Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruil - (wisseling van goederen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruil znw., nog niet bij Kil. Van ruilen ww., Kil. “ruylen. Hol. j. reulen; reulen, ruylen. Fris. Sicamb. Hol. Commutare, permutare”, reeds 1506 op Terschelling roelen “ruilen”. Vgl. fri. roalje, ruilje, railje, oostfri. reilen, reulen, rülen “ruilen”. Oorsprong onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ruil znw., komt 2e helft 17e eeuw voor als verkleinw. reuyltje, ruyltje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ruil, zn.: kemphaan. Misschien van het ww. ruilen ‘verwisselen’ vanwege de variabele halskraag van de mannetjes in het voorjaar (Eigenhuis).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2ruil s.nw.
Verwisseling van iets vir iets anders.
Uit Ndl. ruil (1682), 'n afleiding van ruilen (sien 1ruil).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ruil I, (in ss.) ruillicht dwaallicht (Groningen). Bevat de stam van ruilen ‘wisselen, veranderen’.
TT XIII 87, WNT XIII 1673-1674.

ruil II, rijl, ruiel schommel (Gelderland, Utrecht, Drente Overijssel). Afl. van ruilen met grondbet. ‘wisselen’.
OT VI 389-393, HCTD XXXIX 107-110.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Ruil Ruile Antwerpse volksnaam voor de Kemphaan ↑. [Cornelissen & Vervliet 1899-1903; Goossenaerts 1956-1958; WBD 2001; B&TS 1995]. Mogelijk is de naam afgeleid van het ww. ruilen, dat volgens Kiliaan 1599 (ook) “sicambrisch” (brabants) is en “permutare” betekent, m.a.w. ‘verruilen, verwisselen, veranderen’. Dit zou dan betrekking kunnen hebben op het uitzien van de ♂♂ in het voorjaar, die immers zeer variabele halskragen hebben. Mogelijk stelde men dit in het veld vast; evenmin is uitgesloten, dat dit bij vangst en verhandeling opviel (zie ook sub Maaisnip ↑).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal