Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rotor - (schroef)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rotor [schroef] {1926-1950} < modern latijn rotor, verkort uit rotator [lett.: draaier], van latijn rotare (verl. deelw. rotatum) [(als een rad) doen draaien], van rota [wiel, rad].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rotor s.nw.
1. Vonkverdeler van 'n motor. 2. Ronddraaiende toestel op 'n toring wat deur die werking van winddruk elektriese krag ontwikkel. 3. Skroef van 'n helikopter.
Uit Eng. rotor (1903 in bet. 1, 1924 in bet. 2, 1930 in bet. 3), die wisselvorm van rotator 'draaiende apparaat of onderdeel'.
Eng. rotator uit Latyn rotator, lett. 'draaier', van rotare 'veroorsaak om soos 'n wiel te draai', met lg. van rota 'wiel'.
D. Rotor, Fr. rotor (1900), Ndl. rotor (1907).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rotor (modern Latijn rotor)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Rotor ( roteren). Ronddraaiend onderdeel in een toestel of machine; spec. in dynamo of electromotor; in tegenstelling tot stator.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rotor ‘schroef’ -> Indonesisch rotor ‘schroef’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rotor schroef 1907 [Aanv WNT] <modern Latijn

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal