Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

samen - (bijeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

samen bw. ‘bijeen’
Onl. saman ‘samen, in elkaars gezelschap’ in Thu ... samon mit mi suota nami muos ‘jij nam samen met mij zoet eten’ [10e eeuw; W.Ps.], tesaman ‘samen, bijeen’ in zesamene gebunden ‘gebundeld’ [ca. 1100; Will.]; mnl. samen in Di waren alle samen vro ‘die waren met zijn allen verheugd’ [1200; VMNW], meest in combinatie met het voorzetsel te in camere. dar sie uant tesamene. blantseflvor ende floyris ‘(de) kamer, waar ze Blanchefleur en Floyris samen vond’ [1201-25; VMNW], te samene sitten ‘bijeenkomen’, te samene slapen ‘bij elkaar slapen’ [beide 1240; Bern.], tsamen [1300-50; MNW-R].
Ontstaan door assimilatie en vereenvoudiging van de beginklanken uit tsamen < mnl. tesamen, te samen < onl. te saman, een vaste voorzetselcombinatie van → te 1 en het bijwoord samen ‘bijeen’. Mnl. s- werd vóór een klinker gewoonlijk stemhebbend uitgesproken en pas in het (Vroeg)nieuwnederlands meestal als z- geschreven, vandaar dat nu in tezamen (een formele schrijftaalvariant van samen) en in andere afleidingen van mnl. samen een z verschijnt, bijv. in → verzamelen en → gezamenlijk.
Os. tesamna; ohd. zisamane (nhd. zusammen); ofri. to samene, to semine; oe. tosomne, tosamne; ozw. til saman(s) (nzw. tillsamman(s)). Zonder voorzetsel: os. saman; ohd. saman; oe. somen; on. saman (nde. sammen); got. samana; < pgm. *samana- ‘samen, bijeen’. De oorspr. betekenis was wrsch. ‘naar dezelfde plaats’ bij pgm. *sam- ‘dezelfde’ met een richtingssuffix -an.
Pgm. *sama- gaat terug op de o-trap van de Indo-Europese wortel voor ‘één’, zie → sommige.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

samen*, saam [bij elkaar] {1200, te samene 1201-1250} ook middelnederlands tsamen(e), van te + samen (vgl. zamelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

samen of saam bijw., mnl. tsamene, tsamen en tesamen(e), os. tosamna, ohd. zisamane (nhd. zusammen), ofri. to semine, to samene, oe. tōsomne, tōsamne ‘samen’, gevormd als on. til samans uit het grondwoord zamen, waarvoor zie: zamelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

samen, saam bijw., mnl. tsāmen(e) naast tesāmen(e) (nnl. tezamen). = ohd. zisamane (nhd. zusammen), os. tesamna, -e, ofri. to semine, to samene, ags. tôsomne, tôsamne “samen”. Vgl.on. til samans ”id.”. Zie verder bij zamelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

samen bijw., uit tsamen (d.i. te zamen), Mnl. te samen + Hgd. zusammen. - Ndl. zamen, Mnl. samen, Os. saman + Ohd. id. (Mhd. samen, Nhd. sammen), Ofri. samin, Go. samana: alle afleid. van Os. sama, Ohd. id., Ags. same (Eng. same), On. samr (Zw. en De. samme), Go. sama = gelijk, zelfde + Skr. samas, Gr. homós = gelijk, La. sim-ul = gelijk, sim-ilis = gelijk, Oier. som, Osl. samŭ = zelf, zelfde (z. sommig en -zaam): Idg. wrt. sem = een.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

saam bw.
1. By iemand of iets anders. 2. Met iemand of iets anders. 3. Bymekaar gereken.
Uit Ndl. zaam, 'n wisselvorm van zamen (1552 in bet. 1, 1661 in bet. 2, 1738 in bet. 3). Ndl. zamen is 'n sametrekking van te zamen 'tesame'. Eerste optekeninge in Afr. by Changuion (1844) in die vorm zaam en by Pannevis (1880).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Samen voor ons eigen

Samen voor ons eigen is een leus die op 12 april 1981 op televisie werd gelanceerd door de Tegenpartij. De kreet stond ook op een affiche van de Tegenpartij dat die week met de vpro-gids en het Vlaamse tijdschrift Humo werd meegestuurd. Tijdens de verkiezingen van 1981 hingen talloze mensen deze poster voor hun raam. Datzelfde jaar verwerkten Van Kooten en De Bie de kreet in een potpourri op de maxisingle Gouden doden. Het grote succes van dit plaatje zal zeker tot de verbreiding van de uitdrukking hebben bijgedragen. De complete tekst van het liedje luidt:

Samen voor ons eigen
Laat de rest de rambam krijgen
Samen voor ons eigen
Want alleen is maar alleen
Samen voor ons eigen
Tegen hun die ons bedreigen
Samen voor ons eigen
Slaan wij ons er dwars doorheen.

De uitdrukking duikt tegenwoordig op de vreemdste plaatsen op. Politici mogen haar graag aanhalen in de Tweede Kamer, maar ook wetenschappers vinden het prettig om te laten zien dat zij hun klassieken kennen. Zo figureert de uitdrukking in de titel van zeker vier wetenschappelijke publicaties uit de periode 1993-1998. Overigens op zeer uiteenlopende terreinen, van sociale psychologie (‘“Samen voor ons eigen!” De invloed van groepsidentificatie op individuele en collectieve vormen van coöperatie’) tot bedrijfskunde (‘Combinatiebouw: Samen voor ons eigen’), en van het openbaar vervoer (‘Verkehrsverbunde, openbaar vervoer en overheden: samen voor ons eigen?’) tot rechtspraak (‘Unificatie en codificatie: samen voor ons eigen!’).

Kortom, achttien jaar na de dramatische verdwijning van de Tegenpartij leeft een van haar politieke grondbeginselen nog volop voort. Hetzelfde geldt voor een ander belangrijk uitgangspunt van deze partij: geen gezeik, iedereen rijk. Zie verder aldaar en zie ook dameswensen; godverdegodver; kneukfilm; mogen wij even overgeven?; neutronenkorrels; Tedje van Es en vrije jongens.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Samen, staat voor tsamen en dit voor te samen (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

samen ‘bij elkaar’ -> Shona svomhu, samhu ‘optellen, rekenen’ <via Afrikaans>.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sem-2 ‘eins’ und ‘in eins zusammen, einheitlich, samt, mit’

1. Mit vorherrschender Zahlwortbedeutung ‘eins’:
Arm. mi ‘eins’ (*sm-ii̯os); gr. εἷς, ἕν, μία (*sems, *sem, *sm-iǝ), Gen. ἑνός (für *ἑμός oder ἁμός nach *ἕνς, ἕν) ‘ein’; μῶνυξ ‘Einhufer’ (*σμ-ῶνυξ), kret. ἀμάκις, tarent. ἀμάτις ‘einmal’, Komp. dor. ἅτερος (att. ἕτερος) ‘der eine, der andere von zweien’ (= cymr. hanner, corn. bret. hanter ‘Hälfte’);
lat. sem-per ‘in einem fort, immer’ (*sem = gr. ἕν, vgl. unten germ. sin-); simītu ‘zugleich’, Ablat. von *simītus < *sem-eitus ‘das Zusammengehen’, vgl. air. emith ‘tanquam, quasi’, cymr. hefyd ‘auch’ aus *semiti-, zu ai. sám-iti-; mīlle ‘1000’ aus *smī g̑heslī ‘eine Tausendheit’ (irrig S. 446), vgl. das in *sm̥-g̑heslom zerlegte ai. sahásra-m, av. hazaŋra- ‘eintausend’; air. cumme ‘ähnlich’ aus *kom-smii̯o- ‘ganz der eine, der gleiche’; germ. *sin (d. i. idg. *sem in adv. Erstarrung) ‘*in einem’ = ‘zusammen’ oder ‘immerwährend’ oder ‘durchaus, sehr’ in as. ahd. sin-hīun, ags. sin-hīwan ‘conjuges, Ehegatten’, got. sin-teins ‘täglich’, as. sin-nahti, ags. sin-niht ‘ewige Nacht’, mhd. sin-grüene, ags. sin-grēne, aisl. sī-grønn ‘immergrün’, ags. sin-here ‘großes Heer’, ahd. sin-fluot ‘große Flut’, aisl. sī-valr, ags. sine-wealt, and. sinu-wel ‘ganz rund’ usw.;
toch. A sas m. (komponiert ṣa-), В ṣe (älter ṣes in ṣes-ka ‘allein’) aus *sem-s; A säṃ f. aus *sem; Kompos. Form A ṣoma- (*semo-), В somo- (*somo-); Van Windekens Lexique 121.
sm̥- als 1. Kompositionsglied: ai. sakŕ̥t, av. ha-kǝrǝt̰ ‘einmal’ (über ai. sa-hásram s. oben), gr. ἅ-παξ ‘einmal’, ἁ-πλόος ‘einfach’, lat. sim-plus, -plex ‘einfach’, gr. ἑ-κατόν ‘ein-hundert’ aus *ἁ-κατόν nach εἷς oder einem *ἕν-κατον. Vgl. unten *sm̥ ‘in eins zusammen, mit’.
Mit Gutturalsuffixen: gr. ἴγγια· εἷς. Πάφιοι (*ἑν-για); lat. singuli ‘einzelne’ (dagegen sincinium ‘Einzelgesang’ nicht aus *singo-caniom, sondern volksetymologische Umgestaltung von sicinnium aus gr. σίκιννις ‘Tanz der Satyrn’);
mit g̑h vermutlich arm. ez ‘einer’ (*sem-g̑ho-? damit hez ‘mild, rechtschaffen’ als ‘einfach von Sitten’ gleich? Pedersen KZ. 39, 414); mit ai. śaśvant- ‘sich gleichmäßig erneuernd, eine ununterbrochene Reihe bildend, jeder, all’ (aus *sa-śvant-, mit Formans -u̯ent- von idg. *sm̥-k̑o- etwa ‘in einem Zuge, in einer Reihe’); vielleicht alb. gjith ‘alles, ganz’ (*sem-k̑o ‘von einerund derselben Art’?).
Mit l-Suffixen: gr. ὁμαλός ‘gleich, eben, glatt’ (‘*in einer Art verlaufend’) ablaut. lat. similis ‘ähnlich’ (*semelis ‘von ein und derselben Art’), simul, älter semol, semul ‘zugleich’ apokopiert aus *semeli, woneben nach bis, *tris (ter) erweitertes *semlis ‘einmal’ in semel, umbr. sumel ‘zugleich’ (mit demselben о wie ὁμαλός? oder letzteres erst nach ὁμός aus *ἁμαλός umgefärbt?); mit Red.-St. air. samail ‘Bild, Gleichnis’ (proklit. amal ‘wie’), cymr. usw. hafal ‘ähnlich, gleich’, air. samlith ‘simul’, cosmail ‘consimilis’; got. simlē ‘(*einmal =) einst’, ags. sim(b)le, simles, simblon ‘immer’, ahd. simble(s), simblum ds., auf einem n. *semlo-m ‘eine Zeit’ beruhend.
2. semo- ‘einer’ = ‘irgendeiner’ (unbetont):
ai. samá- ‘irgendein’, av. ap. hama- ‘jeder beliebige, omnis’;
arm. amēn, amēn-ain ‘alle, omnis’;
gr. ἁμό- ‘irgend ein’ in ἀμῆ, att. ἁμῆ ‘rgendwie’, ἀμόθεν, att. ἁμόθεν ‘irgendwoher’, ἀμῶς, att. ἁμῶς ‘irgendwie’, οὐδ-αμός ‘nicht einer, keiner’, οὐδαμῶς ‘keineswegs’; got. sums ‘irgend ein, ein gewisser’, Pl. ‘einige, manche’, aisl. sumr ‘quidam, nonnullus’, as. ags. ahd. sum ds.
3. ‘*in eins = zusammen, mit’;
sm̥-: ai. sa-há, sadhao ‘gemeinsam, zusammen’ = av. haδa, ар. hadā ‘zusammen’, ai. satrā́ ‘zusammen, ganz und gar’ = av. haθrā̆ ‘zusammen, zugleich, vereint mit’, ai. sádam, sádā ‘allzeit, stets immer’ = av. haδa ‘immer’, ai. sá-dhrī Adv. ‘zusammen’ (: Wz. *dher- ‘halten’, wie auch:) gr. ἀ-θρόοι, att. ἁ-θρόοι ‘im Verein, gesamt’, ἄ-λοχος ‘consors tori’, ἀ-δελφός ‘couterinus’, ἀ-κόλουθος ‘Weggefährte’ (aus ἁ- durch Aspiratendiss). - Ai. smát ‘zusammen mit’, av. mat̰ ‘ds.; immer, immerdar’; gr. ἅμα, dor. ἁμᾶ ‘in einem, zugleich’, ἁμόθι ‘zusammen’.
som-: ai. sám- ‘zusammen, zugleich mit’, av. ap. ha(m)- ‘mit’ (in Verbindung mit Verben und in Zs. mit Nomina; arm. ham- ‘mit’ wohl aus dem Iran.);
lit. sam-, są- (z. B. sam-dýti ‘dingen’, sán-dora ‘Eintracht’, są́-žinė ‘Gewissen, conscientia’), apr. san-, sen- (san-insle ‘Gürtel’), sen (*sem) Präp. ‘mit’ (idg. *sem); aksl. sǫ- ‘mit’ (sǫ-sědъ ‘Nachbar’, vgl. ai. saṁ-sád- ‘Versammlung’), sǫ-logъ ‘consors tori’, vgl. ἄ-λοχος usw.;
mit aksl. sǫ- ablautend ist *sъn-, (*som) z. B. in sъn-iti ‘convenire’, sъ-vęzati ‘zusammenbinden’ sowie Präp. ‘mit’; falls lit. sù ‘mit’ dazugehört, könnte es samt aksl. und gr. ξύν, σύν ‘mit’ auf idg. *ksu bzw. *ksun zurückgeführt werden; vgl. Schwyzer Gr. Gr. 2, 4877.
Von som- stammt somo-s: ai. samá- ‘eben, gleich, derselbe’, samám Adv. und Präp. ‘zusammen’, samáyā, in gleicher Weise, mitten hindurch’, *samayati ‘ebnet, bringt in Ordnung’, av. ap. hama- ‘gleich, derselbe’, arm. omn ‘irgendwer’ (Meillet Esquisse2 90); über ai. simá- ‘selbst’ s. Wackernagel-Debrunner 3, 578;
gr. ὁμός ‘gemeinsam; ähnlich, gleich, eben, glatt’, ὁμοῦ Adv. und Präp. ‘zusammen’, ὁμό-θεν ‘aus demselben Ort’, ὁμό-σε ‘an denselben Ort’, ὅμως ‘gleichwohl’ (ὁμοῖος, natt. ὅμοιος ‘ähnlich’); hierher ὅμηρος (oben S. 56), ὁμαρτέω ‘begleite’ (zu *ὅμαρτος aus *som-r̥-to-s), nach Szemerényi Gl. 33, 265 zu *er-, oben S. 327 f.; air. -som ‘ipse’, air. sund ‘hier’, cymr. hwnn ‘dieser’ (aus idg. *somdhe, welches zu sondo- umgebildet wurde); got. sa sama ‘derselbe’, aisl. samr, inn sami ‘derselbe’, samt Adv. ‘ununterbrocben’, ahd. der samo ‘derselbe’, vgl. auch Zs. wie got. sama-kuns, anord. samkynja ‘von gleichem Geschlecht’, gr. ὁμόγνιος ds., ai. sama-jātīya ‘gleichartig’, anord. samfeðra, ὁμοπάτωρ, ар. hamapitar- ‘von demselben Vater’, aisl. sammø̄ðri, ὁμομήτριος ‘von derselben Mutter’;
ein ī-Fem. *somī, *smī ‘Beisammensein, Vereinigung, z. T. auch kämpfendes Aneinandergeraten’ in ai. samī-ká- n. ‘Kampf, Schlacht’; aber gr. ὅμι-λος ‘Haufe, Versammlung, Schlachtgedränge’, ὁμιλίᾱ ‘Umgang, Verkehr’, ὁ̔μῑλέω ‘verkehre’ bleiben wegen äol. ὄμιλλος fern, ebenso lat. mīles, vgl. Szemerényi Arch. Ling. 6, 41; gr. ἅμιλλα ‘Streit, Kampf, Wettstreit’ (*sem-il-i̯a), ἁμιλλᾶσθαι ‘wettkämpfen’;
dazu mit dem Begriffe des friedlichen Beisammenseins, auch des Zusammenstimmens aisl. sama ‘passen, sich schicken’; got. samjan ‘gefallen, zu gefallen suchen’, aisl. semja (= ai. samayati) ‘zusammenstellen, vereinigen, einig werden um, ordnen, zustandebringen’; dazu wohl germ. *samþia- in ahd. semfti (Adv. samfto) ‘bequem, gemächlich, freundlich’, nhd. sanft, as. sāfto Adv. ‘leicht’, mnd. sachte Adj. Adv. ‘sanft, mild’, ags. sēfte (Adv. sōfte) ‘ruhig, mild’, vgl. dazu bes. ai. sāntva- n. ‘gute beschwichtigende Worte’, sā́man- m. n. ‘ds., Milde, freundliches Entgegenkommen’;
germ. *samþia- ist viell. aus einem tu-St. *samþu- umgebildet, der mit ai. sāntva- auf idg. *sōm-tu- zurückgehen kann;
dagegen ist ags. smēðe, smōð, as. smōði ‘glatt, eben, sanft, milde’ wegen westfäl. smǫiǝ aus *smanþi entstanden; got. samaþ ‘zusammen’, as. samad, ags. samod, ahd. samit (samant mit n nach saman-), nhd. samt; eine d-Ableitung in ai. samád- f. ‘Streit, Kampf’, gr. ὅμαδος ‘Gewühl, Menschenmenge’;
dehnstufig ai. sāman-, sāmaná- ‘ruhig’, sāma-gir- ‘freundliche Worte redend’, sāntva- (s. o.), av. hāma- ‘gleich, derselbe’, np. hāmūn ‘Ebene’, air. sām ‘Ruhe’ (aus ‘*trauliches Beisammensein’), sāim ‘ruhig, mild’, aisl. sōma (*sōmēn) ‘passen, geziemen’, sōmi m. ‘Ehre, Auszeichnung’, sø̄mr ‘geziemend, passend’, as. sōmi ds., ags. sōm f. ‘Einigkeit, Versammlung’, ge-sōm ‘einmütig, freundlich’, mhd. suome ‘angenehm, lieblich’; abgel. aisl. sø̄ma ‘sich finden in, Rücksicht nehmen auf, ehren’, ags. sēman ‘versöhnen’; engl. seem ‘ziemen, scheinen’ ist nord. Lw.;
aksl. samъ ‘ipse, solus, unus’;
mit n-Formans: ai. sāman-, sāmana- s. oben; mit ŏ-Stufe wohl ai. samana- n. ‘Zusammenkunft, Festversammlung’, samanā́ Adv. ‘zusammen, gleichzeitig, ebenmäßig’; got. samana ‘beisammen’, aisl.saman ‘zusammen’, ahd. saman, zi samane, nhd. zusammen; davon abgeleitet aisl. samna, ahd. samanōn, mhd. samenen ‘sammeln’, dissim. samelen, nhd. sammeln; mit Red.-St. ir. samain ‘das Fest des 1. Nov.’ (eigentlich ‘Zusammenkunft’), bech-ṡamain ‘Bienenschwarm’;
eine Dehnstufe *sēm vielleicht in gall. σο-σιν ‘dieses’ und im n. des air. Artikels (s)an, vortonig aus *sin, dieses aus *sēm über *sīn; die übrigen Formen sind durch Übertragung der Endflexion auf eine Adv.-Form *sinde (aus *sēm-dhe; es läßt sich nach ai. sa-dha idg. *dhe, odernach ir. suide aus idg. *so-de (jo-Flexion) = gr. ὅ-δε auch idg. *de ansetzen) entstanden; Demonstr. ir. sin, cymr. hynn gehen auf den Stamm *sindo- zurück und stellen die enklitische Form dar.

WP. II 488 ff., WH. II 511 f., 513, 533 ff., Trautmann 249 f.; J. Gonda, Reflections on the Numerals.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal