Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schaal - (schil, schotel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schaal 1 zn. ‘harde schil; schotel’
Mnl. scale ‘harde buitenkant van vruchten, dieren of dierlijke producten’ en ‘schotel, kom’ in creuet scale ‘schild van een kreeft’ [1240; Bern.], weghen metten scalen ‘wegen met de schalen (= met de weegschaal)’ [1281-82; VMNW], die scale so art dat ‘zo'n harde dop dat ...’ [1285; VMNW], III scalen sonder voet ‘drie schalen zonder voet’ [1302; MNW], thy es sonder scale ‘het ei heeft geen schaal’ [1287; VMNW], schael van appel ‘appelschil’ [1477; Teuth.], tscale van der creefte, vander slecken ‘het kreeftenpantser, slakkenhuis’ [ca. 1483; MNW].
In de vorm schaal zijn in het Nederlands twee verschillende Germaanse woorden samengevallen, namelijk Proto-Germaans *skalō- ‘harde buitenkant van vruchten of dierlijke producten’ en*skēlō- ‘drinkkom’, twee verschillende ablautsvormen van dezelfde Indo-Europese wortel voor ‘snijden, splijten’, zie → schil.
Uit de ablautsvorm pgm. *skēlō- ‘drinkkom’: os. skāla ‘drinkkom, schotel’ (mnd. schale); ohd. scāla ‘id.’ (nhd. Schale); nfri. skeal ‘schotel, weegschaal’; on. skál ‘drinkkom, weegschaal’ (nzw. skål; door ontlening aan een Noord-Germaanse taal ook me./ne. scale ‘weegschaal’).
Uit de ablautsvorm pgm. *skalō- ‘notendop, eierschaal e.d.’: mnd. schale ‘id.’; ohd. scala ‘id.’ (nhd. Schale); oe. scalu, scealu ‘id.’ (ne. shale ‘schalie, mineraal met laagvormige structuur’) en pgm. *skala-; ozw. skal ‘schil, dop, schaal’ (nzw. skal). Evenals in het Nederlands vielen beide woordvormen ook samen in het Hoog- en Nederduits.
Het verband tussen de Germaanse betekenis ‘drinkkom, schotel’ en die van de Indo-Europese wortel voor ‘snijden, splijten’ zou volgens sommigen gezocht moeten worden in drinkkommen die zijn gemaakt uit schedels, die ‘van de overige hoofdbeenderen zijn afgesplitst’ (Kluge21), maar daar zijn weinig aanwijzingen voor. Veeleer moet men denken aan het ‘snijden’ van houten kommen (De Vries 1962). Deze betekenis heeft zich uitgebreid tot ‘kleine, ondiepe en wijde, meestal ronde of ovale kom’, gewoonlijk bestemd om gerechten in op te dienen, in een specifieke toepassing ‘schaal op een weeginstrument’. Bij uitbreiding worden tegenwoordig in het Nederlands ook weeginstrumenten waar geen schalen aan te pas komen weegschaal genoemd.
Met mnl. schale ‘harde buitenkant van vruchten e.d.’ kon het omhulsel van o.a. noten, andere vruchten (appels e.d.), eieren, schaaldieren en weekdieren worden aangeduid. Voor sommige van deze toepassingen zijn tegenwoordig andere woorden gebruikelijker: de dop van een noot, de schil van een vrucht, de schelp van een weekdier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schaal2* [schil, schotel] {schale, schael [schil, schotel] 1285} middelnederduits schale, oudhoogduits scala, oudnoors skál, oudengels sc(e)alu; uit een variant van de stam van schel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schaal 1 znw. v., ‘schil, dop’, mnl. scāle v. ‘schil, dop, eierschaal’, mnd. schāle, ohd. scăla (nhd. schale), oe. scalu, scealu v. (ne. shale) < germ. *skălō. — Zie verder: schel 1.

Het fra. écale ‘notedop, huls’ < frank. *skăla.

schaal 2 znw. v. ‘schotel’, mnl. scâle ‘schotel, drinkschaal, weegschaal’, os. skāla, ohd. scāla v. (nhd. schale) ‘drinkschaal’, nfri. skēl, on. skāl ‘drinkschaal, weegschaal’ < germ. *skēlō. — Zie: schel 1. — > russ. škalik dem. ‘vetpotje’, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A W Amsterdam 66, 2 (1959) 80.

In nnl. en nhd. zijn schaal 1 en schaal 2 samengevallen, in de dialecten handhaaft zich het verschil: vgl. roermonds šaal tegenover šòal, westf. schale tegenover schåle, noordfri. skal ‘mosselschelp’ tegenover skeel ‘nap’. — Ofschoon Paulus Diaconus er op wijst dat germ. *skēlō oorspr. ‘uit een schedel gemaakte drinknap’ betekende, is er geen aanleiding nu ook dit woord uit *skēð-lō te verklaren en met scheel en schedel te verbinden. Of men nu ook met Kluge-Mitzka 633 germ. *skēlō als ‘van het hoofd afgesneden hersenpan’ (die als drinknap gebruikt werd) mag verklaren is twijfelachtig. Het drinken uit schedels wordt vaker van Kelten dan van Germanen bericht; indien het niet in een affect van woede geschiedde, was het toch een handeling in een cultus; als algemeen gebruik heeft het niet bestaan (zie J. de Vries, Kelten und Germanen 1960, 12-15).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schaal I (schil, schotel), mnl. scale v. “schil, dop, eierschaal” en “schotel, drinkschaal, weegschaal”. In de eerste bet. heeft ’t woord ā blijkens ’t synonieme nnl. dial. (Roermond) šaal, westf. schale, in de tweede â blijkens ̓t synonieme nnl. dial. (Roerm.) šòal, westf. schåle. Mnl. scāle v. = ohd. scala (nhd. schale), mnd. schāle, ags. scalu, scealu v. (eng. shale) “omhulsel (schil, dop, bast)”, in ̓t Ags. ook “schotel”; mnl. scâle v. = ohd. scâla v. “drinkschaal” (nhd. schale), os. skâla v. “id.”, on. skâl v. “schaal, drinkschaal, weegschaal”. Os. skala zw. v. “concha” heeft wsch. ǎ. Zoowel germ. *skalô- als *skêlô- kunnen komen van de bij schel I besproken basis; voor *skêlô- vgl. echter scheel I. Uit ’t Germ. komt o.a. fr. écale “schaal, schil, dop, bolster”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schaal 2 v. (dop, beker, bekken van een weegschaal, enz.), Mnl. scale, Os. scála + Ohd. id. (Mhd. schale, Nhd. id.), On. skál (Zw. skål, De. skaal) + Gr. skállein = krabben, Oier. scailim = ik neem uiteen, Osl. skolika = dop, schelp, Lit. skelti = splijten: Idg. wrt. sqel.

schaal 3 v. (schil), Mnl. scale, Os. scăla + Ohd. scăla (Mhd., Nhd. schale), Ags. scealu (Eng. shale), On. skăla (Zw. en De. skal): van denz. wortel als schaal 2. Uit Germ. Fr. écale.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjaal, sjeel, zn.: bovenbil, dijstuk van rund. D. Schale ‘vlees aan heup of staart van rund’; hoef van hert of rund’. Idg. *(s)kel- ‘snijden’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2skaal s.nw.
Een van die bakke aan die arms van 'n weegtoestel waarin voorwerpe geplaas word om dit te weeg, of die toestel self.
Uit Ndl. schaal (1602). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. scale (1375).

3skaal s.nw.
Kalkagtige dop of skub van sekere weekdiere, mossels of eiers.
Uit Ndl. schaal (1699).
Eng. scale (13de eeu), Fr. écaille.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schaal (eierschaal, enz.) zie Schil. Vermoedelijk bij overdracht ook schaal als eetschaal enz., wegens den vorm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schaal ‘harde, buitenste bekleding, schil; stuk hout voor het versterken van rondhouten; klein ovaal vat, schotel’ ->? Zweeds skålvirke ‘houtafval’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † escale ‘kopje, beker’; Frans écale ‘schil van noten’ Frankisch; Russisch škálik, škálčik, škálo ‘lampje, lampion; kleine brandewijnmaat, drinkschaal; stukken hout ter versterking van een mast of ra’; Oekraïens škálik ‘kleine brandewijnmaat’ <via Russisch>; Azeri shkala ‘kleine maateenheid’ <via Russisch>; Javaans sekal ‘schotel’; Menadonees shal ‘schotel’; Negerhollands skel, skael ‘schotel’; Berbice-Nederlands skal(i)ki ‘bolvormige houten dakpan’; Papiaments skalchi ‘schotel; collecteschaal; bun (kist of van gaas gemaakte bak achter boot met levende vis als aas)’; Sranantongo skarki ‘schotel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schaal* schil 1174-1176 [Rey]

schaal* schotel 1302 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

100. Gouden appelen in (of op) zilveren schalen.

Dit wordt toegepast op de ‘vrucht der redenaarskunst’, wanneer men een meesterstuk van welsprekendheid wil aanduiden, voortreffelijk van inhoud en vorm. De zegswijze is ontleend aan Spreuken 25, 11: ‘Een reden op sijn pas gesproken, is als gouden appelen in silvere gebeelde schalen’. Zie het Ndl. Wdb. II, 552; Korenbl. II, 404; Vondel's Harpoen, vs. 105; Kalv. I, 16: Zijn woorden waren van pas als zilveren appelen in een gouden vlechtwerk; Nkr. V, 9 Sept. p. 4:

 Daer schettert Ruys de Beerenbrouck
 Woest tegen de socialen,
 Geeft tal van gouden appelen
 Op zuiver zilveren schalen.

Hd. goldene (güldene) Aepfel in silbernen Schalen (Zeitschr. f. D. Wortf, IX, 291; XIII, 91); eng. apples of gold in pictures of silver.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kel-1 ‘schneiden’, nicht zuverlässig von kel- ‘schlagen’ und kel- ‘stechen’ (oben S. 545 f.) zu trennen., kolā ‘Teilchen’; skēlā ‘Abgeschnittenes’ (‘Hirnschale’), skoli̯ā ‘Abgespaltenes’, skol-mā ‘Schwert’, (s)kōlo- ‘Spieß’

Ai. kalā́ ‘kleiner Teil’ (: serb. pro-kola ‘Teil eines gespaltenen Ganzen’, das zunächst zu aksl. koljǫ ‘steche’ und ‘spalte’, oben S. 546);
arm. čelk’em ‘spalte, zerschlage’; wohl auch k’eli ‘Steuerruder’ (Bed. wie in ags. helma, s. unten); auf anl. sk̑- (mit sonst nirgends wiederkehrendem Palatal) wiese c̣elum ‘spalte’;
gr. σκάλλω ‘scharre, hacke, grabe’, σκαλίς ‘Hacke, Karst’; σχαλίς ‘hölzerne Gabel alsStütze aufgerichteter Jagdnetze’ (unter Einfluß von σχάζω ‘ritze, schlitze auf’, σχάσμα ‘Einschnitt’); σκαλμός ‘Pflock, Ruderdolle’ (vgl. thrak. σκάλμη, ahd. scalm, ags. helma, osorb. čołm, lit. kélmas); σκύλλω ‘schinde, zerreiße, plage’ (*skoli̯ō), κο-σκυλ-μάτια ‘Lederschnitzel, Abfall von Leder’, σκῶλος ‘Spitzpfahl’ (vgl. lit. kuõlas ‘Pfahl’; mit ŏ: aksl. kolъ ‘Pflock’ oben S. 546); vielleicht ist auch κωλύω ‘hemme, hindre’ von einem *κῶλος ‘Pflock’ abgeleitet (‘anpflöcken’), der Ausgang -ύω nach dem begriffl. Gegensatz λύω?; σκόλυθρον ‘Schemel’, σκολύπτειν ‘verstümmeln, beschneiden’ Hes., ἀποσκολύπτω ‘kastriere’; auf eine Bed. ‘von der Haut sich abspaltende Schuppe’ geht zurück κελεφός ‘Aussätziger’ (vgl. mengl. scalle ‘Grind’, nengl. scall (nord. Lw.), schwed. skål ‘Ausschlag am Munde’);
thrak. σκάλμη ‘Schwert, Messer’ (*skolmā);
alb. halë ‘Schuppe, Gräte, Splitter, Bart der Ähren’ (*skoli̯ā = got. skalja); holë ‘dünn, fein, zart’; f. ‘Zartheit’ (*skēl-); hel ‘Pfrieme, Ahle’, hele ‘Bratspieß, Spieß, Lanze’ (= σκῶλος); vielleicht shtel’ ‘öffne, mache glänzend, scharf, stecke Feuer an, entzünde’ (lit. skìlti ebenfalls ‘Feuer anschlagen’);
lat. siliqua ‘Hülsenfruchtschote’ (wovon silicia ‘foenum graecum, Bockshorn’), diss. aus *sciliqua, älter *sceliquā: aksl. skolьka ‘ostreum’; lat. silex, -icis ‘Kiesel’ diss. aus *scilec- älter scelic-; vgl. mir. sce(i)llec ‘Fels’ (Endung nach air. carraic ‘Felsen’);
ohne anl. s- vielleicht hierher: lat. culter, -trī ‘Messer’ (*kel-tro-s, *kol-tro-s oder*kḷ-tros); celtis f. ‘Meißel’ existiert nicht, s. Niedermann, Mus. Helv. 2, 123 f.;
cymr. chwalu ‘zerstreuen’, corn. scullye, sculye, bret. skuĺa ds.;
mir. scoilt, scailt ‘Spalte’, scoiltim ‘ich spalte’, brit. mit Umstellung von sk- zu ks- (hw-): cymr. hollt ‘Spalte’, corn. felǯa (Umlaut) ‘spalten’, bret. faouta ds.; mir. sceillec ‘Fels’ (s. oben); vielleicht mir. scellān ‘Same, Kern’;
air. colainn ‘Fleisch’, cymr. celain ‘Leiche’ (*kolanī); cymr. caill, Pl. ceilliau ‘Hode(n)’, bret. kell ds.; gall. callio-marcus ‘Huflattich’ aus älter *callio marcī ‘testiculus equi’; vgl. gall. ebulcalium (aus *epālo-callion) neben epo-calium (*epo-callion) ‘ungula caballina’;
got. skilja ‘Fleischer’; aisl. skilja ‘trennen, unterscheiden, (ent)scheiden’, skil n. (i nach skilja) ‘Unterschied, Entscheidung, Bescheid’, skila ‘(ent)scheiden’; ndl. verschillend ‘verschieden’ (*skiljand); mnd. schelen ‘trennen, unterscheiden’ (schele ‘Unterschied, Mangel, Grenze’) = ags. scielian ‘teilen, entfernen’ (*skelōn);
got. skildus ‘Schild’, aisl. skjǫldr m. (daraus mir. scell), ags. scield, as. scild, ahd. scilt ds. (-tu-St. neben lit. skìltis ‘abgeschnittene Scheibe’); dazu got. skillings, ahd. usw. scilling ‘kleine Münze, Schilling’ aus skildu-lings;
got. skalja ‘Ziegel’, aisl. skel f. ‘Schale’, ags. sciell f. ‘Hülse, Muschelschale’, mnd. schelle f. ‘Schale, Fischschuppe’; ahd. scā̆la ‘Hülse, Schale’, mhd. schale auch ‘Steinplatte’, ags. scealu ‘Hülse, Schale’; ahd. fuaz-skal ‘hölzerner Pflock als Verschluß für den Fuß’, nhd. Schelle ‘manica, compes, numella’, Hand-, Fußschelle;
aisl. skjall n. ‘Häutchen’, ags. sceallan m. Pl. ‘Hoden’, afries. skall ds. (: cymr. caill); aisl. skalli m. ‘Kahlkopf’, als ‘abgeschnittene Hirnschale’; auch norw. schwed. skalle; ablaut. schwed. skulle ‘Hirnschale, Schädel’, älter schwed. skolla ‘dünne Platte’, ahd. scollo m., scolla f. ‘Scholle’;
mit Dehnstufe *skēl- (vgl. alb. holë): aisl. skāla f. ‘Trinkschale, Wagschale’, ahd. as. scāla ‘Schale’;
as. skola, ags. scolu ‘Abteilung, Schar’;
ohne anlaut. s-: got. hallus m. ‘Fels’ (*kol-nu-), aisl. hallr m. ‘Stein, Fels’, hella f. ds., finn. Lw. kallio ds., (*hallj[ōn]). aisl. hellir ‘Berghöhle’, schweiz. Hell ‘Steinplatte’ usw.; s. oben S. 544;
aisl. hold n. ‘Fleisch’, ags. hold n. ‘Leichnam’, ags. holdian ‘aufschneiden’, hyldan ‘die Haut abziehen’, aisl. hylda ‘aufschneiden’ (beruhen auf einem Partiz. *kl̥-tó-m);
ahd. scultirra, ags. sculdor ‘Schulter’ (*skḷ-dhrā ‘Schulterblatt als Schaufel, als Grabwerkzeug’);
mit Formans -mo- und den Bed. ‘Schneidewerkzeug; geschnittenes Holz; ausgehöhlter Einbaum, Kahn’: aisl. skǫlm f. ‘Zinke einer Gabel, Schote’, Pl. ‘Schere’, nd. ostfries ndl. schalm ‘dünnes Brett’, aisl. skalma-trē ‘gespaltener Baum’, ahd. scalm ‘navis’; auch wohl ahd. scalmo ‘Pest, Seuche, Leichnam’; mhd. schalm(e) ds.; dazu skelmo ‘Todeswürdiger’ (*skalmian-), mhd. mnd. schelm(e) ‘Bösewicht’; vgl. alb. helm ‘Trauer, Gift’; ohne anlaut. s-: ags. helma, engl. helm ‘Griff des Steuerruders, Steuer’, mhd. halm(e), helm ‘Axtstiel’, ahd. helmo, halmo ‘Ruderpinne’, ndl. helmstock ds., mnd. holm ‘Querbalken, Jochträger’, aisl. hjǫlm f. ‘Steuer’, hjalm-vǫlr ‘Ruderpinne’;
*skol-dhā ‘(abgeschnittene) Stange’ ist wohl die Grundlage von ahd. scalta ‘Stoßstange, Bootshaken’, scaltan ‘mit einer Stange schieben’, nhd. schalten auch ‘einschalten (= dazwischen hineinstoßen)’ und übertr. ‘walten’, dial. auch ‘spalten’, as. skaldan ‘ein Fahrzeug vorwärts schieben’, mhd. schalte, aisl. skalda ‘Fähre’, mhd. schalter, schelter ‘Riegel’, nhd. Schalter ‘Schiebfenster, Stange, Bootshaken’;
mit Formans -go-: mnd. schalk ‘Sparrenstütze’ ostfries. schalk ‘Holzklötzchen als Unterlage’, bair. schalken ‘zerspalten’; schwed. skulk ‘abgesägter Stumpf’;
lit. skeliù, skélti ‘spalten’ (der Akzent nach skílti?), skilù, skílti ‘sich spalten’; ‘Feuer schlagen’ (Intonation der schweren Basis, wie kélnės); skalà ‘Holzspan, Lichtspan’, Iterat. skéldėti ‘platzen, bersten’; lett. šḱel̂t ‘spalten’, šḱēlêt ds., šḱēle ‘abgeschnittenes Stück’, usw.; über lit. kélmas s. oben S. 546;
aksl. skala ‘Fels, Stein’ (die Bed. ‘Schale’ durch Entlehnung aus ahd. scāla ds.), sloven. skála ‘assula tenuis; Lichtspan’, russ. skalina ‘abgelöste Birkenrinde’; skolьka ‘Muschelschale’ (s. oben lat. siliqua), russ. ščelь ‘Spalte’, sloven. ščalja ‘Splitter’, poln. skalić się ‘sichspalten, bersten’;
hitt. iškallāi- ‘zerreissen, aufschlitzen’.
Wurzelerweiterung skel(e)-p-:
vielleicht in ai. kálpatē ‘wird geordnet, wird zuteil’, kalpáyati ‘ordnet an’, kl̥ptá ‘fertig, gerüstet’ = av. hu-kǝrǝpta- ‘schöngeformt’, das jedoch auch zu kǝhrp- ‘Gestalt’ (oben S. 620) gehören könnte;
gr. σκάλοψ ‘Maulwurf’ (als ‘Gräber’); σκόλοψ m. ‘Spitzpfahl’;
lat. scalpō, -ere ‘kratzen, ritzen, scharren, mit spitzem Werkzeug schneiden, meißeln’ (scalprum, scalper ‘scharfes Werkzeug zum Schneiden, Meißeln’), sculpō, -ere (ursprüngl. in Kompositis aus scalpō) ds.;
ahd. scelifa, mhd. nhd. dial. schelfe ‘häutige Schale’, mnd. schelver ‘abgeblättertes Stück’, schulvern ‘abblättern’; aisl. skjǫlf ‘Bank’, ags. scielfe ‘Flur, Stockwerk, Bretterverschlag’, scielf m. ‘Felsspitze’, mnd. schelf ‘Brettgerüst, Regal’;
ohne s: got. halbs, aisl. halfr, ags. healf, as. half, ahd. nhd. halb (eig. ‘geteilt’); ags. hielfe ‘Griff, Schaft’ (engl. helve), ahd. mhd. halb ‘Handhabe’, nhd. dial. halb, helb ‘Stiel’; ahd. halftra ‘Zaum’, ags. hælftre ‘Halfter’, (aus *’Handhabe’);
lit. kálpa ‘Querholz am Schlitten’, kìlpa ‘Steigbügel, Schlinge’, kìlpinis ‘Armbrust’, apr. kalpus ‘Rungenstock’;
lit. sklempiù, sklem̃pti ‘glatt behauen, polieren’.
Wurzelerweiterung skel(e)-b-:
aisl. skalpr ‘Schiff’, dän. dial. skalp ‘Samenschote, Hülse’, mnd. schulpe, scholpe ‘Muschel, Schuppe’, dän. skulp, skulpe ‘Schote, Fruchtbalg’, norw. skolp ‘Schote, Hülse’, engl. skalp (nord. Lw.) ‘Schädel, Hirnschale’, aisl. skelpa f. ‘Grimasse’, skolpr ‘Hohlmeißel’; aksl. sklabiti sę ‘den Mund aufmachen, lächeln’, čech. škleb ‘Zähnefletschen’;
i-Erweiterung: sklei-, sklei-d-, sklei-k-, sklei-p-:
aisl. slīta ‘zerreißen, zerstören, verbringen’ (slitna intr. ‘rumpi’), ags. slītan ‘zerreißen’, as. slītan ‘schleißen, spalten’, ahd. slīzan ‘spalten, reißen, aufbrauchen’, nhd.verschleißen, schleißen, aisl. slit ‘Schlitz, Riß, Abnützung’, ags. geslit ‘das Bersten’, ahd. sliz, nhd. Schlitz, mhd. sleize, nhd. Schleiße ‘Leuchtspan’; aisl. slīðrar f. Pl., slīðrn. Pl. ‘Schwert- oder Messerscheide’ als *s(k)lei-tro-, -trā- von der unerweit. Wzf. sklei-;
lit. skleidžiù, skleĩsti, lett. skliêst ‘ausbreiten, umblättern’, lit. sklaidaũ, -ýti ‘hin und her blättern’, refl. ‘sich zerstreuen’, iš-sklaidýti ‘zerstreuen, vertreiben’, sklį̃sti ‘auseinanderfließen’; lit. sklaidùs ‘zerstreut’, lett. sklaidis ‘ein Herumtreiber, Taugenichts’; ohne anlaut. s-: klaîdît ‘sich herumtreiben’, klîstu, klîdu, klîst ‘irren’, lit. klýstu, klýdau, klýsti ‘sich verirren’ (ohne d: lit. klajóju, -óti ‘herumirren’, lett. klaijât, -uôt ds. eineursprüngl. versch. Sippe?); apr. sclait, schlāit, schklait ‘sondern; ohne’, schklāits Adv. ‘sonderlich, besonders; sonst’, Adj. ‘schlicht, einfach’;
ags. slīfan ‘spleißen’, engl. slive, ags. to-slǣfan ‘spalten’, mnd. slēf, norw. sleiv ‘großer Löffel’.

WP. II 590 f., WH. I 165, II 536 f., Trautmann 264.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal