Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schelden - (tieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schelden ww. ‘tieren’
Onl. skeldan ‘beschuldigen’ in de glosse sculdun ‘zij beschuldigden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. schelden ‘(uit)schelden, honen’ [1240; Bern.], ook ‘openlijk verklaren, openlijk noemen’ in ic scelse vri ‘ik spreek haar vrij’ [1260-80; VMNW], dat soe quitescalth ... die bilevinghe ‘dat zij afstand deed van het levenslang vruchtgebruik’ [1264; VMNW quiteschelden], schelde alle letteren te mire orbare en ghene macht te hebben ‘(ik) verklaar alle aan mij gerichte brieven ongeldig’ [1287; VMNW].
Os. alleen in de afleiding skeldari ‘kwaadspreker’, mnd. schelden; ohd. skeltan (nhd. schelten); ofri. skelda (nfri. skelle); alle ‘schelden, honen’, < pgm. *skeldan-. Er is geen etymologisch verband met ne. scold ‘vitten, kijven’.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Men neemt aan dat het woord een uitbreiding is van pgm. *skellan- ‘luid weerklinken’, zie → schellen.
Het woord is alleen continentaal West-Germaans en betekent overal ‘schelden’. De algemenere betekenis ‘openlijk verklaren’, die zowel met een negatief als met een positief predicaat voorkomt, is uitsluitend Nederlands en lijkt daarom secundair. Deze betekenis is verouderd behalve in de samenstelling kwijtschelden ‘(een schuld) als voldaan beschouwen’, met → kwijt in de oude betekenis ‘vrij(gesteld) van heffingen of andersoortige verplichtingen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schelden* [tieren] {oudnederlands sceldan 901-1000, middelnederlands schelden} oudhoogduits sceltan, oudfries skelda, mogelijk samenhangend met schellen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schelden ww., mnl. scelden ‘berispen, schelden, kijven, openlijk verklaren’ (voor het laatste vgl. kwijtschelden), onfrank. sceldan ‘toeschreeuwen’, ohd. sceltan ‘schelden, honen, schimpen’, ofri. skelda ‘honen, openlijk verklaren’, ne. scold ‘schelden, kijven’, vgl. ook os. skeldari ‘maledicus’. — Dentaal-afl. van de onder schel 2 genoemde werkwoorden.

Er is geen reden om het woord te verbinden met de onder schouw 2 behandelde ww. voor ‘stoten, voortduwen’, daar een bet. ‘luid spreken’ niet alleen voor de hand ligt, maar ook nog voorkomt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schelden ww., mnl. scelden “berispen, schelden, uitvaren, kijven, openlijk verklaren (zoo nog in kwijtschelden), noemen”. = onfr. scëldan “increpare”, ohd. scëltan “schelden, hoonen, schimpen” (nhd. schelten), os. *skëldan (blijkens skëldari m. “maledicus”), ofri. skëlda “hoonen, openlijk verklaren”, eng. to scold “schelden, kijven” (ontl.?). Alle verklaringen zijn onzeker. Men is van de bij schel II besproken basis sqel- uitgegaan. Ook heeft men mnl. scoud m. “stoot, duw” (conjectuur), ohd. scaltan (nhd. schalten), os. skaldan “voortschuiven, voortstooten” gecombineerd; de bet.-ontwikkeling “stooten” > “schelden” is mogelijk, hoewel onzeker; de verdere combinatie met de woordfamilie van schel I is niet wsch.; dan nog eer (ook onzeker) bij gr. *kláō “ik breek”, obg. kolją, klati “steken, slachten”, lit. kaliù, kálti “slaan, smeden”, waarbij o.a. nog uit andere taalgroepen ier. colg, calg “zwaard”, lat. clâva “knuppel”, (oi. kûṭa- “hamer”?); in hun oorsprong zullen de bases sqel- “snijden” en “steken, slaan” wel identisch zijn. Of komen schelden en ohd. scaltan enz. van de basis voor “drijven”, die bij houden besproken is? Zie nog schouw II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schelden. “Lit. kaliù, kálti” lees: “lit. kalù, kal(i), kálti”. — Lat. clâva ‘knuppel’ wsch. niet in dit verband.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schelden o.w., Mnl. id., Onfra. sceldan + Ohd. sceltan (Mhd. schelten, Nhd. id.), Ofri. skelda. Uit Ndl. komt Eng. to scold.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjelle (ww.) schelden; Vreugmiddelnederlands sceldan <1475>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

schellen 2 ww.: schelden. Door assimilatie ld > ll uit schelden.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schelden, misschien verwant met schallen = luid roepen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schelden* tieren 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kel-6, k(e)lē-, k(e)lā- oder kl̥̄-? ‘rufen, schreien, lärmen, klingen’

Ai. uṣā-kala- m. ‘Hahn’ (‘ἠι-κανός’), kalādhika-, kalāvika- ds., kala-víŋka- ‘Sperling’, kala- ‘leise tönend, undeutlich vernehmbar’, kalakala- m. ‘verworrenes Geschrei, Geräusch’;
gr. καλέω (statt *κάλω) ‘rufe, nenne, rufe herbei’ (äol. κάλημι), Futur. καλέσω, att. καλῶ, Perf. κέκληκα, κλητός; ἐπίκλησις ‘Beiname’, κλῆσις ‘Ruf, Einladung, Vorladung’, κλητής, κ(α)λήτωρ ‘Rufer’, ὀμοκλή ‘Zuruf’ (zum 1. Glied s. unter omǝ-); κικλήσκω (oder κικλῄσκω) ‘rufe an, flehe’, κληΐζω, κλῄζω ‘nenne’ (*κλη-ϝε-ς-ίζω?); hochstufig κελ(α)- in κέλομαι ‘treibe an (durch Zuruf)’, hom. Aor. (ἐ)κέκλετο, dor. κέντο = (ἔ)κελτο; [über κελεύω s. unter k̑leu-]; κελαρύζω ‘rausche, riesle (Wasser u. dgl.)’, κέλωρ· φωνή Hes.; Erweiterung κέλαδος ‘Getöse, Lärm’, κελάδων, κελαδεινός ‘brausend’, κελαδέω ‘tose; lasse (einen Gesang) erklingen’;
umbr. kařitu, kařetu, carsitu ‘calato, appellato’ (*kalētōd); daß ein entsprechendes lat.*caleō einst in der Ausrufungsformel der Kalenderdaten Dies te quinque, bzw. septem, calo, Iuno Covella gestanden habe und daß calendae ‘der erste Tag des Monats’ von diesem Ausrufen benannt sei, ist wahrscheinlich (Salonius Z. röm. Dat. 1 ff.);
lat. calō, -āre ‘Ausrufen, Zusamenrufen’ (: lett. kaluôt), calātor ‘Rufer, Ausrufer’, nōmen-clator ‘Namennenner’ (aus nōmen calāre rückgebildet), calābra (curia) ‘die zum Ausrufen der Kalenderdaten bestimmte Kurie’, vielleicht concilium ‘Zusamenkunft, Versammlung, Vereinigung von Dingen, geschlechtliche Verbindung’ (*cón-caliom), con-ciliāre ‘vereinigen, verbinden, gewinnen usw.’, clāmō, -āre ‘rufen’ (vgl. ahd. hlamōn usw.), clāmor ‘Schrei’, clārus ‘lauttönend, fernhin schallend; berühmt; klar’, umbr. anglar Nom. Pl., anglaf Akk. Pl. ‘oscines’ (*an-klā ‘avis inclamans’); lat. classis ‘Aufgebot: Heer, Flotte; Klasse, Abteilung’ (*klad-ti-: κέλαδος?);
air. cailech, ogam Gen. caliācī, cymr. ceiliog, corn. chelioc ‘Hahn’ (*kaljākos);
ags. hlōwan ‘rugire, boare’, ahd. (h)lōian, (h)luoen, mhd. lüejen ‘brüllen’; ags. hlētan ‘grunzen’; ahd. hluoticla ‘latratus’; mit Hochstufe der ersten Silbe ahd. hel ‘laut, tönend’ (nhd. hell ‘glänzend’), hëllan ‘ertönen’, mhd. hal ‘Hall, Schall’, anord. hjala ‘schwatzen’, hjal n. ‘Geschwätz’, hjaldr ‘Gespräch, Kampfgetöse, Kampf’; afries. halia ‘herbeiholen, heimführen, nehmen’, ags. geholian ‘bekommen’, asächs. halōn ‘berufen, herbeibringen’, ahd. halōn und ablaut. holōn, holēn ‘rufen, holen’, ndd. halen ‘ziehen’.
lett. kal’uôt ‘schwatzen’ (kalada ‘Geschrei, Lärm’ ist russ. Lw.), lit. kalbà ‘Sprache’, apr. kaltzā, kelsāi ‘sie lauten’ (lit. *kalsóti); redupl. lit. kañkalas (*kalkalas) ‘Schelle’, aksl. klakolъ, russ. kólokolъ ‘Glocke’, kolokólitь ‘läuten, klingen; schwätzen, klatschen’, Trautmann Bsl. Wb. 115.
hitt. ša-ra-a kal-li-iš-ta (sarā kallesta) ‘rief (lockte) herauf’.
Erweiterung *k(e)lem- (vgl. lat. clā-m-āre): ai. krándati ‘schreit, brüllt, wiehert’ (*klem-d-?); ags. hlimman, hlymman ‘klingen, tönen, rauschen, brüllen’, hlimme ‘reißender Strom’, hlemm (*hlammi) ‘Schall’, ahd. (h)limmen ‘brummen, heulen’, anord. hlymja ‘klingen, krachen, lärmen’, ahd. hlamōn ‘rauschen, tosen’;
*k(e)len- in ags. hlyn(n) ‘Schall, Lärm, reißender Strom’, hlynnan, hlynian ‘hallen’, hlynsian ds., hlynrian ‘donnern’, gehlyn, asächs. gihlunn ‘Getöse’;
Ähnliches skel-, (s)kel- (s-Dublette neben kel-):
1. skel-: aisl. skjalla st. V. ‘schallen, klingen, laut schlagen’ = ags. sciellan ‘schallen, tönen’, ahd. scellan ‘schallen, tönen, klingen, lärmen’, nhd. verschollen ‘verklungen’; Kaus.-Iter. aisl. skella ‘knallen, lärmen, schelten, laut lachen’, mhd. schellen schw. V. ‘ertönen lassen, zerschmettern’, nhd. zerschellen; t- oder dh-Präs. afries. skelda ‘schelten, tadeln, laut erklären’, ahd. sceltan ‘schelten, schmähen, beschimpfen, tadeln’; aisl. skǫll f. ‘Hohn, Lärm’, skellr (*skalli-z) ‘Schall, Knall’ = ahd. scal (-ll-) ‘Schall, Krach’; aisl. skjallr ‘lauttönend’ = ags. sciell, ndl. schel ‘widerhallend, schrill’; ahd. scella ‘Schelle’; mit einfachem l (das -ll- der vorgenannten beruht auf einem n-Präs. *skel-nō) aisl. skal n. ‘Lärm’, skjal n. ‘Geplauder’;
lit. skãliju, -yti ‘fortgesetzt bellen, anschlagen’ (vom Jagdhund), wovon skalìkas ‘ein fortgesetzt bellender Jagdhund (s. unten wegen gr. σκύλαξ); apr. scalenix ‘Vorstehhund’ stammt aus poln. skolić ‘wie ein Hund winseln’; lett. skal’š ‘klingend, helltönend’; mit (b)h-Erw. (wie lit. kalbà) lit. skélb-iu, -ti ‘ein Gerücht verbreiten’;
čech. skoliti ‘belfern’, poln. skolić, skulíć ‘wie ein Hund winseln’.
2. (s)kel-: aisl. skval n. ‘unnützes Geschwätz, Wortschwall’, skvala ‘laut reden, rufen’, skvaldr n. ‘lautes Reden’; ohne s- aisl. hvellr ‘helltönend’;
ablautendes skel- vielleicht in gr. σκύλαξ junger Hund, Hund; junges Tier’, auch κύλλα· σκύλαξ. ᾽Ηλεῖοι Hes. (-λλ- wohl kurznamenartige Kons.-Dehnung), wie von *skel- das oben genannte lit. skalìkas, und von kel- aus: lit. kãlė, kalė̃ ‘Hündin’, alb. këlüsh ‘Tierjunges, bes. junger Hund’, mir. cuilēn, cymr. colwyn, acorn. coloin, bret. kolen ‘junger Hund’, (kelt. *koli-gno-); diese Namen für junge Tiere, bes. Hunde, wären also vom Kläffen oder Winseln genommen. Immerhin aber könnten σκύλαξ, κύλλα als (s)kol-, auch als idg. oder griech. Reduktionsformen (Einfluß von κύων?) unmittelbar mit kelt. *koligno-, lit. kãlė, alb. këlüsh zusammengehören.

WP. I 443 ff., WH. I 141 f., 227, 228, 258, Specht KZ. 59, 85 ff.; wohl identisch mit kel-5.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal