Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schaven - (gladmaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schaven ww. ‘gladmaken’
Mnl. schauen ‘gladmaken’ [1240; Bern.], men scaue sijn puluer met ere vilen ‘men moet de poeder (van de jaspis) met een vijl afschaven’ [1287; VMNW], ghescaven mit eenre scaven ‘geschaafd met een schaaf’ [1455; MNW]; vnnl. schaven ‘bewerken met de schaaf’ [1573; Thes.].
Os. scaƀan; ohd. scaban ‘schaven, krabben’; oe. sceafan (ne. shave ‘scheren, schaven’); on. skafa (nzw. skava); got. skaban ‘(haar) knippen’; < pgm. *skaban- ‘krabben, wrijven’, oorspr. een sterk werkwoord.
Verwant met: Latijn scabere ‘krabben’ (zie ook → scabreus), scabies ‘schurft’, scobis ‘zaagsel’; Litouws skõbti (1e pers.ev. skabiù) ‘schaven, plukken’; Kerkslavisch skoblĭ ‘schaaf’ (Russisch skóbel'); < pie. *skbh-, *skobh- ‘krabben, schaven’ (LIV 549).
schaaf zn. ‘werktuig’. Mnl. schave ‘werktuig om mee glad te maken’ in Spikelboren, foretten, navegheeren ende scaven ‘spijkerboren, fretboren, grote boren en schaven’ [1350-1400; MNW foret], ghescaven mit eenre scaven ‘geschaafd met een schaaf’ [1455; MNW schaven]; vnnl. schave ‘schaaf of dissel’ [1573; Thes.], schaef, schave ‘dissel, soort bijl, schaaf’ [1599; Kil.], met een fijn schaefjen, allenghskens glad, en even, maken [1658; iWNT]. Afleiding bij schaven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schaven* [gladmaken] {1201-1250} oudsaksisch scaƀan, oudhoogduits scaban, oudengels sceafan (engels to shave), oudnoors skafa, gotisch skaban; buiten het germ. latijn scabere [krassen], litouws skobti [plukken, scheren], oudrussisch skoblĭ [schraapmes, schaafijzer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schaven ww., mnl. scāven ‘schaven, schrappen, afkrabben, knagen, fijn maken; zich wegpakken’, os. skaƀan ‘schaven, krassen’, ohd. scaban ‘schaven, schrappen, krabben, scheren’ (nhd. schaben), oe. scafan, sceafan ‘schaven, schrappen’ (ne. shave), on. skafa ‘schaven, krassen’, got. skaban ‘scheren’. — lat. scabō ‘krab’, scobina ‘vijl’, osl. skoblĭ ‘schraapijzer’, lit. skabù, skabė́ti ‘snijden, houwen’ (IEW 931).

De idg. wortel is *skabh, maar de labiaal kon wisselen, vandaar ook:
*skab waarvoor zie: scheppen
*skap, waarvoor zie: schacht
germ. *skabb, waarvoor zie: schabbe
Mnl. scraven ‘krabben, woelen’ (naast mnl. oostfri. schrabben), on. skrafa ‘zwetsen’, nijsl. skrafla ‘ratelen’, nnoorw. skraava ‘knarsen’, nzw. skrävla ‘pralen’ kan men nieuwe formaties noemen met een r-emphaticum naast schaven (zie J. de Vries, Melanges Mossé 1960, 472); zie echter ook: schrappen. Een vorm zonder s-voorslag mogen wij in het woord heep aannemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schaven ww., mnl. scāven “schaven, schrappen, afkrabben, knagen, fíjn maken” (ook “zich wegpakken”). = ohd. scaban “schaven, schrappen, krabben, scheren” (nhd. schaben), os. skaƀan “schaven, krassen”, ags. scafan, sceafan “id.” (eng. to shave), on. skafa “id.”, got. skaban “scheren”. Of met idg. bh en verwant met lat. scabo “ik kras, wrijf”, scaber “ruw, schurftig”, ksl. skoblĭ “schraapijzer”, waarbij nog wel lit. skabù, skabéti “snijden, hakken”, skabaũ, -ýti “plukken” zullen hooren, misschien ook gr. skáphḗ, skaphís, skaphíon “kuip, wan, trog, schaal” (idg. sqabh- “snijden”; op sqebh-: sqebh- wijst lett. schkˊibît “hakken, snijden”, met o-trap lat. scobina “vijl”), — òf met idg. p en verwant met gr. skáptō “ik graaf, hak”, (s)kápios “groeve, gracht”, obg. kopati “graven”, skopiti “castreeren”, lit. kapóti “hakken”, skapoti “schaven, uitsnijden”, nperz. kâfaδ, kâvaδ “hij graaft, splijt”, šikâfaδ “hij splijt”, waarbij ook wel lat. scapula “schouderblad” en capus, capo (â? ăpp?), gr. kápōn “kapoen” zullen hooren, misschien ook ohd. hammêr “verminkt”, skammêr, on. skammr “kort” (ƀm > mm), met e/o-vocalisme o.a. – behalve eventueel de genoemde germ., balt., slav. en perz. vormen – gr. sképarnon “bijl”, russ. ščepá “spaander”, ’t Is niet geraden de a-basis en de e-basis geheel van elkaar te scheiden. Vgl. hoeve, schaaf, schabbig, schiften.

[Aanvullingen en Verbeteringen] schaven. Zie Jokl IF. 30, 192 vlg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schaven. Zie nog hamel Suppl. Voor scheiding tussen een a- en een e-basis (slot van het art.) is nog minder grond, wanneer men de lat. a in scabo, capus, capo, scapula opvat als voortzetting van een idg. reductievocaal (Güntert Abl. 51 vlg.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schaaf v., verbaalabstr. van het vroeger sterke schaven, Mnl. scaven, Os. skaƀan + Ohd. scaban (Mhd. schaben, Nhd. id.), Ags. sceaf̯an (Eng. to shave), On. skafa (Zw. skafva, De. skave), Go. skaban + Gr. skáptein = graven, Lat. scabere = krassen, scabies = schurft, Osl. skopiti, Lit. skabėti = hakken, skapoti = schaven: Idg. wrt. sqab en wrt. sqap.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schaven (schaafde, heeft geschaafd), (ook:) met een ijsschaaf* ijs van een blok schrapen om er schaafijs* van te maken. Niemand schaaft er meer ijs, verdorie. Er is straks niets meer en geen druppel stroop* als we in Nieuw Amsterdam aankomen (Ferrier 1969: 85). - Zie ook: schaaf*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schaaf, Schaven, van den Germ. wt. skab = schaven, Idg. skab = den grond omwoelen en later op een schuivende beweging toegepast.

Schaaf, Schaven, van den Germ. wt. skab = schaven, Idg. skab = den grond omwoelen en later op een schuivende beweging toegepast.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schaven ‘gladmaken’ -> Kupang-Maleis skàf ‘gladmaken’; Menadonees skàf ‘gladmaken’; Ternataans-Maleis skàf ‘gladmaken’; Papiaments skaf (ouder: schaaf, skaaf) ‘gladmaken’; Sranantongo skafu ‘gladmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schaven* gladmaken 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kē̆p-2, (s)kō̆p- und (s)kā̆p-; (s)kē̆b(h)-, skob(h)- und skā̆b(h)- ‘mit scharfem Werkzeug schneiden, spalten’, skab(h)-ro- ‘scharf’; skapā ‘Gegrabenes’; skopelo- ‘Fels’

A. Formen auf -b: (es werden hier nur die eindeutigen germ. Formen aufgeführt; die lat. und bsl. mit b s. bei der Wurzelform auf bh); skab- ‘schnitzend gestalten’.
Got. gaskapjan st. V. ‘schaffen’, aisl. skepja, ags. scieppan, ahd. scepfen, mhd. schepfen, woraus nhd. schöpfen; zum Prät. mhd. schuof, Partiz. ‘geschaffen’ wird ein neues Präs. ‘schaffen’ gebildet, wie schwed. skapa, dän. scabe; deverbative ō-Verba sind aisl. aschw. skapa ‘anfertigen, einrichten’, ahd. scaffōn ‘bilden, bewirken’ (Wissmann Nom. postverb. 73); ags. ge-sceap n. ‘Gestalt, Geschöpf’, as. gi-scapu Pl. n. ‘Schicksal’; aisl. skap n. ‘Gestalt, Geisteszustand’ usw.; -skapr z. B. in vin-skapr ‘Freundschaft’; ahd. scaf m. ‘Gestalt, Beschaffenheit’, -scafund -scaft f., nhd. -schaft; wgerm. *skap n. ‘(geschnitztes) Gefäß’ in: as. skap n. ‘Schaff, Schiff’, ahd. skaf ‘Gefäß, Schaff’, wovon scepfen ‘haurīre’ (nach scepfen ‘creāre’ früh mit starker Flexion); Deminutiv as. skepil, ahd. skeffil ‘Scheffel’; ablaut. mnd. schōpe ‘Schöpfkelle’, mhd. schuofe f. ‘Schöpfgefäß’.
B. Formen auf -bh: (einschließlich lat. und bsl. Formen mit zweideutigem -b-).
Lat. scabō, -ere, scābī ‘schaben, kratzen, reiben’, scăbiēs f. ‘Kratzen, Schäbigkeit, Räude’, scaber ‘rauh, krätzig’; mit o: scobis f. ‘Schababfall, Fellstaub’, scobīna ‘Feile, Raspel’; mir. (s)cīp (mit bb) ‘Hand’ (expressive Verdopplung); got. skaban ‘schaben, scheren’, aisl. skafa ‘schaben, kratzen’, ags. scafan ds. (aisl. ags. Prät. skōf, wie lat. scābī); and. scaban ‘schaben, kratzen, (Haare) schneiden’, ahd. scaba ‘Hobel’, aisl. skafa ‘Schabeisen’; aisl. skabb, ags. sceabb ‘Krätze’, mhd. schebīc ‘räudig, schäbig’, älter nhd. Schäbe ‘Krätze’, and. scavatho ‘Räude’; isl. skōfir f. Pl. ‘Scharren, gesengte Kruste’, mnd. schōve (und schōpe) f. ‘Schuppe’, ahd. schuoppa ds.;
lett. skabrs (= lat. scaber) ‘splitterig, scharf’, skabrums ‘Schärfe, Rauhheit’, lit. skabùs ‘scharf, schneidend’, skabù, -ė́ti ‘schneiden, hauen, ästeln’, skóbti ‘aushöhlen’, nuskóbti ‘abpflücken’, skóbas, lett. skābs ‘sauer’ (*’scharf, schneidend’); aksl. skoblь ‘Schabeisen’, russ. skóbelь ‘Hobel’; nach Machek Slavia 16, 208 f. hierher aksl. chabъ ‘schlecht’, chabiti ‘verderben’.
C. Formen auf -p:
Npers. kāfaδ, kāvaδ ‘gräbt, spaltet’, kāf ‘Spalt’, šikāftan ‘spalten’;
alb. kep ‘behaue Steine, haue aus’ (idg. *kopō oder *kapō), wozu kmesë, këmés, kamés f. ‘Hacke, Hippe’ (*kapneti̯ā), sqep ‘Winkel, Schnabel’;
gr. σκέπαρνος, -ον ‘Beil zum Behauen des Holzes’, σκόπελος m. ‘Fels, Kliрре’ (venet. *skopelo-); κόπτω ‘schlage, haue; belästige, ermüde’, κόπος m. ‘Schlag’, κοπάζω ‘ermüde’, κόπις ‘(ermüdender) Schwätzer’, κοπίς, -ίδος f. ‘Schlachtmesser’, κοπεύς m. ‘Meißel’, κόπανον ‘Beil, Mörserstößel’, κοπάς, -άδος ‘beschnitten’, κόμμα n. ‘Einschnitt, Abschnitt’; mit a-Vokalismus: σκάπτω ‘grabe, hacke’, σκαπάνη ‘Hacke, Grabscheit’, (σ)κάπετος ‘Graben, Grab, Grube’; durchEntgleisung nach θάπτω : τάφος auch Formen mit φ: ἐσκάφην, σκάφος ‘das Graben, Grab’, σκάφη, σκαφίς f., σκάφιον n. ‘Wanne, Mulde, Trog’, σκάφος ‘Schiffsbauch’;
venet. (illyr.?) FlN *Skopelantia ‘Schefflenz’ (Baden): gr. σκόπελος (Krahe PBB. 69, 486 ff.);
lat. capō, capus ‘Kapaun’ (‘verschnitten’, vgl. abg. skopьcь), wegen der roman. Abkömmlinge (ital. cappone usw.) richtiger (mit expressivem pp): cappō; cappulāre ‘zerhauen’, concipilāre ‘in kleine Stücke zerhauen’; lat. a setzt eine ā̆-Wz. skā̆p- voraus; ebenso lat. scapulae ‘Schulterblatt, Schulter’, umbr. scapla ‘scapulam’ (von der Verwendung als Grabscheit oder Schaufel);
gall.-rom. capanna ‘Hütte’ (: serb. kòpa ‘Schober’), wohl ven.-illyr. Element im Gallischen;
germ. *hēbjō neben *habbō mit expressiver Geminata, auch *habjō: ahd. hā̆bba, hā̆ppa, heppa, mlat. hapia, mhd. happe, heppe ‘Hippe, Sichelmesser’;
balto-slav. skē̆pa- m. ‘etwas Abgespaltenes’ in:
lett. šḱę̀ps ‘Speer, Spieß’, šḱẽpele f. ‘abgeschnittenes Stück Holz’; ablaut. lit. skãpsnė f. ‘Stück Stoff’; aksl. štapъ (*skēpos), sloven. ščáp ‘Stock’, russ. ščap ‘Anhieb (eines Baumes’), russ. ščepá ‘Holzspan’, ščepátь, ščepítь ‘spalten’, aksl. skopьcь ‘Verschnittener’ (nhd. Lw.Schöps), skopiti ‘verschneiden’; lit. skãplis ‘Hohlaxt’, skãptas ‘krummes Schnitzmesser’, skopiù, skõpti ‘mit dem Messer aushöhlen’, skoptùvas ‘Hohlmesser’;
lit. kapóti, lett. kapât ‘hacken, hauen’, lit. kapõnė, lett. kapāns ‘Hackmesser’, lit. kaplỹs ‘Hacke, Eisaxt’, lett. kaplis ‘Hacke’, lit. kãpas, lett. kaps ‘Grab(hügel)’, apr. enkopts ‘begraben’;
aksl. kopajǫ, kopati ‘graben’, vъkopati ‘begraben’, serb. kòpa ‘Schober, Haufen’, bulg. kopá ds., usw.;
aksl. kopьje ‘Lanze’; wahrscheinlich slav. *čepъ ‘*abgeschnittener Ast’, in russ. dial. čopъ ‘Zweig des Weinstocks, Rebe’, bg. čep ‘Ast’, skr. čȅpur ‘Strunk’ u. dgl.; vielleicht gehört die Sippe *kāp- ‘Stück Land’ und *kap-ut ‘Kopf’ (oben S. 529 f.), hierher, ferner wohl die folgenden Worte für ‘Stock, Stab’:
gr. σκῆπτρον ‘Stab’, dor. σκᾶπτον ds. = ion. *σκῆπτον in σκηπτοῦχος ‘zeptertragend’, σκᾶπος· κλάδος Hes., σκηπάνη ‘Stab, Szepter’, hom. σκηπάνιον ds. = dor. σκᾱπάνιον Hes.; σκήπτω ‘stütze, schwinge mit Kraft’, intr. und med. ‘sich stützen; sich mit Kraft auf etwas werfen’, σκηπτός ‘plötzlich niederfahrender Sturmwind, Wetterstrahl, Unglück’; lat. scāpus ‘Schaft, Stiel, Stengel, Stamm’, scōpa f. ‘dünner Zweig, Reis’, Pl. ‘Reisigbesen’, scōpiō, -ōnis m. ‘der Stiel, an dem die Beeren der Weintraube hängen; Stamm des Spargels’, scōpus ds.;
ahd. skaftSchaft, Speer’, as. skaft ‘Speer’, ndl. schacht ‘Federkiel, Lanzenschaft’, ags. sceaft m., aisl. skapt n. ‘Schaft, Stange, Speer’.

WP. II 559 ff., WH. I 161 f., II 484 f., 489 f., Trautmann 117, 262, 265.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal