Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schepel - (inhoudsmaat)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schepel* [inhoudsmaat] {1343-1345} verkleiningsvorm van schap [plank].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schepel znw. o. m., mnl. scēpel o.m. ‘schepel, inhouds- en vlaktemaat’, os. skepil, ohd. sceffil (nhd. scheffel), verkleinw. van schap 1. — > amerik.-eng. schepel (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schepel znw. o., mnl. scēpel o. (m.) “schepel” (voorwerp en inhoudsmaat, ook vlaktemaat). = ohd. sceffil (nhd. scheffel), os. skepil m. “schepel”. Afl. van mnl. scap (scāpes) o. “houten rek, plankenkast” (nnl. dial. schap “plank”), ohd. scaf (nog opperdu. schaff), scapf, os. skap o., ofri. skep “vat”, waarbij zich nog on. skeppa v. “schepel” aansluit. Laat-on. skâp o. “kast” komt van mnd. schap (pp) o. “id.”. Men leidt germ. *skapa- (*skappa-) “vat, schotel” (waarbij nog *skapan-: os. skapo m. “een soort keukengereedschap”) wel uit het synonieme lat. scapium, scaphium (gr. skáphion) of – wat formeel aannemelijker zou zijn – uit vulgairlat. *scapa (= lat. scapha “boot, schuit”, gr. skáfē “id., kuip, schaal”) af; deze verklaring is wellicht ten deele juist: dan zullen we echter wel een kruising van ospr. rom. en ospr. germ. woorden moeten aannemen; voor de germ. woordgroep zie scheppen. Zie ook schop II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schepel o., Mnl. scepel, Os. scapil + Ohd. sceffil (Mhd. scheffel, Nhd. id.): dimin. van *schap: z. schap, scheppen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schepel, zn.: houten schop met lange steel. (om graan, aardappelen te scheppen). Mnl. schepel ‘maat voor droge waren’, Vnnl. schepel (Kiliaan). D. Scheffel ‘schepel, vat’. Ohd. skeffil, Mhd. scheffel, schepfel, Os. skepil, Mnd. schêpel. Dim. bij schap ‘plank’, oorspr. ‘vat’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schepel, van ’t Os. scap = houten schep, vat, vermoedelijk verwant met scheppen (z. d. w.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schepel ‘inhoudsmaat’ -> Zuid-Afrikaans-Engels schepel ‘inhoudsmaat’; Amerikaans-Engels schepel, schipple, skipple ‘inhoudsmaat’; Negerhollands skepel ‘inhoudsmaat’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels schepel, skipple, inhoudsmaat voor droge waren (Craigie, Webster).
- Van Nederlands schepel ‘inhoudsmaat voor droge waren’; overgenomen in de zeventiende eeuw en inmiddels een historische term geworden (ook in het Nederlands).
* De eerste betekenis van het Nederlandse woord schepel is ‘schop om graan, aardappelen en dergelijke mee te scheppen’; het woord is afgeleid van scheppen. Het woord is al vroeg overgenomen in het Amerikaans-Engels, zowel in de Nederlandse vorm als in een verengelste vorm schipple of skipple. Inmiddels is het een historische term.
1658
Our tithe may be paid unto the Governor according to our agreement, being one hundred schepells of wheate.
1677 20 schipple of wheat to bee delivered att New Yorke.
1702 S. V. Cortland ... [has] said summe in hand, L2: 18: 6, and 4 schepels somer Tarwe, or wheat.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schepel* inhoudsmaat 1343-1345 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2616. Een zak (een mud, een schepel) zout met iemand gegeten hebben,

d.i. langen tijd met iemand omgegaan hebben. Deze, nu eenigszins verouderde, zegswijze komt sedert de 16de eeuw in onze litteratuur voor, waarin zij ontleend is aan de klassieken. In het Grieksch wordt ze aangetroffen bij Aristoteles, lib. Moralium, VIII, c. 4 § 9; Moralium Eudemiorum, lib. VII, c. 2; Plutarchus, περι φιλαδελφιας, p. 482 B; in het Latijn bij Cicero, de amicitia, c. 19, 67: Verum illud est, quod vulgo dicitur, multos modos salis simul edendos esse, ut amicitiae munus expletum sit. Zie vooral Suringar, Erasmus, CXXXVI; Journal, 7; V. Wyss, 38 en vgl. Goedthals, 20: Niemant te betrauwen ghy en hadt met hem gheten een mueken sauts, devant que cognoistre un amy, menge un muy de sel avec luy; Campen, 2: Men sal niemant tot enen vrent verkiesen, men hebbe dan te voren veele schepel solts mit hem ghegeten, secht Cicero; De Brune, Bank. I, 333: Wie vaste vriendschap bouwen wilt, ete voor al eenighe muddekens zout met yemand, eer hy hem tot zijn vriend keurt; Cats I, 521: Al eer dat ghy een vrient betrout soo eet met hem een mudde sout; Tuinman I, 150; II, 56; Harreb. II, 490; III, 364; 419; Taal en Letteren III, 370; H.v.Z. 58: Bij die sal je geen zak zout ete; Groningen IV, bl. 207: Daar zijn zo eenige Latijnse woorden die voor elke stad- of lands-Groninger... als 't ware pasmunt zijn, ‘Vindicat’ is er een. ‘Mutua fides’ een ander; verder gaan er grif nog zulke als ‘riepe’ ‘intast’, ‘sikkom’, die al een zak zout met ons gegeten hebben en niet meer als vreempjes worden aangezien; Volkskunde XVI, 46; afrik. 'n sak sout met iemand opgëeet hê; Wander III, 1849; 1855; Grimm, VIII, 1706; Antw. Idiot. 812: hij zal daar geen meuken zout eten, hij zal er niet lang wonen; in het fri.: wy moatte earst ris in healsek sâlt mei elkoar op-iten habbe, wij moeten eerst een halven zak zout samen hebben opgegeten, voor wij elkaâr goed zullen kennen (W. Dijkstra, 349 aIn het Land v. Aalst zegt men: ge moet eerst nen tijd bij iemand geslapen hebben; vgl. Eckart, 397: se hebben noch gên söven Paskeier mitnanner êten.); hd. einen Scheffel Salz mit jem. gegessen haben; fr. avoir mangé un minot de sel avec qqn; Vgl. in Zuidndl. ergens niet veel botermelk (karnemelk) vuil maken, van dienstboden: niet lang blijven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal