Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

runner-up - (in de laatste ronde verslagen mededinger)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

runner-up [in de laatste ronde verslagen mededinger] {1901-1925} < engels runner-up, van to run up [als tweede eindigen], van to run (vgl. rennen) + up [op].

Thematische woordenboeken

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

runner-up [runur 'up] {opkomer} 1. degene die de tweede plaats bezet in een competitie; 2. veelbelovend iemand die al bijna tot de top is doorgedrongen, en dat vrijwel zeker zal doen.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

runner-up zn. Ontleend aan het Engels.
= kanshebber.
[alg.] = opsteek-, opplak-, ophang-. Zo'n opsteekinsigne noemden wij een speldje.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

runner-up in de laatste ronde verslagen mededinger 1912 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal