Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruiter - (paardrijder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ruiter zn. ‘paardrijder’
Onl. als toenaam van Dodin Rutra ‘Dodin (de) Ruiter’ [1180; Debrabandere 2003]; mnl. ruter ‘struikrover’ in voetrutheren, die onze wekemarcte beroveden ‘struikrovers die onze weekmarkten beroofden’ [1373; MNW], dat size bescermen wouden voor de lichten ruters, die daer biden lande laghen ‘dat ze hen moesten beschermen tegen de lichtbewapende struikrovers, die daar in het veld lagen’ [1380; MNW], ‘krijgsknecht’ in Biddende ... dairomme ... ruyter te voit ind te perde hijr in die stat te willen seinden ‘verzoekende daarom krijgslieden te voet en te paard hier naar de stad te willen zenden’ [1467; MNW]; vnnl. ruter, ruyter ‘soldaat, lichtgewapende soldaat, al dan niet te paard’ in ein pertruter, off ein die te perde rydet ‘soldaat te paard’ [1515; Murmellius], die Ruyteren ende Knechten ‘de soldaten te paard en de voetknechten’ [1518; iWNT], Dye graue hadde veel vyanden daer om moest hi veel ruyters houden ‘de graaf had veel vijanden en moest daarom veel krijgslieden er op na houden’ [1520; iWNT], ruyter ‘soldaat te paard’ [1573; Thes.], ‘berijder van een paard’ in Een Pasganger (‘telganger’) draeght sijn ruyter sachtelik [1666; iWNT].
Ontleend aan Oudfrans rotier ‘struikrover’ [12e eeuw; Rey], routier ‘bendelid’ [ca. 1245; TLF], afgeleid van Oudfrans rote, route ‘kleine groep krijgslieden’, uit middeleeuws Latijn rupta ‘struikroverbende’, waarbij ook de afleiding ruptarius ‘struikrover’ [1202; Du Cange], rutarius [1173; Du Cange] bestond. Dit is het vrouwelijke verl.deelw. van Latijn rumpere ‘openbreken, doen barsten’, zie → roven; de betekenis ‘bende, kleine groep krijgslieden’ moet uit ‘in kleinere eenheden verdeeld leger’ zijn ontstaan.
Afleiding van mnl. ruten ‘plunderen, roven’ (MNW) is onwaarschijnlijk. Dat werkwoord is pas veel later, en minder frequent geattesteerd en is dus eerder een terugvorming bij ruiter (EDale).
Aanvankelijk betekende het woord in het Nederlands dus ‘struikrover, straatrover, landloper e.d.’. Dergelijke vrijbuiters werden door steden of landsheren in dienst genomen of gebruikt voor het doen van invallen of strooptochten op vijandelijk gebied, waardoor het oorspronkelijk negatieve betekenisaspect plaatsmaakte voor het neutrale ‘lichtgewapende krijgsknecht’. Deze soldaten konden zowel te voet als te paard gaan, maar al in de 16e eeuw overheerst de betekenis ruyter ‘soldaat te paard’. Hieruit kon vervolgens een algemene betekenis ‘berijder van een paard’ ontstaan, waarbij betekenisinvloed van Duits Reiter ‘ruiter’ niet uitgesloten is.
Via de vele buitenlandse huurlingen werd het woord ontleend als Nederduits ruter, Hoogduits Reuter (nu alleen nog bekend als eigennaam), Zweeds ryttare, Noors ryttar, Deens ryttar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruiter [paardrijder] {rut(t)er, ruyter [landloper, straatrover, soldaat, in de 16e eeuw ruiter] 1276; de betekenis ‘krijgsman te paard’ 1573} < middeleeuws latijn ruptarius, rutarius [rover], van rupta [weg, bende], verkort uit via rupta, (via [weg]), rupta, vr. verl. deelw. van rumpere [breken, door iets heen breken, vaneenscheuren], een door het bos gebaande weg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruiter znw. m., mnl. rūter, rutter ‘vrijbuiter, straatrover’, maar Kiliaen ruyter ‘miles’ en ruyter te peerde, waarvan het nnl. ruiter een verkorting is; uit het nnl. > nnd. rûter ‘vrijbuiter; ruiter’, nhd. reuter, nde. rytter, nzw. ryttare ‘ruiter’. — Deels een afl. van het inheemse ww. ruiten, deels < mlat. ruptārius, ruptuārius (ex Gallica pronuntiatione) rutārius, afgeleid van rupta ‘legerafdeling’ (waarvoor zie: rot 2).

De ruptarii worden aldus omschreven: quidam praedones sub XI saeculum ex rusticis collecti ac conflati qui provincias populabantur et interdum militiae principum sese addicebant. — Het feit, dat deze ruptarii dus eigenlijk ook straatrovers waren, kan de vermenging met het inheemse woord hebben bevorderd; de betekenis van ‘in dienst staande bereden manschappen’ kan dan juist van deze ruptuarii afkomstig zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruiter m., Mnl. ruter = vrijbuiter, uit Mlat. rutarium (-ius), afgeleid van rutta: z. rot 2. Rutarii heeten in de 11e eeuw landlieden die beurtelings landloopers en huurknechten waren. Zij waren veelal te paard: een ruyter te peerde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

ruiter zn. m.: losbandige kerel, fuifnummer. Deze betekenis staat dicht bij de Standaardnederlandse ‘wildebras’. Mnl. ruter betekende ‘vrijbuiter, landloper, straatrover’. Daarna kreeg het de bet. ‘licht gewapende soldaat’. Pas in de 16de e. werd een ruiter een ‘krijgsman te paard’, dus een ‘ruiter’. Het woord gaat terug op Mlat. ruptarius > rutarius ‘rover’, afgeleid van (via) rupta ‘opengebroken, gebaande weg’, waaruit ook Fr. route.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ruiter s.nw.
1. Soldaat te perd. 2. Iemand te perd of op 'n ander dier.
Uit Ndl. ruiter (al Mnl.). Die oorspr. bet. was 'swerwer, bedelaar, rower'. Later is hierdie swerwers, bedelaars en rowers deur stede of landshere in diens geneem of gebruik vir strooptogte op vyandelike gebiede. Hulle kon te voet of te perd wees. Die kenmerk 'in diens neem' tree so op die voorgrond en die bet. 'krygskneg, soldaat, te voet of te perd' ontstaan. Nog later spesialiseer dit tot 'soldaat te perd', en uiteindelik tot 'iemand te perd'.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1809 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ruiter: iemand te perd; Ndl. ruiter (Mnl. rūter/rutter, “vrybuiter”, by Kil ruyter, “soldaat” – seker wel “berede soldaat” en = ruyter te peerde – later net ruiter), Hd. reuter, hou blb. verb. m. Ll. rupt(u)ārius/rutārius, afl. v. rupta, “leërafdeling”; v. ook ridder.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

RUITERS
De wetenschappelijke naam van deze onderfamilie is Tringinae, hetgeen ‘Witgatten’ betekent. De betekenis van de naam ruiters – Fries: ruters – omschrijven wij als ‘vogels die op stengelvormige poten met stijve passen lopen’ (Deens en Noors stilk; Engels to stalk en shank). Ruiter is een onhandige ‘vertaling’ van het Franse chevalier = ridder (zoals deze naast zijn paard loopt). Eerder werd vanwege zijn lange poten de vergelijking gemaakt met een ruiter te paard.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ruiter (Latijn ru(p)tarius)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Bartrams Ruiter Bartramia longicauda (Bechstein: Tringa) 1812. Middelgrote Steltlopersoort uit Noord-Amerika, die tussen de eigenlijke Ruiters (het geslacht Tringa) en de Wulpen (het geslacht Numenius) in staat. In N zou deze soort geschoten zijn door Temminck in een herfst van één van de jaren 1815-1819; omdat jaar en maand niet nauwkeurig bekend zijn, is dit geval per 1-1-1983 van de N avifaunistische lijst afgevoerd. Op 28 oktober 1995 werd pas de tweede (en tot nu toe enige ‘telbare’) wn. van deze (eens bijna uitgestorven) soort in N gedaan, en wel door Hans Mom en Dave van der Spoel op de Maasvlakte (ZH).
De soort is genoemd naar William Bartram (1739-1823). Alexander Wilson (zie sub Grote Franjepoot) hanteerde in 1813 de naam Tringa bartramia (in 1812 benoemde Bechstein de soort voor het eerst met Tringa longicauda) en Am Bartram’s Sandpiper (nu Am/E Upland Sandpiper) ter ere van zijn vriend en voorbeeld William Bartram. In 1831 introduceerde de Fransman René Primavère Lesson (1794-1849) de genusnaam Bartramia. Bartram publiceerde in 1791 zijn bekendste werk, The Travels, waarin 215 noordamerikaanse vogelsoorten wer- den besproken. Hij woonde aan de oever van de rivier Schuylkill bij Philadelphia [Terres 1980]. Ook in de friese (Bartrams Griltsje), F en Sp naam wordt Bartram geëerd, evenals in de R: Bartramija.
Vanwege het verzameld zijn door Temminck staat de soort opgevoerd op de lijst van B&O 1822, als: “Tringa Longicauda, BECHTS [sic] – De langstaartige Strandlooper”. In Snouckaert 1908 staat de soort vermeld als Bartram’s Strandlooper. Het gekke is dat Schlegel 1858 wél de wetenschappelijke naam “Actitis Bartramius of longicaudus” noemt en ook, dat deze soort naar ons werelddeel is afgedwaald, maar tegelijk ontkent dat deze soort in ons land is waargenomen. Mogelijk had dit met de later koele relatie tussen Schlegel en Temminck te maken?

Blonde Ruiter Tryngites subruficollis (Vieillot: Tringa) 1819. Met de Kemphaan verwante en op de Kemphen gelijkende Strandloper, die zijn broedgebied heeft in arctisch Canada en Alaska. De soort werd op 18 september 1955 voor het eerst officieel vastgesteld in N. Daarna volgden nog 12 wn.en (peildatum 15 oktober 1999).
De genusnaam die Vieillot hanteerde luidde Tringa; dit is de naam voor de Ruiters ↑. De huidige genusnaam (met y i.p.v. met i gespeld) betekent: ‘de op een Ruiter gelijkende’. De soortnaam bestaat uit Lat subrufus ‘roodachtig’ en -collis <Lat collum ‘nek’. Het soort van flets-oranje, waar de naam naar verwijst, wordt in het N met izabelkleurig of ‘blond’ weergegeven, in het E meestal met buff en in het F met roussâtre ‘rossig’. Vandaar E Buffbreasted Sandpiper en F Bécasseau rousset. Fries Ljochte Ruter ↑.
Deens Praerieløber en zweeds Prärielöpare verwijzen naar de biotoop waarop de soort op de trek is waar te nemen. D Grasläufer is iets neutraler en zou ook grassige toendra als broedbiotoop kunnen omvatten.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS In Kist 1954 wordt nog de N naam Blonde Strandloper gehanteerd, welke gezien de systematische plaats van de soort veel beter is.
ETYMOLOGIE blond: N blond <mnl blont ‘blond, grijsachtig, rossig’; fries blûn; mnd blunt, blont; D blond <F blond (1080) <m.e.Lat blundus ?<oudfrankisch *blund), maar er is ook een (zeldzaam) mhd blunt; E blond <middelengels blond <F blond. Germ *blunda is te vergelijken met oudindisch bradhna ‘vaal, roodachtig’. Verwant zijn N blind en N blunderen. Bijbehorend idg *bhlendh ‘vaal, roodachtig, onduidelijk schemeren, dof/ondoorzichtig zijn’ [NEW 1992 p.65 en 66]. [Een moderne uitdrukking onder N soortenjagers is: Hij blunderde tegen een megasoortje op ‘Hij vond blindelings (/door toeval) een zeldzame dwaalgast.’]

Ljochte Ruter Officiële friese naam voor de Blonde Ruiter ↑ [Boersma 1972]. De soort werd 12 juni 1993 voor het eerst in Friesland waargenomen; een geval op 5 augustus 1968 op Vlieland is bij de revisie van 1996 gesneuveld. De friese naam is ws. een vertaling van de N; hierbij komt in de friese ornithologische nomenclatuur voor het eerst het woord Ruter tegen (vgl. N Ruiter, ↑).

Ruiter Algemene naam voor het merendeel der soorten uit het geslacht Tringa, maar soms (in het geval van Blonde Ruiter) ook voor soorten daarbuiten.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 noemt de naam Ruiter in verband met nog meer niet-verwante soorten (zoals de Steltkluut), en geeft zelfs tweemaal een ‘officiële’ N naam voor een soort af: Roode Ruiter en Bruine Ruiter. Deze namen bestaan al lang niet meer; het is zelfs onduidelijk, welke soorten het betrof. We hebben hier te maken met een vertaling van F Chevalier (= ridder; daarnaast ook vogelnaam, nu dan terug te vertalen met ‘Ruiter’) ofwel van It Cavalière (d’Italia) (= ‘Steltkluut’) (It cavalière ‘ruiter, ridder, begeleider van een dame, danser’). Behalve in zijn Bladwyzer (p.624) komt het woord Ruiter als vogelnaam in Houttuyns tekst op 5 plaatsen voor:
p.220: (onder “Scolopax Totanus = Poelsnep”) “Deeze is van BRISSON in ’t Geslagt der Tringae gebragt, onder den Franschen naam van Chevalier, dat is Ruiter; dewyl zyn Pooten zo lang zyn, dat hy als te Paard schynt te zitten.” (deze soort wordt ook op p.239 aangehaald; meer onder Poelsnep). p.230: (onder “Scolopax Glottis = Glottis”) “De Engelschen noemen hem groenpootige Ruiter”.
p.243: (onder “Tringa Gambetta = Roode Ruiter”) “De roode Ruiter wordt deeze van Brisson getyteld, die hem, in ’t Geslagt der Tringae, op den Chevalier, (Totanus), volgen laat ... De Engelschen ... noemen hem roodbeenige Ruiter.”
p.251: (onder “Tringa Littorea = Bruine Ruiter”) “Deeze wordt, van sommigen, de zwarte Chalidris, van anderen de zwartagtige en van BRISSON Chevalier cendré geheten; des ik hem bruine Ruiter noem, tot onderscheiding van den rooden, hier voor beschreeven, waar mede hy, in grootte, nagenoeg overeenkomt.
p.262: (onder “Charadrius Himantopus = Mathoen”) “Deeze Vogel onthoudt zig in ’t Zuiderdeel van Europa, en hierom hebben sommigen hem de groote Ruiter van Italie geheten.”
In NV III 1797 valt de naam Zwarte Ruiter, voor de soort die nu nóg zo heet ↑. (In het winterkleed heet hij in hetzelfde boek: Tringa candida H., Witte Strandlooper!) B&O 1822 vermelden de naam ‘Ruiter’ dan weer niet; “Scolopax fusca” (hiermee wordt de Zwarte Ruiter bedoeld) droeg bij hen toen uitsluitend de N naam “De bruine Snep” (vgl. Houttuyns Bruine Ruiter). Schlegel 1844 (p.96) vermeldt de D naam Strandreuter voor de Steltkluut. Deze soort heeft erg lange poten, nog langer dan de meeste Ruitersoorten. HN 1902 vermeldt de (volks)namen zweeds Strandryttare ‘Zwarte Ruiter’ en D Roter Reuter ‘Tureluur’. Het is nog niet duidelijk, welke van de drie (N Ruiter, D Reuter en zweeds Ryttare) de oudste vertaling is.
Schlegel 1852 noemt voor twee dan in N bekende vogelsoorten de naam ‘ruiter’, zij het in beide gevallen nog cursief (als teken van onwennigheid); het zijn “De zwarte ruiter” en “De groenpootige ruiter”. Vgl. E Green-legged Horseman [Wilms 970416,3].
De F naam Chevalier combattant is een prachtig voorbeeld van een geslaagde vogelnaam; hij betekent ‘vechtende ridder’; aan geen betere vogelsoort kon die naam gegeven worden dan aan de Kemphaan Philomachus pugnax. In 1844 voert Schlegel de F naam Combattant variable op voor de Kemphaan, Chevalier maakt dan nog geen onderdeel van de naam uit; dit in tegenstelling tot de F namen voor de Ruiters! Bij de bovengemelde vertaling in het N ‘Ruiter’ is de Kemphaan dus niet in het spel geweest (conform de tekst op p.238-239 in Houttuyn 1763). [Wilms 970416,3]
De bekendste der N Ruiters is de Tureluur ↑. De naam voor deze soort was ten tijde van het introduceren van ‘Ruiter’ al breed gevestigd. De Tureluur is dus zo blijven heten. Wél heeft Houttuyn 1763 (die de naam Tureluur gek genoeg niet kende, maar weer wél de volksnaam Tjerk voor deze!) er bijna voor gezorgd dat de soort later mis- schien Ro(o)de Ruiter zou heten: zie boven sub “p.243”. De omschrijving van de “Tringa Gambetta” aldaar is dermate slecht, dat zowel deze naam als het door Houttuyn verstrekte equivalent (“Roode Ruiter”) voor eeuwig van het toneel zijn verdwenen. Wél noemen B&TS de naam Rode Ruiter nog als een oude naam voor de Bonte Strandloper; ws. berust dit op verwarring met Houttuyns gegevens.
Albin 1738 noemt de Tureluur in zijn boek wél: Red-legged Horseman.

Zwarte Ruiter Tringa erythropus (Pallas: Scolopax) 1764. In de Lage Landen op de trek niet zeldzaam verschijnende Ruiter-soort, die in het volledig broedkleed overwegend zwart van kleur is. Buiten dit kleed kan de soort er vrij egaal fijngebandeerd uitzien (de juvenielen), ofwel lichtgrijs van boven en overwegend wit van onderen (het winterkleed; de soort doet zijn naam dán allerminst eer aan). Hoewel de Zwarte Ruiter in Noord-Zweden broedvogel is, noemde Linnaeus 1758 hem niet [d.w.z. misschien had Linnaeus de soort met zijn “Scolopax fusca” op het oog (waar “Pedibus rubris” (‘met rode poten’) op zou kunnen wijzen, maar de passage “Rostro arcuato” (= ‘met gebogen snavel’) verknalt het voor die soort: Houttuyn 1763 (p.219) weet met deze soort (vanzelfsprekend) totaal geen raad. – Een andere ‘kandidaat’ voor de Zwarte Ruiter is Linnaeus’ 12e ‘Strandloper’ “Tringa littorea”. Houttuyn begrijpt dat dit Brissons Chevalier cendré kan zijn en geeft hem de naam “Bruine Ruiter”.]
Ook Pallas’ beschrijving is kennelijk enige tijd voor de wetenschap verborgen gebleven, want B&O 1822 gebruiken de wetenschappelijke naam Scolopax fusca (en ‘vertalen’ met “De bruine Snep”) en Schlegel 1844 gebruikt de wetenschappelijke naam “Totanus fuscus Leisler 1811-1815” en geeft daarbij D Schwarzbrauner Wasserläufer en F Chevalier arlequin (gelijk aan de huidige F naam) (eerder al had Brisson (c.1760) de naam Limosa fusca (fusca ‘donker(bruin)’) gehanteerd).
In NV (1797/1812) staat de naam van het lemma [HN] maar tegelijkertijd wordt de soort (in zijn winterkleed dan natuurlijk!) ook Witte Strandlooper genoemd. Schlegel 1852 noemt de naam als in het lemma, maar nog cursief (als teken van onwennigheid); wel blijkt uit de tekst dat de soort in N niet zeldzaam is: “Jaarlijks, in het najaar, op den doortrek, in menigte aan het IJ en de oevers der Zuiderzee.”
De officiële friese naam luidt Sewyt; dit is een zuivere onomatopee. B&TS vermelden ook de naam Tjewiet, maar geven hiervoor geen locatie en bron.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ruiter, van ’t Lat. ruptarii (van rupta, zie Rot). Aldus heetten in de 11e eeuw landlieden, die beurtelings landloopers en huursoldaten waren. Zij dienden meestal te paard: „een ruyter te peerde” is dus oorspr. geen pleonasme. Later ging de naam ruiter over op een man te paard, ook al was hij geen soldaat. Het w.w. ruiten (rooven) herinnert nog aan het oude stroopersbedrijf; vgl. ’t Mnl.: „Hansken (de krijgsman) wil gaan ruyten, roven en brantstichten”; en bij Vondel nog: „In ’t brandend Trojen elck om ’t zeerste rooft en ruit.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruiter ‘paardrijder’ -> Fries ruter ‘paardrijder’; Engels † roiter, ruiter ‘paardrijder, cavalerist’; Engels rutter ‘cavalerist; cavalier; oplichter, bedrieger’; Duits † Reuter ‘paardrijder’; Deens rytter ‘paardrijder; wielrenner’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rytter ‘paardrijder’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ryttare ‘(paard)rijder’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruiter paardrijder 1573 [Plantijn] <ME Latijn

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reu-2, reu̯ǝ- : rū̆- ‘aufreißen, graben, aufwühlen; ausreißen; raffen’, Partiz. Perf. Pass. rū̆-tó-, zum Teil, wie es scheint, noch volleres ereu- (s. unten)

Ai. rav-, ru- ‘zerschlagen, zerschmettern’ (rávat, rudhí, rāviṣam, rṓruvat; Bed. wohl aus ‘her und in Stücke reißen’), Partiz. rutá- ‘zerschlagen, zerschmettert’ (= lat. dī-, ē-, ob-rŭtus); rṓman-, lṓman ‘Haar’ (vgl. unten n. ir. rūaimneach und aisl. rǫgg ‘langes Haar’); gr. ἐρῠσί-χθων ‘die Erde aufwühlend’;
lat. ruō in der Bed. ‘aufreißen, wühlen, scharren’, ē-, dī-, ob-ruō, -rŭtus (s. oben), rūta caesa ‘alles, was auf einem Grundstück ausgegraben und gefällt ist’, rū̆trum ‘Spaten, Hacke, Kelle’, rutellum ‘kleine Schaufel’, rutābulum ‘Schaufel, Scharre’;
mir. rūam ‘Spaten, Grabscheit’, rūamar ‘effossio’; nir. rūaimneach ‘langes Haar’;
aisl. rȳja ‘den Schafen die Wolle ausreißen’ (norw. f. ‘Winterwolle’), as. rūwi f. ‘rauhes Fell’;
aisl. rǫgg f., rǫggr m. ‘langes Haar, lange Wolle’ (*rawwa-), schwed. rugg ‘zottiges Haar’ (*ruwwa-); daraus engl. rug;
got. riurs ‘vergänglich’ (riurjan ‘verderben’), aisl. rȳrr ‘gering, arm’;
vermutlich as. ahd. riomo ‘Riemen, ledernes Band, Gürtel’ (*’abgerissener Hautstreifen’), ags. rēoma, rēama ds., auch ‘dünne Haut’ (vgl. S. 873 *reugh-m(e)n- ‘Rahm’); mnd. mndl. rūn, rūne, schwäb. raun ‘Wallach, Gaul’, wegen ofries. han-rūne ‘Hahnrei’ (eigentlich ‘verschnittener Hahn’) ursprüngl. ‘equus castratus’, mnl. runen, ruynen ‘schneiden, kastrieren’; (nhd. runken); entlehnt lett. rūnīt ‘kastrieren’, ebenso finn. ruuna ‘Wallach’, ruunata ‘kastrieren’;
lit. ráuju, ráuti ‘ausreißen, ausjäten’, ravė́ti ‘jäten’ (rãvas ‘Straßengraben’, apr. rawys ‘Graben’ Lw. aus poln. rów ‘Graben’); lett. raûklis ‘Raufeisen’; aksl. ryjǫ, ryti ‘graben’, rъvǫ ‘reiße aus, jäte aus’, rylъ, rylo ‘Grabscheit, Spaten, Hacke’, rovъ ‘Graben, Grube’, runo ‘Fließ’;
s. auch oben S. 338 über ereu-2, wozu vielleicht auch lit. ùrvas m., auch ùrva f. ‘Höhle’.
Erweiterungen:
a. reub-: ‘reissen’ in lat. rubus ‘Brombeerstaude, Brombeere’ (‘*Strauch, woran man sich reißt’), rūbidus (panis i. e. ‘parum coctus’) ‘roh, rauhrissig’; vielleicht auch rubēta ‘Kröte’; mir. robb ‘Tier’?; germ. *raup-, *rupp- (mit Verschärfung) in got. raupjan ‘rupfen’, ags. rīepan ‘ausplündern’, ahd. roufen, mhd. roufen, reufen, raufen ‘rupfen’; mengl. ryppen, engl. rip ‘reißen’, mhd. rupfen, ropfen ‘rupfen’, aisl. ruppa, rupla ‘losreißen’, rupl n. ‘Beute, Raub’.
b. reud- ‘zerreissen’; rud-ló- ‘roh, wild’.
lat. rūdus, -eris n. ‘zerbröckeltes Gestein, Geröll, Schutt’; auch rudis ‘unbearbeitet, roh’, rullus ‘grob, bäurisch’ (*rud-lo-); mir. rūad ‘Ruine’, cymr. Pl. rhuddion ‘Abfall, Kleie’ (*roud-); anord. reyta (*rautjan) ‘abreißen, zerreißen, zerpflücken, rupfen’, auch mndl. rūten, holl. ruiten ‘reißen, plündern, rauben’, mnd. rüter, holl. ruiter (nhd. Reuter) ‘Plünderer, Räuber’ (Einfluß von mlat. ru(p)tarius); ein zugehöriges Wort für ‘Gerümpel’ setzt mhd. riuze, alt-riuze ‘wer mit Gerümpel handelt oder es ausbessert’ voraus; auf das durch Wässern und Faulenlassen des Flachses vorbereitete Ausziehen der Flachsfaser weisen aisl. rotinn ‘faul, verfault’ (aber ū-rotinn noch ‘wer die Haare nicht verloren’), rot n. ‘Fäulnis; Ohnmacht’, as. rotōn ‘von Rost verzehrt werden’, ags. rotian ‘faulen, welken’; mnd. rӧ̄ten ‘Flachs rösten’, ahd. rōzzen ‘faulen’, mhd. rōzzen und ræzen ‘faulen lassen’, nhd. bair. rӧ̄ssen ‘Flachs faulen lassen’ (umgebildet zu röstennach rösten ‘auf dem Rost braten’), mhd. rōz ‘mürbe’;
hierher ai. Rudrá- GN (*rud-lo-), pāli ludda- ‘grausam’ nach W. Wüst Rudrá-.
c. reudh- ‘reuten, roden’.
Av. raoiδya- ‘urbar zu machen’;
aisl. rjōða ‘reuten, räumen’, mhd. rieten st. V. ‘ausrotten, vernichten’; aisl. rjōðr n. ‘offene Stelle im Walde’, ahd. reod ‘gerodetes Land’, nhd. dial. Ried ds., ahd. riuti ds., riuten (*riutjan) ‘reuten’, ablaut. aisl. ruð n. ‘gerodete Stelle im Wald’, mnd. rot ‘das Roden’, aisl. ryðja ‘roden; aufräumen, ausrotten’, ags. ā-ryddan (engl. rid) ‘berauben, plündern’; mhd. roten, nhd. rotten; mnd. roden, daraus nhd. roden, afries. tō-rotha ‘ausrotten’.
d. reuk- (z. T. wohl auch reug-, reugh-?) ‘rupfen’.
ai. luñcati ‘rauft, rupft, enthülst’, luñcana- n. ‘das Ausrupfen, Ausraufen’, rūkṣá- s. unten; gr. ὀρύσσω, att. -ττω ‘grabe, scharre’, ὀρυχή, ὀρυγή ‘das Graben’, ὄρυγμα n. ‘Graben’, κατωρυχής ‘in der Erde vergraben’; lat. runcō, -āre ‘jäten, ausjäten’, runcō, -ōnis ‘Reuthacke, Jäthacke’; gr. ῥυκάνη ‘Hobel’ (der Vokalvorschlag getilgt etwa nach ῥῡσιάζω ‘reiße weg’ zu *u̯er-s-, -u-??), woraus lat. runcina ds. (-n- durch Fernassimilation, unterstützt durch runcāre); ir. rucht ‘Schwein’ (‘Wühler’ *ruktu-); mcymr. rhwgn ‘Reiben, Kerben’ (*runk-no-? s. Loth RC. 42, 138 f.);
mit dem Begriff der (ausgerauften) Wollzotten und der damit verbundenen Rauheit (wie S. 868 aisl. rǫgg): ai. rūkṣá- ‘rauh’, ahd. rūh, ags. rūh ‘rauh, behaart; ungebildet’; as. rūgi, rūwi f. ‘rauhes Fell, grobe Decke’, mhd. riuhe, rūhe ‘Pelzwerk’, nhd. Rauchwerk, ags. rȳhe, rūwa, rēowe ‘grobe Wolldecke’, aisl. rȳ f. ds.;
als ‘Riß, Furche’ vielleicht hierher lit. raũka f., raũkas m. ‘Runzel’, raukiù, raũkti ‘in Falten ziehen, runzeln’, runkù, rùkti ‘runzelig werden’ und mit g: lat. rūga ‘Runzel, Falte’.
e. reup- ‘ausreißen, zerreißen, brechen’; roupā- ‘Loch, Öffnung’, rūpēis- ‘Fels’.
ai. rōpayati ‘verursacht Reißen, bricht ab’, rúpyati ‘hat Reißen im Leibe’, *rōpa- n. ‘Loch, Höhle’ (= lit. raupaĩ, vgl. aisl. rauf f., serb. rȕpa);
lat. rumpō, -ere, rūpī, ruptum ‘brechen’, rūpēs ‘steile Felswand, Klippe, Felskluft, jäher Abgrund’ (vgl. unten lit. rupis ‘Fels’, wozu illyr. ON Ῥύπες, Achaia, und in ähnlicher Bed. nhd. Riepe ‘Schuttreuse’ und die tirol. Ortsnamen roupǝ, roufǝ, geschrieben Roppen, Rofen), rūpex, -icis ‘ruppiger klotziger Mensch, Rüpel’ (vgl. lit. rupùs ‘rauh, grob’);
aisl. riūfa, ags. rēofan ‘brechen, zerreißen’ (ahd. ā-riub ‘atrox, dirus’, eigentlich ‘ungebrochen’); aisl. rauf f. ‘Spalte, Loch’, ags. rēaf n. ‘Raub, Beute, Kleid, Rüstung’ (*roupā = slav. *rupa ‘Loch’), ahd. roub m. ds., zu got. bi-raubōn, ahd. roubōn, as. rōƀōn ‘rauben’, aisl. raufa ‘durchbrechen, rauben’ und reyfa ‘durchbohren, zerreißen’, ags. bе-rīefan ‘berauben’; aisl. reyfi ‘gerupfte Wolle, rauhes Fell’, mndl. roof ‘abgezogenes Fell’; geminiert ostfries. rubben ‘kratzen, reiben, rupfen’, nd. rubbelig, rubberig ‘uneben, rauh’, nhd. ruppig ‘struppig’, engl. rubble, rubbish ‘Schutt, Abfall’; aisl. rūfinn ‘borstig, struppig, rauhhaarig’; nhd. rüffeln ‘scheuern, hart zusetzen’;
lit. rūpė́ti ‘sich kümmern’, rūpùs ‘besorgt’ (zu russ. rupá ‘Sorge, Gram’), raupýti und (idg. Ablaut ou : ōu) ruõpti ‘graben, höhlen’, rùpas ‘rauh, holperig’, rupùs ‘rauh, grob’, rupìs ‘Fels’, ostlit. raupaĩ Pl. ‘Masern, Pocken’ (‘Rauhigkeit in der Haut’), raupsaĩ ‘Aussatz’; auch lit. rupužė̃, raupežė̃ ‘Kröte’ (von der Rauheit der Haut), vgl. auch lett. raupa ‘Gänsehaut’ (‘Schauder’); serb. rȕpa ‘Loch, Grube’ (*roupā), poln. rupić się ‘sich kümmern’, ablaut. rypać ‘scindere, friare’.
f. reus-: aisl. reyrr m. ‘Steinhaufen’, rūst f. ‘Trummer, zerfallene Mauer’ (s. oben S. 686 über ai. loṣṭá- m. n.); ahd. riostar ‘Pflugsterz’, ags. rēost ‘ein Teil des Pfluges’, nhd. dial. riester ‘Lappen zum Schuhflicken’; dän. ros ‘Schnitzel, Abfall’, norw. dial. ros, rys ‘Fischschuppe’, rus ‘dünne Schale’, rosa ‘ritzen, die Haut aufscheuern, sich lösen’, isl. rosm n. ‘Abfall’, rusl n. ‘Abfall’, as. ruslos m. Pl. ‘Speckseite’, ags. rysel m. Speck, Fett, u. dgl.; ndl. rul ‘locker und trocken, z. B. vom Sand, rauh’ (*ruzlá-); aisl. ryskja ‘reißen, rupfen’, norw. rusk ‘Abfall, Staub’ (auch mnd. rūsch ‘Eingeweide’, bair. geräusch? noch unsicherer mhd. roesche, nhd. dial. rösch ‘hart und leicht zerbrechlich u. dgl.’); mit germ. Wurzelvariation aisl. raska ‘in Unordnung bringen’; mit -p- wohl ahd. gi-rūspit gl. zu inhorruit (aper), und (als ‘im Halse kratzen’) nhd. räuspern, mhd. riuspern, riuspeln, rūspern, vgl. lat. rūspor, -āri ‘suchen’, eigentlich ‘aufreißend, durchwühlend, wonach forschend’, wie ital. ruspare ‘scharren (von der Henne)’, ruspo ‘rauh, neugemünzt’, rospo ‘Kröte’ zeigen;
lit. rausiù, raũsti ‘scharren, wühlen’, rūsỹs, rúsas ‘Grube für die Winterkartoffeln’, pelen-rũsis, -rūsà ‘Aschenbrödel’, rùsinti ‘schüren’, lett. raust ‘schüren, wühlen’, raustīt ‘zerren, reißen’, rūsa ‘aufgehäufter Schutt’; über aksl. rušiti ‘umstürzen’, *ruchъ ‘Bewegung’, s. oben S. 332.

WP. II 351 ff., WH. II 445 f., 447 f., 451 ff., Trautmann 240, 241, 247, Wissmann Nom. Postverb. 10, 130, 176 f.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal