Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruimschoots - (rijkelijk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruimschoots* [rijkelijk] {1769-1811 als scheepvaartterm; de huidige betekenis 1787} vgl. ruimschoots zeilen, d.w.z. met ruime, gevierde schoot, bijna voor de wind, een situatie waarin men weinig hoeft op te letten, gevormd met het bijwoorden vormende achtervoegsel s.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruimschoots bijw. sedert de 17de eeuw, met adverb. s gevormd uit de woorden ruim en schoot en bet. dus eig. ‘met ruime gevierde zeilschoot’. — > nhd. raumschots (sedert 1796, vgl. Kluge, Seemannssprache 651).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruimschoots bijw., sedert de l7. eeuw. Bevat schoot = “schoot van een zeil”: oorspr. bet. “met ruimen, gevierden schoot”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruimschoots bijw., is een zeewoord: met ruimen schoot zeilend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ruimskoots bw.
Voldoende, meer as genoeg.
Uit Ndl. ruimschoots (1787). Ndl. ruimschoots was oorspr. 'n skeepvaartterm, en wel in die frase ruimschoots zeilen, d.i. lett. die seil geleentheid gee om meer wind te vang (schoot verwys na elk van die toue aan 'n seil wat gebruik word om die seil in 'n bepaalde stand te hou), fig. 'voldoende, meer as genoeg'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ruimschoots, aan ’t zeewezen ontleend: met ruime schooten (of touwen); de schooten ruimen = de touwen vieren: er is dus geen beperking.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruimschoots ‘(scheepvaart) met ruime schoot, met bakstagwind; (fig.) rijkelijk’ -> Duits raumschots ‘met ruime schoot, met bakstagwind’; Deens rumskøds ‘met ruime schoot, met bakstagwind’; Noors rumskjøds ‘met ruime schoot, met bakstagwind’; Zweeds rumskots ‘met ruime schoot, met bakstagwind’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruimschoots* rijkelijk 1787 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1962. Ruimschoots,

d.w.z. in ruime mate, volop. Dit woord is aan het zeewezen ontleend, waarbij men onder ruimschoots zeilen (nd. raumschots segeln) verstaat zeilen met gevierden schoot, d.i. het touw, waarmede men het zeil kan aanhalen en vieren (Winschooten, 236); voor den wind. Zie Krul, Minnespiegel, 226; Beaumont, 78; Vondel, Adam in Ball. 49:

 Wy zullen in den wint dien hoeck te boven zeilen,
 En dryven dan ruim-schoots de rijcke haven in.

Vgl. ook Tuinman I, 142: Hy zeilt ruim schoots; dat is, hy hoeft het niet nauw te nemen, maar mag het zeil of den schoot vieren; Sewel 684: Ruimschoots aanzeilen, to sail with a fair wind; ruimschoots freely; Van Eijk I, 163; Ndl. Wdb. XIII, 1726.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal