Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scharrelen - (rommelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scharrelen ww. ‘rommelen’
Nnl. scharrelen ‘wrijven, zich onrustig bewegen’ [1672; Hexham Manly NE], ‘zich onzeker, moeizaam, zoekend en/of bedrijvig voortbewegen of zodanig handelen’ in Achter sleedje of stoeltje scharlen [1826; iWNT], Hoe heb jij al die leugens toch bij mekaer escharreld? [1849; iWNT], Ik zal ... te vrede mogen zijn als ik stilletjes door de wereld heenscharrel [1865; iWNT], Twee hennen scharrelden in het zand [1884; iWNT].
Frequentatief van het verouderde werkwoord scharren, zoals in dese gaen scharren als droncke calveren [1437; MNW], scharren als die hoenre ‘scharrelen als de kippen’ [1477; Teuth.], ook wel scerren ‘wroeten’ [ca. 1483; MNW].
Os. *scerran ‘afkrabben’ (alleen als verl.deelw. ofgiscorran); ohd. scerran ‘afkrabben, afschuren’ (nhd. scharren ‘krabben, schrapen, scharrelen’); < pgm. *skerran-, een sterk werkwoord, wrsch. uit ouder *skersan-, door assimilatie -rz- > -rr- in de stamtijden met grammatische wisseling, gevolgd door analogiewerking in de andere stamtijden.
Wrsch. verwant met: Latijn carrere ‘wol kaarden’; Litouws kar̃šti ‘id., vlas hekelen’; Hittitisch kars- ‘afsnijden, afplukken’; < pie. *(s)kers-. Mogelijk is dit een variant van pie. *(s)ker- ‘afsnijden, afkrabben’ zoals in → scheren 1.
Zoals blijkt uit het Oudsaksisch en Oudhoogduits is de oorspr. betekenis ‘afkrabben, schrapen e.d.’, wat goed past bij de karakteristieke wijze waarop hoenderen hun voedsel zoeken. Naar analogie van de manier waarop zij zich daarbij voortbewegen, kreeg scharren, en later scharrelen, ook andere betekenissen.
scharrelkip zn. ‘los rondlopende legkip’. Nnl. De scharrelkippen zijn een succes geworden ... De scharrelkippen lopen gezellig in grote koppels bij elkaar [1975; Leeuwarder Courant]. Samenstelling van scharrelen en → kip. Het begrip werd geïntroduceerd in een periode van groeiend bewustzijn van de onnatuurlijke leefomstandigheden van kippen in de legbatterijen (zie → batterij), die in de jaren 1960 in grote aantallen werden gebouwd. ♦ scharrelei zn. ‘ei van een scharrelkip’. Nnl. Alhoewel de verkoop van onbespoten groente geen succes is geworden, werd het scharrelei dat wel [1976; Leeuwarder Courant]. Samenstelling van scharrelen en → ei.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scharrelen* [rommelen] {1783} iteratief van scharren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scharrelen ww. ‘met poten de grond omwoelen (van hoenders); zich onzeker voortbewegen; met moeite in zijn onderhoud voorzien, eerst nnl., een iteratief van mnl. scarren, scerren ‘krabben, afkrabben, wroeten, een knarsend geluid maken’ (nog dial. scharren ‘krabben; schuifelen, knarsen’) vgl. mnd. scharren ‘krabben, wroeten’, mhd. (nhd.) scharren ‘krabben, krabbelen, wroeten; schuifelen’, naast os. skerran, ohd. scerran ‘krabben, krabbelen’, waarnaast abl. mnd. schurren, nzw. skorra ‘schrapend geluid maken’ (evenals nnoorw. skarra). — Grondvorm *skarzōn van een idg. wt. *(s)kars ‘krabben, kammen’, vgl. oi. kaṣati ‘wrijft, krabt’, lat. carrō ‘wol kaarden’, carduus ‘distel’, lit. karšiù, kar̃šti ‘kammen, roskammen, kaarden’, lett. kā̀rsu, kā̀rst ‘wol kammen’, osl. krasta ‘huidkorst, schurft’ en ook mnd. harst ‘hark’ (IEW 532-533).

Dat een woord voor ‘krabben’ licht tot een bet. ‘een krassend geluid maken’ kan voeren, is begrijpelijk, v. Haeringen Suppl. 144 wijst op laat-mnl. (Hoorn) scarsen ‘scharrelen, zich onzeker bewegen’, ouder-nnl. scharsen (evenals knarsen naast knarren) en verder zuidnl. scharten en ouder-nnl. schartelen, typische varianten van een klankwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scharrelen ww., nog niet bij Kil. Frequentativum van mnl. scarren, scerren “krabben, afkrabben, wroeten, een knarsend geluid maken” (nog dial.). Hierin kunnen twee ospr. verschill. werkwoorden steken, ’t eene = mhd. (nhd.) scharren “krabben, krabbelen, snorken”, mnd. scharren “krabben, wroeten”, ’t andere = ohd. scërran, os. skërran (in of-skërran) “krabben, krabbelen”. Het tweede, een sterk ww., komt van de idg. basis (s)qers-, waarvan ook mnd. harst v. “hark”, obg. krastastígma”, russ. korósta, serv. krȁsta “schurft”, lit. karsziù, kar̃szti “wol kaarden”, oi. kasati “hij wrijft, schaaft, krast”, — ’t eerste is jonger en onder invloed van skërran ontstaan; dat kon te eer, doordat ’t taalgevoel skaxrr- als een onomatop. basis opvatte; noorw. skarre, dial. zw. en noorw. skarra duiden verschillende geluiden aan. Idg. (s)qers- kan een verlenging van (s)qer- (zie scheren) zijn. Zie schor I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scharrelen. Naast mnl. scarren, scerren laat-mnl. (Hoorn) scarsen ‘scharrelen, zich onzeker bewegen’, ouder-nnl. scharsen: vgl. knarsen naast knarren. Zuidndl. ook scharten, ouder-nnl. schartelen, jongere vervormingen van de onomatopoëtisch gevoelde woorden.
Bij mnd. harst, obg. krasta enz. ook lat. carro ‘ik kaard wol’; de lat. a is wsch. de voortzetting van een idg. reductievocaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scharrelen ono.w., frequent. van scharren + Hgd. id.: intensief van Mnl. scherren = schrapen, Os. skerran + Ohd. scerran, Mhd. scherren + Skr. kasati = krassen, Osl. krasta = litteeken, Lit. kařszti = kaarden: Idg. wrt. s-qers, een uitbreiding van den wortel van scheren. Hieruit komt Fr. déchirer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

scherrelen, ww.: schrijden, de benen wijd uiteenzetten. Door assimilatie van rd/rr uit o.m. Ovl. scherdelen, freq. van scherden, metathesis van schrijden. Zie scherlings.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

scherdelen (G), scherrelen (G, W, ZO), scharrelen (W), ww.: de benen spreiden. Freq. van scherden, zie i.v. scherdelinge.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

scherrelen (DB), ww.: wijd openspreiden (benen, ogen, vingers). Freq. van scherden; zie ook scherrelinge, scherrebeende.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scharrelen, een frequent, van scharren, dat krabben bet., bijv.: „Hoener (= hoenders) scharren al achterwaart”, thans: de kippen scharrelen; vandaar: bijeenscharrelen en scharrelaar; de kippen drentelen bij het scharrelen rond, vandaar: wat een gescharrel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scharrelen ‘vreemdgaan, rommelen’ -> Petjoh scharl'n, scharrelen ‘vreemdgaan, rommelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scharrelen* rommelen 1783 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal