scar, scaro m., scara f. ‘Pflugschar’, ags. scear m. n. ds., norw. skere (*skarjan-) ds.; aisl. sker n. (*skarja-) ‘Klippe’ (daraus mnd. schere f. ‘Felszacke, Klippe’, nhd. Schäre); ablaut. ags. score ‘(felsiges) Gestade, Küste’, scorian ‘hervorstehen, von Klippen u. dgl.’, mnd. schore, schare ‘Küste, Ufer’, woneben mit -rr-: ahd. scorra ‘schroffer Fels’, scorrēn ‘hervorragen, von Felsen oder Knochen’;
aisl. skarðr ‘beschädigt, verstummelt, verringert’, as. skard ‘zerhauen, verwundet’, ahd. scart, mhd. schart ‘zerhauen, schartig’, ags. sceard ds., aisl. skarð n. ‘Scharte, Loch, Mangel, Schade’, mhd. nhd. scharte, ags. sceard n. ‘Bruchstück’, ablaut. aisl. skorða f. ‘gespaltener Stab’, ‘am oberen Ende gespaltene Stütze’ (vgl. in ähnlicher Bed. mnd. schore, schare ‘Strebepfahl, Stütze’ = engl. shore);
aisl. skor f. ‘Einschnitt, Kerbe, Riß’, mnd. schore m. ds., nnd. schör, schär ‘zerbrechlich, spröde’;
aisl. skyr n. (*skurja-) ‘geronnene Milch’ (: skera-sk ‘sich scheiden = gerinnen’); skurðr m. ‘das Schneiden’; ahd. skerm, skirm ‘Schild (‘*aus Häuten’), Schutz, Bedeckung’, mhd. scherm, schirm, ahd. skirmen (*skirmjan), as. biskirmian ‘beschirmen’;
s-los vielleicht aisl. hǫrund n. ‘Fleisch’; mhd. häre, härwerherb’ (‘schneidend vom Geschmack’; urgerm. *har-wa in finn. karvas ‘herb’); got. haírus, aisl. hjǫrr, ags. heoru, as. heru m. ‘Schwert’ (s. oben mir. coire);
dehnstufig ahd. scār, scāra, Pl. scāri ‘Schere’, as. skāra f. ds., ags. scēar ‘Pflugscher’, Pl. scerero, aisl. skǣri n. Pl. ‘Schere’, hrǣ-skǣrr ‘in Leichen hackend (Adler)’; mhd. schuor f. ‘Schur’, aisl. skø̄ra ‘Kampf’;
lit. skiriù, skìrti, lett. šḱir̃t ‘trennen, scheiden’, lit. karnà f. ‘Lindenbast’, lett. àizkar̂t ‘anrühren’; lit. kę̃ra, kẽro, kérti ‘sich loslösen’; skarà ‘Fetzen, Lumpen’; apr. kērmens ‘Leib’ (s. unten); lit. kir̃vis, lett. cirvis ‘Axt’; vermutlich vom Begriff der abgespaltenen Hautschuppe aus: lit. karaĩ Pl. ‘Steinpocken’ (slav. Lw.?), prakarùs ‘maserig, vom Holz’;
russ. korь f. ‘Masern’ und ‘Motte’ (‘*Schererin’); aruss. kora ‘Rinde’, russ. usw. korá ‘Rinde, Kruste’; wovon u. a. ksl. koricę Pl. ‘Zimt’, russ. koríca ds., kórka ‘Schale, Rinde, Kruste’, korětь ‘hart werden’, bulg. koráv ‘steif, hart’, serb. o-kòreti se ‘steif, hart werden’ usw. (aksl.korьcъ ‘ein Hohlmaß’, russ. koréc ‘Mühlkasten; Schöpfkelle usw.’, slov. korec ‘Körbchen u. dgl.’; vielleicht zu ai. carú- ‘Kessel’ usw., s. ker-);
russ. dial. červь ‘Sichel’ (= lit. kir̃vis, ai. kr̥vi-, s. oben); bsl. *kermen- und keru̯a- n. ‘Bauch, Leib’ in apr. kērmens m. ‘Leib’; slav. *červo n. in aksl. črěvo ‘Unterleib, Bauch’, russ. čerëvo ds. usw. (ursprüngl. ‘ausgeschnittene Tiereingeweide’); fraglich aksl. črěvьjь ‘Sandale’, russ. alt čerevьji Pl. ‘Schuhe’ usw. (*’Haut, Leder’?);
ksl. krъnъ ‘verstümmelt’, okrъniti ‘amputieren’, russ. dial. kórnyj ‘von kleinem Wuchs, kurz’, kornátь ‘stutzen’, (usw. = ai. -kīrṇa-); vermutlich (als ‘abgeschnittene Stange’) aksl. krъma ‘Steuerruder, Hinterende des Schiffes’, r. kormá ‘Schiffshinterteil’ usw.; vielleicht r.-ksl. črěnъ ‘Handgriff’, russ. čéren ‘Heft, Stiel, Griff eines Messers; Pfropfen’.
B. Dentalerweiterungen:
α) (s)ker-d-:
Illyr. Scordus (mons), Σκάρδον (ὄρος): lit. skardùs ‘steil’ s. unten (Jokl, Eberts Reallex. 6, 37); air. scerdid ‘kratzt ab’;
nach den gespaltenen Wurzelknollen: gr. σκόρ(ο)δον n. ‘Knoblauch’, alb. hurdhë, hudhrë ds. (*skord-);
ahd. scherze, scherzel ‘abgeschnittenes Stück’; ahd. scurz ‘kurz’ (mhd. schürzen ‘kürzen’, schurz ‘gekürztes Kleidungsstück’, nhd. Schurz, Schürze), ags. scort ‘kurz’, scortian ‘kürzer werden, fehlen, mangeln’ (scyrte f. ‘Schurz, Hemd’; engl. short ‘kurz’, shirt ‘Hemd’), aisl. skorta ‘fehlen, mangeln’, skort n., skortr m. ‘Mangel’;
mit anderer Vokalstellung (Einfluß von germ. *skraut-, *skrut-?) mnd. schratelen ‘zerschneiden’;
lit. skerdžiù, sker̃sti ‘(Schweine) schlachten’, lett. šḱę̄ržu, šḱe’rst ‘spalten, aufschneiden’, lit. skérdžiu, skérdėti ‘Risse bekommen’, ablaut. skardýti ‘schroten’; skardùs ‘steil’, skar̃dis m. ‘steiles Ufer’ (s. oben illyr. Scordus), skurdùs ‘schmerzlich’, nu-skur̃des ‘zerlumpt’, ostlit.skurstù, skur̃sti ‘Mangel leiden’; lett. skārdît ‘zerteilen’, lit. suskir̃dusios kójos ‘aufgesprungene Füße’, apr. scurdis ‘Bicke, Mühleisen’, aksl. o-skrъdъ m. ‘Werkzeug zum Behauen der Steine’, russ. oskórd ‘großes Beil’, skorodá ‘Egge’, čech. oskrd ‘Mühleisen, Spitzhammer’; nas. lit. skrándas ‘alter Pelz’, skrañdis ‘Viehmagen’, lett. skrandas Pl. ‘Lumpen, Lappen’, apr. scrundos Pl. ‘Schere’.
Über sker-dh- s. u. bes. Schlagwort.
β) (s)ker-t-, (s)kre-t-:
Ai. kr̥ntáti jünger kartati ‘schneidet’ = av. kǝrǝntaiti (daneben kǝrǝnaoiti = ai. kr̥ṇōti, oben S. 938) ‘schneidet; schindet’; Partiz. Perf. Pass. kr̥ttá- (av. -kǝrǝsta-); ai. kartanam ‘das Schneiden’, kr̥tí- m. oder f. ‘Messer’, av. karǝti- ‘Messer’, npers. kārd ds.; ai. karta- m. ‘Trennung, Unterscheidung’, kartá- m. ‘Grube, Loch’ (kāṭá ‘Tiefe, Grund’ daraus mind. Entw.), vielleicht av. -kaša- ‘Bucht’; es können partizipiale to-Bildungen zur kürzeren Wzf. sker- vorliegen; ai. kŕ̥tti- f. ‘Fell’, ni-kr̥tti- ‘Niedermetzlung’; ai. kŕ̥tvaḥ ‘...Male’, -kŕ̥t z. B.sa-kŕ̥t, av. ha-kǝrǝt̰ ‘einmal’, ursprüngl. ‘mit einem Hieb’, wie in ai. sakr̥d-āchinná- ‘auf einmal abgetrennt’, av. hakǝrǝt̰-ǰan- ‘auf einmal tötend’ (vgl. aksl. kratъ ‘mal’, lit. kar̃tas ds.);
ai. kaṭu- (mi. aus *kart-u-) ‘(*schneidend) scharf, beißend’ (: lit. kartùs ‘bitter’);
arm. k’ert’em ‘ziehe die Haut ab, schäle ab’;
alb. kjëth ‘schere’ (*kertō);
lat. cortex ‘Rinde, Borke’, scortum ‘Fell, Tierhaut, Hure’, cēna ‘Mahl’ = osk. kersnu ‘cēna’, kerssnaís ‘cēnis’ (*kert-snā ‘Portion’); umbr. śesna ‘cēnam’, çersnatur ‘cēnāti’;
ahd. herdo ‘vellus’, ags. heorda m. ‘Fell’, nhd. schweiz. herde, härde ‘Schaf- oder Ziegenfell’; ags. herðan Pl. ‘Hoden’ (‘*Hautsack’; aus *haruþjan) mit anderer Vokalstellung aisl. hreðjar Pl. ‘Hodensack’; vielleicht hierher auch got. hairþra, ahd. herdar n., ags. hreðer m. ‘Eingeweide’; Dehnstufe der 2. Silbe in mnd. schrāt (-d-) ‘ein in der Länge abgeschnittenes Stück’, schrāden ‘abschneiden’, schrāt (-d-) ‘schräg (eine andere Linieschneidend)’; allenfalls to-Partiz. zur Basis skrē-;
nasaliert (germ. *skrenþ-, vgl. ai. kr̥ntati): ahd. skrindan, -tan ‘bersten, Risse bekommen’, norw. skrinda ‘Kerbe’; schwundstuf. ahd. scrunda, -ta ‘Spalte, Riß’, nhd. Schrund(e), norw. skrunda ‘Kiste’; mit Abtönung mhd. schranz(e) ‘Riß, Schlitz, geschlitztes Gewand’ (ahd. *scrantussa, vgl. scruntussa ‘Riß’); wfries. schrander ‘scharf’ (von Verstand), usw.; ohne s-: mnd. uprinden ‘aufbersten’ (von Wunden);
lit. kertù kir̃sti ‘haue scharf, schlage heftig’, kir̃stas ‘geschlagen’, lett. cę̄̀rtu, cìrst ‘hauen, hacken’; lit. kir̃tis ‘Hieb’, apr. kirtis ds., lit. ker̃slas ‘Aderlaßeisen’ (*kert-s-lo-), daneben ker̃stas ‘Lanzette’; apr. kersle ‘Haue, Axt’ (= russ. čéresló usw.); lit. karsa ‘Höhle’(*kartsā), lit. kartùs, apr. Nom. Pl. kārtai ‘bitter’; apr. scordo (überliefert stordo) ‘Schwarte’ d. i. ‘menschliche Kopfhaut’ (balt. *skartā); lit. kertùkas ‘Spitzmaus’ (: klr. čertéć ‘große Haselmaus’, vgl. vom einfachen *sker- ahd. scero ‘Maulwurf’ usw.); lit. kar̃tas ‘mal’, víens kart víens ‘einmal eins’, lett. viênkā̀ršs ‘einfach’ (s. oben zu ai. kŕ̥tvas, -kr̥t), lit. kartà ‘Lage, Schicht’, lett. kā̀rta ‘Ordnung, Schicht, Lage’; lit. kirtas ‘Tierlager’;
als ‘abgeschnittenes Stück Holz’ lit. kártis ‘Stange’, lett. kãrts ds., apr. kartano f. ds.; balt. *karta- ‘Trog’ (daraus finn. kartta ds.) in apr. pra-cartis m. ds., lit. prã-kartas ds.; daneben urslav. *karūta- n. ‘Mulde, Trog’ in ksl. koryto ‘alveus’, russ. korýto ‘Trog, Mulde’ usw.; mit durch das Nasalpräsens bedingter anderer Vokalstellung lit. krintù, kritaũ, krìsti ‘abfallen, von Blättern, Früchten’ (vgl. ai. kr̥ntátram ‘Kluft, Spalte, Zerklüftung’);
aksl. na-črъtati ‘ὑπογράψαι’, russ.-ksl. črъtu, črěsti ‘schneiden’, russ. alt o-čeresti ‘eine Grenze bestimmen’ (usw.); klr. čertéć ‘große Haselmaus’ (vgl. oben zu lit. kertùkas); klr. čeresló, poln. trzosło ‘Pflugmesser, Sech’, sloven. črė́slo, čech. tříslo ‘Gerberlohe’; vielleicht russ. alt čerešča, mbulg. (ablaut.) o-črьšta, o-črъšta ‘Zelt’ (wenn ‘aus Fellen oder Rinde’, *k(e)rst-i̯-ā, vgl. ai. kŕ̥t-ti-); vielleicht russ. (usw.) čerët ‘Schilfrohr’ (von den schneidenden Blättern); ksl. kratъ-kъ (= ai. kaṭu-, lit. kartùs), russ. korótkij ‘kurz’ (usw.); aksl. sъ-kraštǫ, -kratiti ‘verkürzen; sich kurz fassen, endigen’; aksl. kratъ in tri kraty ‘dreimal’ usw., poln. trzy-kroć ds. (usw., s. oben zu lit. kar̃tas ‘mal’);
hitt. kartāi- ‘abschneiden, beseitigen’.
Über vielleicht verwandte Worte für ‘quer’ s. unter *skert-s- ‘quer’.
C. Gutturalerweiterung:
*krok-no- in cymr. croen ‘Haut’, Pl. crwyn, acorn. croin ds.; croinoc ‘rubeta’ > corn. cronek ‘crapaud’ neben *krok-inā in gall.-lat. crocina ‘mastruca’, aksl. kruzno, russ. korzno ds.; daraus entlehnt ahd. krusina, kursinna (wozu nhd. Kürschner), afries. kersna, spätags. crus(e)ne ‘Pelzrock’, mlat. crusina; *krokkeno- in mir. crocann, nir. croiceann ‘Haut’, bret. kroc’hen, mcorn. crōghen ds.
D. Labialerweiterungen:
α) (s)kerb/h/-, (s)kreb(h)-:
Mir. cerb ‘scharf, schneidend’, cer(b)aim ‘schneide’;
ags. sceorpan ‘kratzen, nagen’ (wohl auch ‘*schneiden’, vgl. sceorp ‘Kleid’); aisl. skarpr ‘eingeschrumpft, mager, stark, scharf’, ags. scearp, as. skarp ‘scharf, rauh, bitter’, ahd. scarf, scarph, mhd. scharf, -pf ‘rauh, schneidend’; ahd. skurfen, scurphen, mhd. schür(p)fen ‘aufschneiden, ausweiden, (Feuer) anschlagen’, nhd. schürfen;
bsl. *skirbā f. ‘Ritze’ (*skerbhā) in lett. šḱir̃ba f. ‘Ritze, Spalte’, ablaut. šḱerbala und skarba f. ‘Splitter’ und skar̂bs (= nhd. ‘scharf’) ‘scharf, rauh’; dazu lit. skirbti ‘sauer werden’, lett. šḱerbs ‘herb, sauer’; slav. *ščьrbъ m., *ščьrba f. in poln. szczerb m. ‘Scharte, Kerbe’, slov. ščȓb ‘schartig’, ščŕba ‘Scharte’ usw.; russ. ščerbá f. ‘Riß, Scharte, Narbe’;
bsl. *skurbā (*skorbhā) in lit. žem. skur̃bti ‘im Elend sein’, skur̃bė f. ‘Gram’, lett. skùrbstu, skùrbt ‘ohnmächtig werden’; slav. *skъrba f. in slov. *škŕba ‘Scharte, Zahnlücke’, auch slav. skъrbь f. in aksl. skrъbь, russ.-ksl. skъrbь, serb. skȓb, russ. skorbь ‘Gram, Sorge’, skórbnutь ‘welken, kränken’, slov. skrbẹ́ti ‘sorgen’;
lat. scrobis m. f. ‘Grube’; ags. screpan ‘kratzen’, mhd. schreffen st. V. ‘reißen, ritzen, kratzen’; aisl. skrapa (*skrapōn) ‘scharren, kratzen, schaben’, mnd. schrapen ds., mhd. schraffen ‘die Haut ritzen, schröpfen’, schrapfe (*skrappṓ) ‘Werkzeug zum Kratzen’, wovon schrapfen ‘striegeln’, mnd. schrappen ‘schaben, kratzen’; mhd. schrepfen (*skrapjan), nhd. ‘schröpfen’;
lit. skrebė́ti ‘rascheln, rauschen’, lett. skrabt ‘aushöhlen, kratzen, schaben’, skrabinât ‘benagen’, skribinât ds. (Neubildung aus *skrebinat); lit. átskrabai m. Pl. ‘Abfall’; russ.-ksl. o-skrebъ ‘abgeschabt habend’, russ. skrebú, skrestí (skrestь, auch skrebátь) ‘schaben, kratzen’, Iterat. čech. škrabati ‘kratzen’;
mit Reduktionsstufe: cymr. crafu ‘kratzen, reiben, ausbeuten’; lett. kribinât ‘abnagen’;
dehnstufig: skrēbh-, skrōbh-, mit r-Suffix der Name der Hainbuche (nach dem gesägten Blatt): alb. shko-zë (*skrēbh-r-), apr. scober-wis (*skrōbher-), lit. skrúoblas (*skrōbh-ro-), jünger skroblùs, aber lett. (mit sekundärem ā) skābardis, skābarde (*skrōbhar-) ‘Rotbuche’, s. Jokl WuS. 12, 71 ff., und vgl. lit. skir̃pstas unten S. 945;
schwundstufig gr. σκαρφᾶσθαι· σκεδάννυσθαι Hes.;
vgl. auch gerbh-, oben S. 386, und cymr. cramen S. 945.
β) (s)kerp-, (s)krep-:
Ai. kr̥pāṇa- m. ‘Schwert’, kr̥pāṇī f. ‘Schere, Dolch’; karpara- n. ‘Scherbe’ m. ‘Schale, Hirnschale’ (: apr. kerpetis ‘Schädel’, aksl. črěpъ ‘Scherbe’, ahd. scirbi ‘Scherbe’);
alb. karpë, karmë (*korp-n-) ‘Fels, Klippe’ (vgl. lat. saxum : secō; unsicherer krep, shkrep ‘Fels, Abhang’); dazu thrak. Καρπάτης ὄρος ‘Karpaten’;
gr. καρπός ‘Frucht’ (‘Abgeschnittenes, Abgepflücktes’), καρπίζομαι, καρπόομαι ‘ernte’; κρώπιον ‘Sichel’ (idg. *krōp-); mit s- wahrscheinlich σκορπίος ‘Skorpion, ein stachliger Seefisch’;
lat. carpō, -ere ‘rupfen, abpflücken’, ursprüngl. ‘abtrennen’, gloss. scarpo d. i. excarpo ‘eligo’, scarpinat ‘scripithaen’ (ags. ‘die Henne scharrt’); carpinus ‘Hainbuche’ usw. (nach dem gesägten Blatt); vgl. hitt. karpina- ‘ein Baum’;
mir. corrán ‘Sichel’, cirrim ‘schlage ab, verstümmle’ (-rr- aus -rp-) vielleicht ir. corr, cymr. cor ‘Spitze’ (: σκορπίος);
ahd. herbist, ags. hærfest ‘Herbst’ (‘Zeit des Pflückens, Erntens’; wohl ein Superlativ *karpistos ‘am besten zum Pflücken geeignet’); aisl. harfr m. herfi n. ‘Egge’;
mit s-: ags. sceorfan st. V. ‘beißen, zerfressen’, gesceorfan ‘zerreißen, schaben’; scyrft ‘das Schneiden’, ahd. scirbi, mhd. schirbe, später scherbe ‘Scherbe (*scharfkantig schneidend); Kopf, testa’ (s. oben zu ai. karpara-), mnd. scherve ‘Schale’; ahd. scerf, mnd. scherf ‘halber Pfennig, kleinste Scheidemünze’, nhd. Scherflein; ags. scearfian (*skarƀōn) ‘schaben, zerreißen’ = mnd. scharven (daneben scherven aus *skarƀjan) ‘in kleine Stücke zerschneiden’, ahd. scarbōn ds., mnd. scharf ‘Scherbe’, aisl. skarfr ‘schräges Endstück’, norw. skarv ‘Klippe’;
mit anderer Vokalfolge: ahd. screvōn ‘incidere’, mnd. schreve m. ‘Linie (‘*Ritzung’), Strich’, schwed. skreva ‘Felskluft’, aisl. skref n. ‘Schritt’ (‘*Kluft’); ags. scræf ‘Höhle’, mhd.schraf, schrave ‘zerklüftete Felsklippe’, mnd. schravel ‘spitzig, schroff’; mhd. scrove, schroffe m. ‘spitzer (*schneidender) Stein, Klippe’, rückgebildet nhd. Adj. schroff;
als ‘rissige, rauhe Haut’ hierher die Postverbalia aisl. skurfa f. ‘Schorf’, schwed. skorf, ags. skurf, scēorf m. ‘Schorf, Grind’ (zu scēorfan, s. oben), ahd. scorf ds. (daneben norw. skorpa ‘Kruste’, mhd. neben schorf auch schorpf aus geminiertem *skorp[p]-), vgl. lit. kárpa ‘Warze’, lett. kãrpa, kārpis ds.;
lit. kerpù, kir̃pti ‘mit der Schere schneiden’, Iterat. karpýti, atkarpaĩ, ãtkarpos ‘Schnitzel’;krapštýti ‘scharren, stochern’ (Schallwort?); lett. cę̄̀rpu, cìrpt ‘scheren’, cir̃pe f. ‘Sichel’; Iterat. kā̀rpît ‘scharren, die Erde aufwerfen’ (vgl. anord. harfr, herfi); apr. kerpetis ‘Schädel’ (vgl. ai. karpara-);
mit s-: lett. šḱērpêt ‘Rasen schneiden’, šḱērpis ‘Pflugmesser’, šḱērpele ‘Holzsplitter’, šḱirpta ‘Scharte’; mit reduktionsstuf. i: lit. skir̃pstas ‘Rüster’, apr. skerptus ds. (nach den gesägten Blättern), lit. skir̃pstus ‘Rotbuche’;
aksl. črěpъ ‘Scherbe’ (in den neueren slav. Sprachen z. T. auch ‘Schädel’); vermutlich auch urslav. *čъrpǫ, čer(p)ti in aksl. črъpǫ, črěti ‘schöpfen’ (‘mit einer Scherbe Wasser schöpfen’); russ. dial. čerp ‘Sichel’ wohl kontaminiert aus červ und serp m. ds.;
vgl. auch kerǝp- ‘Lappen’ oben S. 581.
E. (s)krē-m-, (s)krǝ-m-:
cymr. cramen f. ‘Schorf’ (mit -mm-), bret. crammen, cremmen ds. (das -mm- expressiv oder aus *-b-m-); mir. screm f. ‘Oberfläche, Haut’ (mit -mm-);
afränk. *scramasaks in ‘cultris validis quos vulgo scramasaxos vocant’ (Gregor v. Tours), vgl. auch scramis (neben scutis, spatis, lanceis, sagittis) in der Lex Visigothorum; mhd. schram f.’Schramme, Schwertwunde’, m. ‘Felsspalt, Loch’, schramen ‘aufreißen’; daneben mit mm : mnd. schram (-mm-) m. ‘Ritze, Kerbe’, schramme f. ‘Ritze, Schramme’ (daraus nhd. Schramme); ablaut. aisl. skrāma ‘Wunde, Schramme; Axt’;
lit. krãmas, lett. krama ‘Grind’; lit. krim̃sti ‘nagen, plagen’, lett. krìmst ‘nagen, klauben’;
ksl. pokromь ‘margo panni’, russ. kromá ‘Brotschnitte, Kante’, ksl. ukromь Adv. ‘singulatim’(‘*abgetrennt’), aksl. kromě Adv. ‘außen, draußen’; ablaut. russ. dial. kremь f. ‘Abschnitt des Waldes’;
vermutlich aksl. kremy, kremenь ‘Feuerstein’; lett. krems ds., ablaut. krams.
F. (s)ker-s-:
Hom. ἀκερσεκόμης ‘mit ungeschorenen Haaren’; att. κουρά̄ ‘das Abscheren der Haare’; κουρίς, -ίδος f. ‘Rasiermesser’, κούριμος ‘geschoren’, κουρεύς ‘Barbier’ usw., κουρίξ ‘bei den Haaren fassend’, κορσόν· κορμόν Hes., κορσόω ‘schere’, κορσωτός ‘geschoren’ usw.;
att. inschr. κουρον ‘lignum sectum’; αἱμακουρίαι ‘Blutopfer’, κούρειον ‘ein Opfertier’;
mir. cymr. usw. corr ‘verkümmert, zwerghaft’ (*korso-);
toch. A kärṣt-, В kärst- ‘abschneiden, zerstören’; hitt. karš-, karšii̯a- ‘abschneiden, verstümmeln’ usw.
II. i-Basis skerī̆-, skrē̆i-, skrī̆- ‘schneiden, scheiden’ auch speziell ‘durch Sieben Grobes und Feines scheiden’; s. oben gr. κείρω, καρῆναι, lit. skiriù.
α) Gr. κρί̄νω (*κρῐν-ι̯ω, vgl. Fut. κρῐνῶ, und lesb. κρίννω) ‘scheide, unterscheide, entscheide’, Partiz. κριτός; κρίμνον ‘grobes Mehl’ (‘das Gesiebte’), κρῖμα, κρίμα n. ‘Entscheidung, Urteil’, κριτής m. ‘Richter’, κρίσις f. ‘Entscheidung’, διακριδόν ‘abgesondert’; κρησέρα ‘feines Sieb’(Ableitung von *κρῆσις, *krē[i]-tis ‘crētiō, Sieben’);
lat. cernō, -ere ‘sichten, scheiden; deutlich wahrnehmen (unterscheiden), erkennen’ (*crĭ-nō); certus (= κριτός) ‘geschieden, entschieden, sicher, gewiß’, Perf. crē-vī- (wonach erst crētum), ex-crē-mentum ‘Ausscheidung’, screa (*skrēi̯ā) ‘Auswurf’, screāre ‘sich räuspern’; discrīmen ‘trennender Abstand, Zwischenraum; Unterscheidung; entscheidender, kritischer Augenblick’, crībrum ‘Sieb, Durchschlag’ (*krē̆i-dhrom);
air. criathar (*krē̆i-tro-) ‘Sieb’, acymr. cruitr ds. (ncymr. crwydr ‘das Hin- und hergehen, Wandern’), corn. croider, mbret. croezr nbret. krouer ‘Sieb’; cymr. go-grynu ‘sieben’ (*upo-kri-nō), bret. gourner ‘Sieb’, cymr. gwa-gr, gogr ds.; gall.-rom. crinare ‘spalten’, oberital. crena ‘Spalt’, usw.; über ir. crīch ‘Grenze, Gebiet’, cymr. crip, crib, corn. bret. krib ‘Kamm’, s. oben S. 619;
ags. hrīdder, hrīddel ‘Sieb’, ahd. rītera, nhd. Reiter ‘grobes Sieb’ (*krē̆i- oder *krī-dhrom); got. hrains (*kroini-), aisl. hreinn, as. hrēn(i), ahd. hreini ‘rein’, nhd. rein, dial. ‘feingemahlen, gesiebt’;
bsl. *krei̯ō ‘trenne, scheide’ in lett. krijât ‘schinden’, krija f. ‘Baumrinde’, lit. krìjas m. ‘Siebreifen’, Pl. krìjos ‘Bast, Rinde’, skrìjos ‘Siebreifen’;
urslav. *krojǫ, *krojiti (altes Kausat.) in ksl. krojiti ‘περιτέμνειν, -σχίζειν, dissecāre’, russ. krojú, krojítь ‘schneiden, zerschneiden; Getreide sieben’;
urslav. *krajь (bsl. *krōi̯a- m.) in aksl. krajь ‘Rand, Ufer’, russ. kraj ‘Rand, Gegend; Ende’, krájnij ‘äußerst’; mit Ablaut aksl. iskrь ‘nahe’; urslav. *krida in osorb. křida, nsorb. kśida f. ‘Sieb’.
β) (d-Präsens?) (s)kreid- in:
mir. scrissid ‘schneidet’ (*skrid-t-);
got. dis-skreitan ‘zerreißen trans.’, dis-skritnan ‘zerreißen intr.’, nhd. schweiz. schrīssen, schreißen, bair. schritzen ‘reißen, schlitzen’, schritz ‘Riß’; as. hrītan oder hrītian ‘reißen, ritzen, schreiben’, aschwed. run. hrita ‘ritzen, einritzen’.
γ) (s)krei-t-: ags. mid-hriðre n. ‘Zwerchfell’; afries. mid-hrith(ere) ds.
δ) Labialerweiterungen:
(s)kerībh- in gr. σκαρῑφάομαι und σκαρῑφεύω ‘kratze, ritze auf, einen Umriß’, σκάρῑφος m. ‘Griffel, Umriß, Skizze’; lat. scrībō, -ere ‘mit einem Griffel graben, einzeichnen, schreiben’, osk. scriftas Nom. Pl. ‘scriptae’, umbr. screihtor ‘scripti’; lat. Lwe. sind ahd. scrīban, as. skrīƀan, afries. skrīfa ‘schreiben’ und die ursprüngl. kirchlichen Worte ags. scrīfan ‘eine Strafe, bes. eine kirchliche Buße auferlegen’, aisl. skript ‘Beichte, Strafe’; unklar ist das p (= bb) in mir. scrīp(a)id ‘kratzt’;
mit idg. -p-: aisl. hrīfa ‘kratzen, scharren’; hrīfa f. ‘Rechen’, afries. hrīvia, ndl. rijven ‘harken, rechen’, ags. gehrīfnian ‘abreißen’; lett skrīpât ‘kratzen, kritzeln; einschreiben’, skrīpsts ‘krummes Schnitzmesser’, skrīpa ‘eingeritzter Streifen’.
III. u-Basis (s)keru-, (s)kreu-, vgl. etwa lit. kir̃vis ‘Axt’, russ. červь ‘Sichel’ usw.; ags. scréawa m. ‘Spitzmaus’, scierfe-mūs ds.:
(s)kreut-: gr. κρουτεῖται ‘kernt aus’ Hes.;
lat. scrūtillus ‘venter suillus condita farte expletus’, dial. scrōtum ‘Hodensack’, hyperurbanisiert scrautum ‘Köcher’ (scrūta ‘Gerümpel’ aus gr. γρύ̄τη ‘Gerümpel’, wie scrōfa aus γρομφάς); scrūtor, -ārī ‘untersuchen, durchstöbern’;
mcymr. ysgrud ‘Skelett’ (*skrou-to-), Loth RC. 43, 166 f.;
ahd. scrōtan ‘hauen, schneiden, schroten’; auch ‘Kleider zuschneiden’ (daher Schröder, Schröter), scrōt ‘Schnitt’ (mhd. schrolle ‘Erdscholle’ aus *skruð-lá-??), ags. scrēadian ‘schälen, abschneiden’, *scrēad(e) f. ‘Stück Zeug’, skrūd n. ‘Kleid’ = aisl. skrūð n. ‘kostbares Zeug, Kleid’; (ohne s-: aisl. hrjōða ‘leeren, vertreiben, verheeren’, hrjōðr ‘Vernichter’); ahd. scrutōn, scrodōn, scrutilōn ‘erforschen, durchforschen’, scrod ‘scrutatio’, und got. and-hruskan ‘nachforschen’ (*krū̆t-skō); hierher wohl mit Nas. und ausl. Media apr. scrundos f. Pl. ‘Schere’.
(s)keru-p-, (s)kreu-p-:
Lat. scrūpus ‘scharfer, spitzer Stein’, scrūpulus ‘spitziges Steinchen’ (scrīpulus nachscrīptus) und (wie scrūpulum) ‘kleinster Teil eines Gewichtes oder Maßes; ängstliche Genauigkeit (wie ‘auf spitzen Steinen gehend’), Skrupel’, scrūpeus ‘steinig’;
vielleicht als ‘kratzend’ = schwed. skroflig ‘uneben, rauh, heiser’ usw;
poln. skorupa usw. ‘Scherbe’.

WP. I 422, II 573 ff., WH. I 170 f., 172 f., 198, 205 f., 274, 316 f., II 498 ff., Trautmann 117, 119, 128 ff., 141, 265 ff.; vgl. auch kreup- oben S. 623.

kars- ‘kratzen, striegeln, krämpeln’

Ai. kaṣati ‘reibt, schabt, kratzt’ (mind. aus *kr̥ṣati), unklar kaṣāya- ‘herb, bitter, scharf’ usw. (auch kuṣṭha- n. ‘Aussatz’, mind. aus *kr̥ṣṭha-?);
lat. carrō, ere ‘(Wolle) krämpeln’, carduus ‘Distel’ (auf Grund von *carridus ‘kratzend’);
lit. karšiù, kar̃šti ‘kämmen, striegeln, krämpeln’, lett. kā̀ršu, kā̀rst ‘Wolle kämmen’;
abg. krasta (*kor-stā), russ. korósta f., skr. krȁsta ‘Krätze, Grind’;
mnd. harst ‘Rechen, Harke’, wahrscheinlich auch mnd. nhd. harsch ‘hart, rauh’, nhd. verharschen ‘Schorf bilden, bei Wunden’, mdartl. harsch ‘Schneekruste’, mhd. harsten, verharsten ‘rauh, hart werden’; mit germ. Ablautneubildung und anlaut. s- von der Wurzelsker- hierher auch andd. ofskerran starkes Verb ‘abkratzen’, ahd. scerran, mhd. scherren starkes Verb ‘kratzen, schaben’, Intensivbildung *skarzōn in norw. skarra ‘einen scharrenden Laut hervorbringen’, mnd. mhd. scharren ‘kratzen, scharren’, schwed. skorra, mnd. schurren ‘einen scharrenden Laut geben’.
Der Wurzelvokal ist a; der Intonationsunterschied zw. Lit. und Slav. bleibt noch zu erklären.

WP. I 355 f., WH. I 173 f., Trautmann 118 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal