Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rund - (zoogdier (Bos taurus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rund zn. ‘zoogdier (Bos taurus)’
Onl. (h)rind in de plaatsnaam Hrindsalis ‘onbekende plaats bij Gent (Oost-Vlaanderen)’ (met een tweede lid zaal) [639, kopie 941; Gysseling 1960]; mnl. rint, rent, runt ‘rund’ in ein andolihe uan einen rinde ‘een runderworst’ [1220-40; VMNW], an parden ende renderen ‘aan paarden en runderen’ [1282-87; VMNW], Den voetruthers do sie ... eyn runt verteert hadde ‘de soldaten, nadat ze een rund opgegeten hadden’ [1373-76; MNW ruter], die tonghen ... van vijf runderen, runtvleysch [beide 1377-78; MNW].
Bij mnl. rint, rent: os. hrīth; ohd. (h)rind (nhd. Rind); ofri. hrīther (nfri. rier ‘vaars’); oe. hrīðer; < pgm. *hrinda-. Bij mnl. runt, ront: mnd. runt, ront; oe. hrȳðer; < pgm. *hrunda-.
Met voltrap resp. nultrap ontwikkeld uit pie. *ḱr(e)n-to-, afleiding van de n-stam *ḱ(e)r-no- ‘hoorn’, zie → hoorn. Verwante woorden met eenzelfde dentaalachtervoegsel zijn er buiten het Germaans niet.
In het Middelnederlands bestonden twee etymologisch verschillende vormen naast elkaar. Noordoostelijk (o.a. Utrecht, Overijssel) runt en zuidoostelijk (Nederrijn) rint gaan terug op de twee verschillende ablautstrappen in het Proto-Germaans. Ook in het westelijke en zuidwestelijke taalgebied was rint (met nevenvorm rent) de gebruikelijke vorm, maar deze was ontstaan door Noordzee-Germaanse ontronding van runt, zoals westelijk pit bij → put. In de standaardtaal is alleen de vorm met -u- overgebleven.
De oorspr. meervoudsvorm is runder (rinder). De meervoudsuitgang -er werd op den duur niet meer herkend, wat leidde tot de nieuwe stapelmeervoudsvormen runders en runderen, zoals dat ook is gebeurd bij kinders en kinderen, zie → kind.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rund* [herkauwend zoogdier] {runt 1377-1378, vgl. rint, rent 1220-1240} ablautend middelnederlands rent, rint, nederduits runt, oudsaksisch hrīth, oudhoogduits (h)rind, oudfries hrither, oudengels hriðer; verwant met hoorn1, hert, hersenen en het eerste lid van rendier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rund znw. o., mnl. runt, ront, mnd. runt, ront (meest in het westelijk deel), oe. hrȳðer (zonder umlaut mv. hrūðeru); daarnaast abl. mnl. rint, rent, os. hrith, ohd. hrind, rind (nhd. rind), ofri. hrīther, oe. hrīðer o. > germ. grondvormen *hrunþi en *hrinþi. — Dit alleen westgerm. woord betekent eig. ‘dier met horens’ en is verwant met hersenen, hert, hoorn en rendier.

De vormen rund en rind verdelen zich in het nl. volgens Heeroma, Holl. Studies 1935, 25 en kaart 10 zo, dat rund de oostelijke vorm zou zijn (die voor 1500 tot in Utrecht reikte) en rind de westelijke.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rund znw. o., mnl. runt (ront) (d) o. = mnd. (vooral westelijk) runt, ront, ags. hrŷðer (ook vormen zonder umlaut, zooals een mv. hrûðeru) o. “rund”. Met ablaut mnl. (nog dial.) rint (rent) (d), ohd (h)rind (nhd. rind), os. hrîth, ofri. hrîther, ags. hrîðer (in samenst. ook hrîð-, o. “rund”. Germ. *χrunþiz-, *χrinþiz- beteekende oorspr. “hoorndier”, ’t is verwant met hert en hoorn. Idg. * ḱrent- kan ook in kretisch gr. kárta “vee” (*gr. krata) steken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rund v., Mnl. rund + Ndd. runt, Ags. hrýder; met ablaut rend, Mnl. rend, rind, Os. hrîth + Ohd. (h)rind (Mhd. rint, Nhd. rind), Ags. hrider, Ofri. hríther: Idg. *k̃r̥nt-, van den wortel van hoorn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rind (zn.) rund; Vreugmiddelnederlands rint <1220-1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rindj, zn.: rund; iemand die zich onbehoorlijk gedraagt. D. Rind ‘rund’. Voor de tweede bet., vgl. D. Rindvieh ‘stommeling, hufter’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

rend, rind, mv. renders, rinders zn.: jonge koe, jong rund. Mnl. runt, rint, rent, Vnnl. rend, osse oft coe ‘boeuf ou vache’ (Lambrecht), rend, rind ‘koe’ (Kiliaan). Rend, rind zijn ablautende vormen naast rund. Os. hrîð, Ohd. hrind, D. Rind, Ofri. hrîther, Oe. hrîðer < Germ. *hrunþi, hrinþi. De bet. is ‘hoorndier’. Het woord is verwant met hert, hoorn en rendier, dat eigenlijk ook ‘het gehoornde dier’ betekent. Idg. *krent- <*ker(ǝ) ‘het bovenste van het hoofd, hoorn’. Renders/rinders is eigenlijk een dubbel meervoud, vgl. D. das Rind, die Rinder.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

rend vaars (mv. renders ‘geen melk gevende koeien’) (West-Vlaanderen). = os. hrîth, hgd. rind, ofri. hríther, oeng. hríðer ‘bep. rund’. Ablautend ~ nl. rund (= oeng. hrȳðer ‘bep. rund’). ~ hoorn. ~ hert.
WVD l f. rund 1-2, De Bo 806, NEW 597.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rend, render (DB), zn. o./m.: vaars. Mnl. runt, rint, rent, Vroegnnl. rend, osse oft coe ‘boeuf ou vache’, rund, rend, rind ‘bos’ (Kiliaan). Rend, rind zijn ablautende vormen naast rund. Os. hrið, Ohd. hrind, D. Rind, Ofri. hrîther, Oe. hrîðer < Germ. *hrunþi, hrinþi. De bet. is ‘hoorndier’. Het woord is verwant met hert, hoorn en rendier, dat eigenlijk ook ‘het gehoornde dier’ betekent. Idg. *krent- < *ker(ə) ‘het bovenste van het hoofd, hoorn’. Render is oorspr. mv., vgl. D. das Rind, die Rinder. Samenst. rend(er)vlees (DB) ‘rundvlees’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rund, 1. (het, -eren), koe (Bos taurus). Alleen runderen loeien - zo vertelt juff. bij de dierkunde les op school (Fernandes 1973: 79). - 2. (het), rundvlees. Behalve maaltijden met rund of kip* wordt er vooral aandacht besteed aan voedsel bereid van zeevissen en zeedieren, zoals kreeft, haaievin en zeekomkommer (WS 21-8-1982). Ook: sate rund = sate van rundvlees. - Etym,: (1) in SN wordt r. veel meer gebr. dan ’koe’, in AN omgekeerd. - Syn. van 2 koe*. Zie i.v.m. 2 ook: geit*, kip*, varken*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

rund: dom mens; stommeling. Het dier staat symbool voor plompheid en domheid. Vnl. van toepassing op mannen. De slogan Je bent een rund als je met vuurwerk stunt (in 1989 bedacht door freelance copywriter Marijke Liebregts) vormde de basis van een van de meest bekroonde en populairste Sire-campagnes van de jaren negentig. In de studententaal van de negentiende eeuw werd een niet-student ook als rund bestempeld.

Wat? Hoort u mijn naam voor ’t eerst vandaag? Kiezer – de K van Kaffer, de I van Idioot, de E van ezel, de Z van Zaniker, de E van Eend en de R van rund. (De Groene Amsterdammer, 04/07/1925)
Toen zegt hij: ‘Je bent een rund gvd.’ (Annie M.G. Schmidt, Coccen, 1947-1950)
Sufferd! Stommeling! Rund dat je bent! (Max van Amstel, Duizend jongens zien ze vliegen, 1954)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rund ‘herkauwer’ -> Schots runt ‘os of koe voor het vetmesten en slachten, Highland koe of os; oude koe (voorbij het kalveren en vetgemest voor de slacht)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rund* herkauwer 1377-1378 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑er-, k̑erǝ- : k̑rā-, k̑erei-, k̑ereu- ‘das Oberste am Körper: Kopf; Horn (und gehörnte Tiere); Gipfel’, sowohl die leichte wie die schwere Basis oft durch -(e)n-, -s-, -s-(e)-n erweitert, so in k̑er-n-, k̑er-s-, k̑erǝ-s- : k̑rā-s-, k̑r̥̄-s(-e)-n-, usw.

Ai. śíras- n. (ved. nur Nom. Akk.) ‘Kopf, Spitze’, av. sarah- n. ‘Kopf’ (in der 2. Silbe nicht genau = gr. κέρας aus k̑erǝ-s von der schweren Basis; die Red.-Stufe der ersten Silbe, statt *śaras-, ist erst ind. oder urarisch aus dem Vorläufer von ai. Gen. śīrṣṇáḥ usw. verschleppt), Gen. ai. śīrṣṇáḥ, Abl. śīrṣatáḥ (*k̑r̥̄sn̥-tos : gr. κρά̄ατος);
śŕ̥ṅga- (*k̑r̥-n-go-) n. ‘Horn’, vom n-St. *k̑er-(e)n- mit vielleicht ursprüngl. bloß nominativischem g, vgl. gr. κραγγών ‘Krabbe’ und von der u-Basis gr. κορυ-γγ-εῖν κερατίζειν (siehe auch unten über ir. congan);
von der u-Basis av. srū-, srvā- ‘Horn; Nagel an Fingern und Zehen’, srvara ‘gehörnt’ (*srū + bhara-), srvī-stāy- ‘mit hörnernen Widerhaken’;
arm. sar ‘Höhe, Gipfel, Abhang’ (ero-);
gr. κάρ in hom. ἐπὶ κάρ ‘auf den Kopf’, Hippokr. ἀνάκαρ ‘nach oben’, ursprünglich wohl *k̑er Gen. *k̑er-ós (καρός), woraus analogisch κάρ, καρός; daneben κάρᾱ, ion. κάρη ‘Haupt’; ein s-loser St. κᾰρ- ist unabweislich für ἔγ-καρος (und ἄ-καpος mit α- als Tiefst. zu ἐν), ἴγ-κρ-ος ‘Gehirn’;
vielleicht hierher ion. κᾱρῖς, -ῖδος, att. κᾱρίς, -ίδος f. ‘Art Krebs’, dor. κωρίς κουρίς ds.;
kerǝs- in gr. κέρας ‘Horn’ (Gen. ep. κέραος, att. -ως, jünger -ατος, später episch -ά̄ατος) s. unten lat. cerebrum;
*καρασ- (*k̑erǝs-) in: att. κάρᾱ ‘Kopf’ (n. *kerǝs-n̥ > *καραα), ion. κάρη ds., obliquer St. *krāsn- (mit -ατ- für -n-) aeol. Gen. κρά̄ατος, daraus κρᾱτός; Mischbildungen sind καρήατος und κάρητος (*κρᾱσν- = ai. śīr̥ṣṇ-); κάρηαρ; dazu καροῦσθαι ‘sich schwer im Kopfe fühlen’; hom. κάρηνα Nom. Pl. ‘Köpfe, Bergesgipfel’ (sekundär Sg. κάρηνον, att. dor. κάρᾱνον, äol. καραννο-), Grundf. *κάρασνᾰ Pl.; vgl. M. Leumann Homer. Wörter 159.
καρά̄ρα· κεφαλή Hes. (*καρασ-ρα; davon Καρά̄ρων, Vater des Κάρᾱνος);
über κρήδεμνον, dor. κρά̄δεμνον ‘Kopfbinde’ s. Schwyzer Gl. 12, 20; über hom. κατὰκρῆθεν (= κατ’ ἄκρηθεν) s. Leumann Hom. Wörter 56 ff.;
vielleicht κρᾱαίνω ‘vollführe’. Wenn κραιπάλη ‘Katzenjammer nach einem Rausch’ wegen lat. crāpula als κρᾱιπαλη aufzufassen ist (im 2. Gliede dann πάλλω), könnte κρᾱ[σ]ι- neben *καρασ-ρᾱ stehen, wie bei Adjektiven z. B. κῡδι-άνειρα neben κῡδρός;
*κρᾰσ- (*k̑rǝs- oder *κρᾱσ-, *kr̥̄s-) in att. κράσπεδον ‘Saum, Rand; Heeresflügel’; ἀμφί-κρᾱνος (*κρᾰ̄σ-νο-) ‘rings mit Köpfen versehen (Hydra)’, ἐκατόγ-κρᾱνος ‘100köpfig’, ion. ἐπίκρηνον· κεφαλόδεσμον Hes., att. κρᾱνίον ‘Schädel’, ὀλε[νο]κρᾱνον, ωλέκρᾱνον ‘Ellbogen’; κρανίξαι ἐπὶ κεφαλήν ἀπορρῖψαι Hes. woneben mit Hochstufe (: κέρας) κερανίξαι· κολυμβῆσαι· κυβιστῆσαι Hes., ναυ-κρᾱρος ‘Schiffshaupt, Schiffsherr’ (diss. ναυ-κλᾱρος, -κληρος), böot. Λᾱκρᾱρίδᾱς von *Λᾱ-κρᾱρος ‘Haupt des Volkes’; dazu κραῖρα f. ‘Kopf’, ἡμίκραιρα usw. (aus *κρασ-ρια);
o-stufig *κορσ- in ion. κόρση, att. κόρρη, dor. κόρρα ‘Schläfe, Haupt’ (idg. *k̑ors-);
vom -(e)n-St. k̑er(e)n- : κράνος ‘Helm’ (*k̑r̥no-s); κάρνος· ... βόσκημα, πρόβατον Hes.; κέρναι, κέρνα Pl. ‘die beiden Hervorragungen an den Knochenfortsätzen der Rückenwirbel’ (*k̑ern- oder *k̑ers-n); κραγγών ‘Krabbe’ (vgl. oben ai. śŕ̥ṅga-); unklar ist die Bildung von κεράμβυξ, -υκος ‘Hirschkäfer’; κά̄ραβος m. ‘Meerkrebs; Käferart; Art Schiff’ (> lat. carābus ds.), vielleicht mit maked. (?) Ableitung (gr. *-φος) zu κᾱρίς ‘Seekrebs’, s. oben; aber alles unsicher.
Von k̑ereu- : κόρυδός m., f. ‘Haubenlerche’ (: germ. herut- ‘Hirsch’); κόρυς, -υθος ‘Helm’, hom. κῦμα κορύσσεται ‘bäumt sich’ κόρυμβος, κορυφή ‘Gipfel’, κορύπτω ‘stoße mit dem Kopf, denHörnern’, κορυγγεῖν κερατίζειv Hes. (zum -γγ- s. oben zu śŕ̥ṅga-).
Von k̑erei- : κρῑός ‘Widder’ (vgl. in ders. Bed. κεραστής), ablaut. mit anord. hreinn, ags. hrān ‘Renntier’.
Vereinzeltes: κάρτην· την βοῦν. Κρῆτες Hes. (wenn *k̑r̥-tā ‘die Gehörnte’); κυρίττω, κυρηβάζω ‘stoße mit den Hörnern’ (wie κορύπτω; *k̑or-);
lat. cerebrum ‘Hirn’ (*k̑erǝs-ro-m, vgl. gr. καρά̄ρα); cervīx ‘Nacken’ (*cers-vīc-); cernuus, cernulus ‘Gaukler, der Purzelbäume macht, sich kopfüber überschlägt’ (*k̑ers-nou̯os; wenn nicht eher Lw. aus der Sprache der gr. Jongleure, vgl. κερανίξαι), crābrō ‘Hornis’ (s. unten). Vom (e)n-St.: cornū ‘Horn’ (der u-St. vielleicht wie gall. κάρνυξ; ‘Trompete’ durch Verquickung des n- und u-St.); vgl. auch illyr. ON Τρικόρνιον (Moesia), PN Cornuīnus usw. (Krahe IF. 58, 222 f.) aus *k̑r̥n-;
zu crābrō ‘Hornisse’ (*crāsrō, erǝsron-) stellt sich (idg. k̑r̥̄s-еn-):
ahd. hurnū̆z, hornaz, m., ags. hyrnet(u) ‘Hornisse’ (*hurznuta); ndl. horzel (*hurzla-), nhd. Horlitze;
lit. šìršė f., širšlỹs m., šìršuolis, alt širšuo ‘Wespe’, šìršuonas, šìršūnas ‘Hornisse’, lett. sirsis, apr. sirsilis ‘Hornisse’;
russ.-ksl. (usw.) sъrъšenь ‘Hornisse, Bremse’, serb. sȑśljén ‘Hornisse’; vgl. Būga Kalba ir senovė I 191, 224;
bret. kern ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’, mir. cern f. ‘Ecke’; gall. κάρνυξ ‘Trompete’, κάρνον· την σάλπιγγα. Γαλάται; cymr. corn. bret. karn ‘Huf der Einhufer’ (aus ‘*Horn’; aber mir. corn. bret. corn ‘Trinkhorn’, cymr. corn ‘Horn’; wegen des brit. VN Cornoviī usw. kaum aus dem Lat.);
ahd. hirni, anord. hiarni ‘Hirn’ (*k̑ersniom), ndl. hersen ‘Hirn’, anord. hiarsi ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’ (*k̑erson-); vom (e)n-St.: got. haúrn, ahd. anord. horn ‘Horn, Trinkhorn, Trompete’ (s. oben zu lat. cornu), mit t-Suffix (vgl. oben gr. κάρτην) dazu ahd. (h)rind, ags. hrīðer n. ‘Horntier’, tiefstufig ags. hrȳðer ds., nd. ndl. rund ‘Rind’. Von der u-Basis: ahd. hiruz, as. hirot, ags. heorot, anord. hjǫrtr, nhd. Hirsch (-d-Formans wie in gr. κόρυδος; ebenso in:) anord. hrūtr ‘Widder’;
lett. sirnas Pl. ‘Rehe’. (Endzelin KZ. 42, 378) = aksl. srъna ‘Reh’ (: κάρνος); ablautgleich mit cymr. carw;
dazu gehört die Ableitung:
k̑erǝu̯o-s : k̑ṝu̯o-s ‘gehörnt, hirschköpfig, als Subst. Hirsch’ oder ‘Kuh’.
gr. κεραός ‘gehörnt’;
lat. cervus, m. ‘Hirsch’, cerva f. ‘Hirschkuh’, davon cervīnus ‘isabellfarben’, gall.-lat. cervēsia, cervīsia ‘hirschfarbenes, braunes Getränk, Bier’ (Pokorny Vox Rom. 10, 259);
cymr. carw, corn. carow, bret. karo m. ‘Hirsch’ (*kr̥̄u̯o-s); dazu der Gebirgsname Karawanken;
apr. sirwis m. ‘Reh’ (daraus entlehnt finn. hirvi ‘Elentier, Hirsch’ vgl. auch sarve, lapp. čuarvi ‘Elentier’);
wahrscheinlich aus einer Kentumsprache stammen:
alb. ka ‘Ochse’ (*k̑r̥̄u̯-);
lit. kárvė ‘Kuh’; dazu kárviena f. ‘Kuhfleisch’ (: čech. kravina ‘Kuhhaut’);
russ.-ksl. krava, poln. krowa, russ. koróva f. ‘Kuh’ (*k̑orǝu̯ā); ablaut. apoln. karw (*k̑r̥̄u̯o-s) ‘alter Ochse’ (daraus entlehnt apr. curwis Vok., Akk. kurwan ‘Ochse’).

WP. I 403 ff., WH. I 164, 203 f., 206, 207, 276, 283 f., 284, 856, 858, Trautmann 119, 305 f., Schwyzer Gr. Gr. I 583, Benveniste Origines 24 f., 175.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal