Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rozemarijn - (kruid, plant) (Rosmarinus officinalis )

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rozemarijn zn. ‘kruid, plant’ (Rosmarinus officinalis )
Vnnl. rosmaryn ‘rozemarijn’ [1515; Murmellius], roosemarijn in Bij ons sedtmen den Roosemarijn inde houen ende in teylen ‘bij ons zet men de rozemarijn in de tuinen en in kuipen’ [1543; Fuchs], Rosmarijn wast tot (‘groeit in’) veel plaetsen van Spaengien ende van Vranckrijck overvloedich in die bosschen [1554; Dodonaeus].
Ontleend aan Oudfrans rosmarin [13e eeuw; Rey] (Nieuwfrans romarin), zelf ontleend aan Latijn rōs marīnus ‘zeedauw’, een koppeling van rōs ‘dauw’ en marīnus ‘van de zee’, zie → marien. Het tweede lid verwijst naar het feit dat de plant oorspr. vooral in kustgebieden voorkwam. De aanleiding tot het eerste lid is onzeker. Mogelijk houdt het verband met de zilvergrijze beharing van de onderblaadjes, of met de kleur van de bloemetjes, of met de verfrissend aangename geur die rozemarijn voorbrengt.
In het Nederlands bestaan twee vormen van het woord: naast oorspr. rosmarijn ontstond rozemarijn door volksetymologische associatie met → roos 1, waarbij de aangename geur wel een rol zal hebben gespeeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rozemarijn [heester] {rosemarine, rosemarijn 1539} < oudfrans rosmarin < latijn ros marinus, (ros [dauw]), marinus [zee-]. Men heeft een volksetymologische verbinding gelegd met roos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rosmarijn znw. m. sedert Kiliaen, maar reeds laat-mnl. rosemarijn (onder invloed van roos), vgl. vroeg-nhd. roszmarin (1482) en rosenmarin (1486) < mlat. ros marinus lett. ‘zeedauw’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rosmarijn znw., sedert. Kil. Uit lat. rôs marînus, letterlijk “zee-dauw”. Ook elders ontleend. Onder invloed van roos de vorm rozemarijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rosmarijn. De vorm rosemarijn reeds laat-mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rosmarijn m., gelijk Hgd. rosmarin, Eng. rosemary en Fr. romarin, uit Lat. rosmarinus = zeedauw, zeeschuim (ros = dauw, — marinus, adj. van mare = zee: z. meer 1).

rozemarijn m., is rosmarijn vervormd onder invloed van roos.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

roosmaryn s.nw.
Tipe immergroen struik met geurige blare.
Uit verouderde Ndl. roosmarijn (Mnl. roosmarine, rosemarijn), 'n samestelling van roos en marijn.
Ndl. roos in roosmarijn uit Latyn ros 'dou' en marijn uit Latyn marinus wat met mare 'see' verband hou, dus lett. 'seedou', miskien so genoem omdat die bokant van die blaar klam lyk. Die naam van die uitheemse Europese roosmaryn is oorgedra op die inheemse plant wat eweneens welriekend ruik.
D. Rosmarin, Eng. rosemary as gevolg van assosiasie van die tweede lid met Mary 'Maria', Sweeds rosmarin.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rosmaryn: d. uitheemse plant is Rosmarinus officinalis, fam. Labiatae; d. inheemse wilde is Eriocephalus umbellatus, fam. Compositae; Ndl. (reeds by Kil) rosmarijn (d. byg. aan roos reeds Lmnl. rosemarijn) uit Ll. ros marinus, “seedou” (ros, “dou”, marinus, “wat verb. hou m. mare, “see”), ben. mntl. n.a.v. feit dat bokant v. blaar “nat glansend” lyk.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rosmarijn (Latijn ros marinus)
rozemarijn (Latijn ros marinus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rozemarijn ‘heester’ -> Engels rosemary ‘heester’; Papiaments rósamarein ‘heester’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rozemarijn heester 1515 [Claes Tw. 12] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal