Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheef - (schuin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scheef bn. ‘schuin’
Mnl. scheyff ‘schuin; scheel’ [1477; Teuth.]; vnnl. scheef ‘id.’ [1573; Thes.].
Os. skēf (mnd. schēf, ontleend als mhd./nhd. schief); vnhd. scheif, nhd. dial. scheib; oe. sc(e)āf; on. skeifr (nzw. skev); alle ‘schuin’, < pgm. *skaifa- of *skaiba-.
Herkomst onduidelijk. Misschien is er verband met: Latijn scaevus ‘links; onhandig; ongunstig’; Grieks skaiós ‘id.’; Lets šķìbs ‘schuin’.
Lit.: Heidermanns 1993, 481

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheef* [schuin] {scheiff, scheyff [schuin, dwars, scheef] 1477, scheef 1546} middelnederduits schef, oudengels scāff, oudnoors skeifr; buiten het germ. grieks skimbos [lam], lets šķībs [scheef].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheef bnw., sedert de 16de eeuw, Teuth. scheyff, mnd. schēf, nhd. dial. (neder-hess. thur.) scheib, oe. sceāf, scāf (ne. shew ontlening uit nnl.?), on. skeifr. — Daarnaast met affectieve -pp- mhd. schēp. — Idg. wt. *skeip ‘scheef zijn’, gr. skímpto ‘leunen’, naast *skeib vgl. gr. skimbós ‘lam’, lett. škibs ‘scheef’, labiaal-afl. van de wt. *skei vgl. lat. scaevus, gr. skaiós ‘links, scheef’. — Nhd. schief verklaart men wel uit een grondvorm *skēifa. — Opmerkelijk is het aantal woorden, die met sch beginnen en een grondbet. ‘scheef’ hebben, zoals scheel, schenkel, schenken, schuin en vgl. nog on. skār en skjalgr.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheef bnw., sedert de 16. eeuw. In ’t Beierl. met ē, die wel secundair zal zijn voor ê. = hd. dial. (nederhess.-thur.) scheib, Teuth. scheyff, mnd. schêf, ags. sc(e)âf (eng. skew wordt opgevat als een ontl. uit ’t Ndl.), on. skeifr “scheef”. Verwant is mhd. (md.), nhd. schief “id.” (wellicht = scheef? In dat geval afkomstig uit een dialect, waar germ. ai als ie optreedt). Met ablaut mhd. schëp (pp) “id.”. Direct verwant als we van germ. skaiƀ-, idg. sqoibh- mogen uitgaan, hoogerop verwant als we van idg. sqoip- uitgaan, met lett. schkˊîbs “scheef”; hoogerop verwant zijn mhd. schiec “id.”, zwits., bei. šiegen “scheef gaan”, on. skeika “wankelen”, nieuw-noorw. ook “scheef gaan”, lat. scaevus, gr. skaiós “linksch”, wellicht nog andere woorden. Zie schijf.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scheef. Mhd. *schëp (pp) ‘scheef’ wordt verondersteld door nhd. dialectvormen. Wel is overgeleverd mhd. schipfes bijw. ‘dwars’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheef 2 v. bijv. (schuinsch), + Hgd. schief (Nhd. id.), Ags. sc(e)áff, On. skeifr + Gr. skímptein = krom maken, Lett. schk'îbs = scheef. Uit Ndl. komt Eng. skew.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjeif (bn.) scheef; Middelnederlands scheyff <1477>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

skieps, bn. scheef. Variant van scheef, Vgl. Vnhd. schieb, D. scheib, schepp ‘schief’.

skif, bn.: scheef. Variant van scheef.

skuups, bn. uit elkaar wijzend, uiteenwijzend. geronde variant van skieps.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skeef b.nw.
1. Skuins, krom, afwykend van loodregte of horisontale lyn. 2. Verkeerd, verdraaid voorgestel. 3. (geselstaal; neerhalend) Homoseksueel.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. scheef (Mnl. schef). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel, mntl. onder invloed van bet. 2. Eerste optekeninge in Afr. by Changuion (1844) en by Mansvelt (1884) in die samestelling skeef-kijk.
Ndl. scheef naas verskeie verwante vorme in Germ. tale ook verwant aan Grieks skimbos 'lam' en Lets škībs 'skeef'.
D. schief (13de eeu), Eng. skew (1607). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1969).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheef ‘schuin’ -> Frans dialect schiffeter ‘scheef snijden of knippen’; Negerhollands skeef ‘schuin, gebogen’; Papiaments † scheef ‘schuin’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheef* schuin 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1322. De lamp hangt (of staat) scheef (schuins of voorover),

d.w.z. er is geldgebrek, men zit op zwart zaad; wanneer er nog weinig olie in de (bak)lamp zit, dan wordt deze scheef gehangen, om zoodoende de pit, het lemmet, er nog in te kunnen laten hangen. Vgl. Amst. 173: 't Is Vrijdag zie je, en dan moet de lamp wel schuins staan, dat begrijp je. Ik heb zeven gulden in de week en we bennen met z'n zessen; Boefje, 70: As dan de lamp voor over hing, zooas tegeswoordig met die slapte van werrek; Nest, 52: Ik was bij haar om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover; Ppl. 2: De lamp staat weer on de schuinte; Zondagsblad van Het Volk, 8 Febr. 1913: Nou, m'n moeder was toen net van onze Fie in de kraam gewest en de laamp 'ing erg veurover thuis. Veul erremoei, meneer! S.M. 97: Jelui moest me dat bagatel leenen tot de volgende maand; 't is nou de achtentwintigste en de lamp staat erg schuin bij me; Nkr. VI, 23 Maart, p. 6: En òver houd ik nooit, 'k wou dat ik zóó'n genie was; den vierden van de maand hangt onze lamp al scheef en vraag 'k mij zelf steeds af: waar mijn salaris bleef? Jord. II, 82: Maar het hakkelende kleutertje kon niets van zijn berooiden vader loskrijgen, omdat die zelf nog geen zakgeld van Nel had toebedeeld gekregen en op Vrijdag.... de lamp voorover stond. Vgl. verder Het is huilen en de lamp vasthouden, 't ziet er treurig uit. Zie Er is geen olie meer in de lamp .

1583. De muts staat hem verkeerd,

d.w.z. hij is slecht gehumeurd, verdrietig, slecht gemutst (zie no. 656); dial. de kop staat hem verkeerd of kroes; de pet staat hem de eene week wel eens anders dan de andere (hij is ongelijk van humeurNdl. Wdb. XII, 1397.); fri. de mûtze stiet him forkaerd; hd. seine Mütze schief aufhaben. De wijze waarop iemand zijne muts draagt, placht als kenteeken van zijne stemming te gelden; staat ze ‘op drie haartjes’Zie R. Visscher, Brabbeling, 30., op ‘half zeven’ of op ‘half elf’ (Harreb. III, 478), dan is hij vroolijk; heeft hij ze onverschillig, scheef opgezet, quand il a mis son bonnet de travers, zooals de Franschen zeggen, dan maakte men daaruit op, dat hij slecht geluimd was (Taal- en Letterbode V, 295). Vgl. het mnl. haer caproen stont al int noort (= scheef, verkeerdTijdschrift XIX, 149.) of verdraeyt; verder Westerbaen II, 649: Hoe of ons dan de muts sal staen, als 't land sal schijnen wegh te gaen (als we in zee steken); Zeeus, Ged. (anno 1721), bl. 391: Hoe! hebje kwestie of staet u de muts niet wel?; C. Wildsch. III, 50; Halma, 364: De muts staat hem niet wel van daag, il n'est pas de bonne humeur aujourd'hui, il s'est levé le cul le premier. Hierbij behoort ook de uitdr. daar staat hem de muts niet naar, daarvoor is hij niet goed gehumeurd (Tuinman, I, 65); hij is niet zoo (of niet half zoo) gek, als hem de muts staat, hij is beter dan men hem wel zou aanzien, dat we lezen bij V. Loon, 97; Van Effen, Spect. IV, 222; IX, 79; Sewel, 502: hy is zo gek niet als hem de muts wel staat; Waasch Idiot. 768: hij is zoo zot niet als dat zijn muts staat; syn, van: zoo schaapsch niet zijn als men wol draagt of zoo rot niet zijn als men stinkt ('t Daghet, 160; 190). Zie verder Tuinman I, 65; Joos, 86: hij heeft zijn vieze (of slechte, kwade) muts op; zijn muts staat scheef (ook bij Eckart, 378); in Drente: hij hef de blikken musse op, hij is slecht gehumeurd (Bergsma, 54); Rutten, 149: zijne goede muts aanhebben welgemutst zijn; zijne slechte muts aanhebben, slecht gezind zijn; Antw. Idiot. 840: zijn goei of zijn slechte, kwaai muts ophebben, goed of slecht gezind zijn; zijn zotte muts ophebben, een vroolijke bui hebben; zijn muts staat verkeerd, hij is kwalijk geluimd; zijn losse muts opzetten over, zich onverschillig betoonen over iets (in Mgdh. 101; Nachtkr. 29: Zoo had ze een losse muts over alles opgezet, trok zich weinig van de om 'r gebeurende dingen aan); hij heeft er een licht mutsje over op (Harreb. II, 111) naast er een zware muts over ophebben; fr. in swiere mûtse op hauwen, in zorg zijn over iets; vgl. Ndl. Wdb. IX, 1279 en no. 281.

1871. Er is geen pot zoo scheef, of er past wel een deksel op,

d.w.z. er is geen meisje zoo leelijk, of zij kan wel een man vinden. De Romeinen drukten dit uit met deze woorden: invenit patella dignum operculum; vgl. verder Goedthals, 106: noyt pot so slom, of hy en vant syne schyve; Anna Bijns, Nw. Refr. 103: gheen zoo slimmen scheelken, ten vindt sijnen pot; 104: tot alle cannekens vint men schelen of men vint geen besemen, zij en crijgen stelen. Zie verder Paffenrode, 75: Adagia, 14: daer en is noijt soo scheeven Pot oft men vint daer een scheeltien toe, dignum patella operculum; Harreb. III, 156 b; Sewel, 648; Joos, 162; Waasch Idiot. 533: daar is geen potje of daar past een scheelken op; Antw. Idiot. 992: daar is geenen ééne pot, of daer past e scheeltjen op; Woeste, 204; Dirksen I, 74; Wander III, 1378; Eckart, 412; Jahrb. 38, 161: Dar is nin Pött sau scheefe oder et passet eene Stülpe darup; Ten Doornk. Koolm. II, 747 b: d'r is gên pot so schêf, of d'r findt sük nog wol 'n deksel to; vgl. het fri.: der is gjin pôt sa bryk, of der is in deksel lyk (of der past in lid op); fr. il n'est pas si méchant pot qui ne trouve son couvercle; hd. jedes Töpfchen findet sein Deckelchen; jede Flasche findet ihren Stöpfel; eng. no pot is so ugly as not to find a cover.

1979. Een scheeve of rare schaats rijden,

d.w.z. vreemd, zonderling, onbehoorlijk handelen. Vgl. Harreb. II, 240: Hij rijdt een rare schaats; Kippeveer I, 135: Maar hij moet geen baas spelen en vooral nu niet; want Landek rijdt een scheve schaats. Waarmee? vroeg Kippeveer verwonderd. Omdat hij lijnrecht en opzettelijk tegen de Schrift handelt en geesten oproept; Handelsblad, 1 October, 1915 (avondbl.), p. 2 k. 4: Immers, 's Heeren Mees verwijt dat ik to wait on en to wait for niet genoeg uit elkaar hield, moge juist zijn - bij zijn opmerking over ‘iemand gaan ontmoeten’, slaat hij reeds een heel vreemde schaats (= doet hij zeer zonderling, vergist hij zich leelijk). Een leelijke schaats rijden, er bekaaid afkomen, een leelijke pijp rooken; een schuine schaats rijden, een weinig zedelijk leven leiden.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

skē̆i-bh-, -p-, nasaliert ski-m-bh- ‘schief, hinken(d)’

Aisl. skeifr ‘schief’ (*skoipo-), ags. scāf, scāb ds. (in scāf-fōt ‘schieffüßig’), mnd. schēf ds. (nhd. dial. scheif), woneben (*skēipo-) mhd. (md. nd.) schief, und (als germ. *skibba-) hess.-fränk. schepp ‘schief’, sowie (als germ. *skippa-) mhd. schipfes Adv. ‘quer’;
lit. paskybei ‘quer’, skybas ‘keilförmiges Stück Land’; lett. šḱībs ‘schief’, šḱieb-u, -t ‘schief neigen, kippen’; vgl. gr. σκίψαι· ὀκλάσαι. Ἀχαιοί Hes.;
nasaliert gr. σκιμβός ‘lahm’, σκιμβάζειν ‘hinken’.
Idg. skē̆i-p-, -bh- erweitert aus skē̆i-, vgl. *skai-u̯o-s (*skǝi-u̯o-s) ‘schief, link’; neben mhd. schie-f steht schǣhe und schie-c; zur unerweiterten Wz. vielleicht norw. skina, skjena ‘biesen’, aschwed. skena ‘durchgehen’ (vom Pferde), ablaut. norw. skeina ‘schief zur Seite fliegen’.

WP. II 546, Wissmann Nom. postverb. 151.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal