Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheel - (scheef, loens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scheel bn. ‘loens’
Onl. *skelo als toenaam van Ringodus Scelewe ‘Reingoot (de) Schele’ [1120; ONW]; mnl. schele ‘scheel’, schele sien ‘scheel kijken’ en schel (zn.) ‘iemand die scheel ziet’ [alle 1240; VMNW], Si sach beide losch ende scele ‘ze loenste en keek scheel’ [1300-50; MNW-R], ook nog scelu(w) in Het is di beter scelu in te gaen in dat rike Gods ‘het is beter voor je om eenogig Gods rijk binnen te gaan’ [ca. 1431; MNW], mit dinen sceluwen ogen [1450-1500; MNW], dat ick scelu ben [1481; MNW]; vnnl. schelwe, scheel ‘scheel’ [1599; Kil.]; nnl. alleen scheel.
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *skelwa- ‘scheef, vervormd’. De klankwettige nominatiefvorm is mnl. sc(h)ele, waaruit het huidige scheel. In de verbogen vormen bleef aanvankelijk een -(u)w- staan; analogiewerking leidde soms tot een nominatiefvorm scelu. De vorm scheluw bestaat in het hedendaags Nederlands nog als vakterm voor ‘scheef, kromgetrokken (gezegd van hout)’, maar is in sommige dialecten, o.a. het West-Vlaams, ook het gewone woord voor ‘scheel’.
Oost-Vlaams scheelm; mhd. schel(b); nfri. skel(f); alle ‘scheef, krom (van hout), scheel’, < pgm. *skelwa-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *skelha- en met grammatische wisseling *skelga-, waaruit: mnd. schēl(e) ‘scheel’; ohd. scelah ‘scheel, scheef’ (mhd. schelch, maar nhd. scheel ‘scheel’ is ontleend aan het mnd.), scilihen (ww.) ‘scheel kijken’ (nhd. schielen), nhd. dial. schelg ‘kromgetrokken (van hout)’; nfri. skilich ‘scheel’; oe. sceolh ‘scheef, verwrongen’, sceolh-eāgede, sceolh-ēge ‘scheel(ogig)’; on. skjalgr ‘scheef, kruisend’ (ozw. skiælgher). Kluge reconstrueert slechts één vorm pgm. *skelhwa-, maar daaruit zijn niet alle vormen te verklaren (Heidermanns 1993, 494).
Wrsch. verwant met: Latijn scelus ‘misdaad, vergrijp’ (< ‘kromming, afwijking’?); Grieks skoliós ‘scheef, misvormd’, skélos ‘dijbeen’; Albanees tshalë ‘kreupel’; bij de wortel *skel- ‘buigen, krommen’ (IEW 928). Hierbij misschien ook Armeens šeł ‘misvormd’.
In het Nederlands heeft het woord vrijwel altijd betrekking op het scheef kijken met de ogen. Dit is ook in het Middelnederlands al vrijwel overal het geval, hoewel Kiliaan ook nog een betekenis ‘scheef’ opgeeft. In de andere Oudgermaanse talen komt daarnaast nog de algemene betekenis ‘scheef, misvormd’ voor. Voor ‘scheef, kromgetrokken’ heeft het Nederlands de langere vorm scheluw bewaard.
Lit.: Heidermanns 1993, 493-494

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheel1* [scheef, loens] {scheel, schele [scheef, scheel, eenogig] 1201-1250} middelnederduits schel(e), oudhoogduits scelah, oudengels sceolh, oudnoors skjalgr; buiten het germ. grieks skolios [scheef], skelos [schenkel] → schouder, scheluw.

scheluw* [scheef] {schelu(w) 1350} ontstaan uit de naamvalsvormen van scheel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheel 2 bnw., mnl. scēle, sceel, scēlu ‘scheel’, Kiliaen ook nog ‘scheef’ (zie: scheluw), mnd. schēl, schēle ‘scheel’, ohd. scelah (gen. scelhes, scelawes) ‘krom, scheef, scheel’, oe. sceolh ‘scheef, scheel’, on. skjalgr ‘scheef, scheel’ < germ. *skelh(w)a- en *skelga-, gutturaal-afl. van *skel ‘buigen, krom zijn’ vgl. gr. skelos ‘schenkel’, skoliós ‘krom’, lat. scelus ‘slechtheid, misdaad’, alb. tshalë ‘lam’, en zonder s lit. kelys, lett. celis ‘knie’ (IEW 928).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheluw. = scheel II.

scheel II bnw., mnl. scēle, sceel, scēlu “scheel”. Kil. vermeldt ook de bet. “scheef”, die nog dial. voorkomt (in technische taal ook scheluw) en die ook voor mnl. schēle in den bijnaam schēlebênen aan te nemen is. = ohd. scëlah, gen. scëlhes, scëlawes “krom, scheef, scheel” (zwits. nog šelb, šalb, nhd. scheel), mnd. schēl(e) “scheel”, ags. sceolh “scheef, scheel”, on. skjalgr “id.”. Deze vormen *skelχ(w)a-, *skelwa-, *skelga- gaan wellicht alle drie op idg. *sqélqo- resp. *sqelqó- terug. Ook echter kunnen wij ze als formantische varianten opvatten. In ieder geval is de basis sqel-. Deze beteekent “krom zijn, scheef zijn”. Hiervan behalve de bij schouder genoemde vormen gr. skoliós, skalēnós “krom”, misschien ook arm. šeł “scheef”; met overdr. bet. lat. scelus “misdaad”, arm. xeł “slecht, verdorven”, ook “verminkt”. [Vgl. voor de bet. “scheel” o.a. nog russ. kosój “scheef, scheel”.] Oi. kalká- “bedrog, boosaardig” is ten onrechte met sqel- gecombineerd. Zie nog zullen, ook bij schuin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheluw bijv., opgemaakt uit de verbogen vormen van scheel 1.

scheel 1 bijv.(schuinziende), Mnl. schele, schelu + Ohd. scelah (Mhd. schelch, Nhd. schel en schiel), Ags. sceolh, On. skjalgr + Gr. skólios = scheef. Uit On. komt Eng. shallow.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjeel (bn.) scheel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) scheel, Vreugmiddelnederlands schele <1240>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

scheel 2, bn.: scheef, krom, scheefgetrokken (van hout). Ovl. scheelm, Zvl. schelf, Wvl. scheluw, schilwe. Mnl. scelu ‘scheef, scheel’, Vnnl. scheel oft losch ‘bigle’ (Lambrecht), scheel, scheef ‘scheef’, schelwe, scheel ‘scheel’ (Kiliaan). Scheel door apocope van de doffe eind-e in schele < schelu; scheluw, schilwe uit scheluwe, de verbogen vorm van scelu. Scheelm < scheelw door wisseling van de bilabialen w/m, vgl. zeelm. Ohd. skelah, Mhd. schelch, schel, schelwe ‘scheel, scheef, krom’, Mnd. schêl(e) ‘scheel’, Oe. sceolh, On. skaljger, skelgja ‘scheef’, Gr. skolios ‘scheef’, Lat. scelus ‘misdaad’. Idg. *(s)kel- ‘buigen, krommen, krom’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

schelm bw.: vals. Schelm doen ‘vals spelen’. Dit is niet het Ndl. zn. schelm ‘booswicht’, maar een variant van scheel < scheluw ‘scheef, krom’ (zie schelf 2), met wisseling van de bilabialen w/m. Vgl. Ovl. scheelm < scheluw.

scheel 2, schelf bn.: scheef, scheefgetrokken (hout). Wvl. scheluw, schilwe. Mnl. scelu ‘scheef, scheel’, Vnnl. scheel oft losch ‘bigle’ (Lambrecht), scheel, scheef ‘scheef’, schelwe, scheel ‘scheel’ (Kiliaan). Scheel door apocope van de doffe eind-e in schele < schelu; scheluw, schilwe uit scheluwe, de verbogen vorm van scelu. Ook Ovl. scheelm < scheelw door wisseling van de bilabialen w/m. Voor de verschuiving w/f, vgl. Wvl. gilf < gilwe, geluw. Ohd. skelah, Mhd. schelch, schel, schelwe ‘scheel, scheef, krom’, Mnd. schêl(e) ‘scheel’, Oe. sceolh, On. skaljger, skelgja ‘scheef’, Gr. skolios ‘scheef’, Lat. scelus ‘misdaad’. Idg. *(s)kel- ‘buigen, krommen, krom’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

scheelm (G), schelf (ZV), schilje (Al), bn.: scheef, scheefgetrokken (hout). Wvl. scheluw, schilwe. Mnl. scelu 'scheef, scheel', Vnnl. scheel oft losch 'bigle' (Lambrecht), scheel, scheef 'scheef', schelwe, scheel 'scheel' (Kiliaan). Scheel door apocope van de doffe eind-e in schele < schelu; scheluw, schilwe uit scheluwe, de verbogen vorm van scelu. Scheelm < scheelw door wisseling van de bilabialen w/m, vgl. zeelm. Voor de verschuiving w/f, vgl. Wvl. gilf < gilwe, geluw. Ohd. skelah, Mhd. schelch, schel, schelwe 'scheel, scheef, krom', Mnd. schêl(e) 'scheel', Oe. sceolh, On. skaljger, skelgja 'scheef', Gr. skolios 'scheef', Lat. scelus 'misdaad'. Idg. *(s)kel- 'buigen, krommen, krom'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skeel b.nw.
Met 'n gebrek waardeur die oë nie saam op dieselfde punt gerig kan word nie.
Uit Ndl. scheel (Mnl. scele, sceel). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. schielend.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

scheluw, schilwe, schilde, bn.: scheef, scheefgetrokken (hout), uit de haak; scheel. Mnl. scelu ‘scheef, scheel’, Vroegnnl. scheel oft losch ‘bigle’ (Lambrecht), scheel, scheef’’obliquus, transversus, tortus, obtortus, limus’, schelwe, scheel strabo’ (Kiliaan). Scheelzien is eigenlijk ‘scheef kijken’. Scheel door apocope van de doffe eind-e in schele < schelm scheluw, schilwe uit scheluwe, de verbogen vorm van scelu. Schilde met Ingw. ede-suffix. Ohd. skelah, Mhd. schelch, schel, schelwe scheel, scheef, krom’, Mnd. schêl(e) ‘scheel’, Oe. sceolh, On. skaljgr, skelgja ‘scheef’, Gr. skolios ‘scheef’, Lat. scelus ‘misdaad’. Idg. *(s)kel- ‘buigen, krommen, krom’. Zie De Bo voor nog andere pej. betekenissen van schilde.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skeel I: skeefsiende; Ndl. scheel (Mnl. scele/sceel), Hd. scheel, hou wsk. verb. m. Ll. scalenus, “ongelyk”, Gr. skalênos, “ongelyk”, en skolios, “skeef gedraai, verdraai”, vgl. Eng. scalene.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheel ‘loens’ -> Ambons-Maleis skeling, skèl, mata skèl ‘loens’; Kupang-Maleis skèl, mata skèl ‘loens’; Menadonees skèl, mata skèl ‘loens’; Ternataans-Maleis skèl, mata skèl ‘loens’; Negerhollands skeel ‘loens’; Papiaments skel (ouder: skeel) ‘loens’; Sranantongo skeri ‘loens’.

scheluw ‘scheef’ -> Papiaments skeliu ‘scheef (timmermansterm)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheel* loens 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1984. Iets met scheele oogen aanzien,

iets met nijd en afgunst aanzien. Het adjectief scheel heeft hier de beteekenis van scheef; vgl. zndl. scheels, zijlings; Zaansch: scheel vouwen, scheef vouwen; hd. scheel in 't opperd. = schief. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Zie Ndl. Wdb. X, 2269; XIV, 333; Tuinman II, 189: Hy heeft daar een scheel oog op, hy ziet dat met nyd, of argwaan; Antw. Idiot. 1066: Scheele oogen maken, iemands wangunst opwekken; hd. etwas mit schelen Augen ansehen; Scheelsucht, nijd, naijver. Vgl. de vroegere zegswijze: Ongelijke schotels maken scheele oogen (zie Harreb. I, 92).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kel-4 (erweitert klā-, klō-) ‘biegen; anlehnen; krumm (auch sittlich: ‘verkehrt, unrecht’), verkrümmt’; bes. in Körperteilbezeichnungen; ‘biegsames Gelenk, Ferse, Knie, Hüfte’, (vgl. auch S. 611 f. kolǝ- ‘spinnen’), skelos- n. ‘Biegung’, skel-no- ‘krumm’

Gr. σκέλος m. ‘Schenkel’, σκελίς, -ίδος ‘Hinterfuß, Hüfte’ (att. σχελίς), σκελλός ‘krummbeinig’, σκολιός ‘krumm; improbus’, σκαληνός ‘höckerig, schief, krumm’, σκώληξ, -ηκος m. ‘Wurm’, σκωλύπτεσθαι ‘krümmen, hin und her winden’, κελλόν· στρεβλόν, πλάγιον Hes., redukt.-stuf. κυλλός ‘gekrümmt, gelähmt’, κυλλο-ποδί̄ων Beiw. des Hephaistos (*κελ-, *κυλ-νός), κυλίνδω, -έω ‘rolle, wälze’ (ion. att. καλινδέω), κύλινδρος ‘Walze, Rolle, Zylinder’; κῶλον ‘Glied’, κωλέᾱ, att. κωλῆ ‘Hüftknochen, Schinken’, κωλήν, -ῆνος, κωλεός ds., κώληψ f. ‘Kniekehle, Knöchel’ (zu 1. -ap- oben S. 50 f.); κωλώτης, -ου m. ‘Eidechse’ (‘mit Gliedern versehen’); ὀκλάζω ‘hocke nieder’ (Frisk IF. 49, 99 f.); über κλόνις ‘Steißbein’ s. oben S. 608;
alb. tshalë ‘lahm’ (*skelno-);
lat. scelus, -eris ‘Bosheit, Verruchtheit, Verbrechen’ (formal = σκέλος); coluber, -brī ‘Schlange’ (‘sich windend’, *kelo-dhro-, *kolo-dhro-); calx (s. unten);
ahd. (mit Formans -ko-) scëlah (*skélha-) ‘schief, krumm’, nhd. scheel (Denom. mhd. schilhen, nhd. schielen), ags. sceolh ds., aisl. (m. gramm. Wechsel) skjalgr (*skelkó-) ‘schief, scheeläugig’; isl. skǣll ‘schiefer Mund’, aisl. skǣla sik ‘den Mund verziehen’; mit labiales Erweiterung: aisl. skjalfa ‘zittern, beben’ = ags. scielfan ds., engl. to shelve ‘abschüssigsein’, aisl. skjalfr, skelfr ‘zitternd’?;
ohne anlaut. s-: bsl. *kali̯ō (*koli̯ō) ‘lehne an’ in lit. at-si-kal̃ti ‘sich anlehnen’, ãt-kalas ‘angelehnt’; zu bsl. *klana- m. (*klǝ-no-) ‘Neigung’ in lit. klãnas ‘Pfütze’, ablaut. klõnis m. ‘Tal’ (*klā-ni-), klonė̃ ‘Niederung’; mit idg. ō: lit. kluõnas, lett. kluõns m. ‘Dreschtenne’; dazu ferner oben S. 509 *klā- ‘hinlegen’;
mit bsl. -ul- = lat. -al- (ind. -ol[ǝ-]) mit k̑-Suffix: lit. kùlšė, kùlšis ‘Hüfte’ (mit k-Einschub: kulkšìs, kulkšnìs ‘Knöchel, Sprunggelenk’), apr. culczi ‘Hüfte’; mit -k-Suffix: lit. kul̃nas m., kulnìs f. ‘Hacke, Ferse’ (*kulk-n-), urslav. *kulkā f. ‘Hüfte’ in spätksl. klъka ‘poples’, bg. kъ́lka ‘Hüfte, Oberschenkel’ (is-kъlčъ́ ‘verrenke’); skr. kȕk ds. usw.;
lat. calx ‘Ferse’ (calcō, -āre ‘treten, stampfen’, calcitrāre ‘heftig ausschlagen’, calcar ‘Sporn’, calceus ‘Schuh’, tarent. καλτίον ds. aus osk. *calc-tio-); nach Trautmann 145 idg. Wurzelnomen *kolk- neben kolk̑-.

WP. II 597 ff., WH. I 144 f., 248, II 492, Trautmann 114, 135 f., 145.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal