Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ros - (paard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ros zn. ‘paard’
Onl. hors, ors, eenmaal ros, hers in toponiemen: Hersebruke ‘onbekende plaats in Twente (Overijssel)’ [1066-81, kopie midden 12e eeuw; Gysseling 1960], Orsmale, Rosmale ‘Orsmaal-Gussenhoven (Brabant)’ [1139, kopie midden 13e eeuw; Gysseling 1960], Horscamp ‘Paardenkamp (nabij Akersloot, Noord-Holland)’ [1175; Künzel]; mnl. hors, hers, ors, ers, ros ‘kostbaar paard, oorlogspaard’ in gewapent up ein ors geseten [1220-40; VMNW], tu deme ruden an den rossen, nim ... ‘tegen schurft bij een paard, neem ...’ [1250; VMNW], ridders vp horse ‘ridders op paarden’ [1285; CG II], orss, ross ‘paard, hengst’ [1477; Teuth.]; vnnl. ros ‘paard’ naast hors, ors (met de aantekening ‘verouderd Vlaams’) [1599; Kil.]; nnl. ros bij overdracht ook voor andere vervoermiddelen, in de vaste verbindingen ijzeren ros ‘locomotief, trein’ en stalen ros ‘fiets’ [1920; WNT].
De gewone vorm in het Middelnederlands is (t) ors ‘(het) paard’, dat ontstaan is uit Proto-Germaans *(h)russa- door metathese van r + korte klinker voor dentaal, zie → kerst. De vorm ros is in het Middelnederlands nog zeldzaam, verschijnt aanvankelijk vooral in oostelijke teksten en is onder invloed van Hoogduits Ross uiteindelijk de standaardvorm geworden. Het gewone woord voor dit dier was intussen echter paard, zie onder.
Dit algemeen Germaanse woord is wrsch. een vroege ontlening aan een voorloper van het Ossetisch, een Oost-Iraanse taal die tot op heden in de Kaukasus wordt gesproken en het woord wyrs (dialectisch urs) ‘hengst’ heeft (Cheung 2002: 245). De voorlopers van de Osseten, de nomadenstam Alanen, hadden in de 3e en 4e eeuw na Chr. een geografisch wijdverbreide invloed, o.a. tot in Midden-Europa; het Ossetisch heeft diverse Germaanse woorden ontleend, maar in de omgekeerde richting is alleen ros overgenomen. Het Ossetische woord is een Indo-Europees erfwoord, zie onder.
Os. hros (mnd. ros, ors); ohd. hros, ros (nhd. Ross); ofri. hors (nfri. hoars); oe. hors (ne. horse); on. hross, zelden hors (nno. hors ‘merrie; del’; nzw. russ ‘Gotlandse pony’); alle ‘paard’, < pgm. *(h)russa- < *(h)ursa-, met onetymologische h-. Daarnaast staan klinkervarianten: mnl. (h)ars, (h)ers; os. hers; ofri. hars, hers.
Ossetisch wyrs is ontwikkeld uit Proto-Iraans *ŭršna-, *ŭrša(n)-, waarbij ook Avestisch varəšna- ‘man’, varšni- ‘ram’ horen. Verder zijn verwant: Latijn verrēs ‘mannetjesvarken’; Sanskrit vrṣan- ‘stier’; < pie. *uersē(n).
Traditionele, maar minder waarschijnlijke etymologieën identificeren het Germaanse woord als erfwoord. Meestal leidt men pgm. *hursa- dan af van een stam pgm. *hurza- ‘snel bewegen, zoemen’: mhd. hurren ‘zich snel bewegen’; me. hurren ‘snel bewegen, zoemen’ (ne. hurry ‘zich haasten’); on. hurra ‘zoemen’. Deze stam zou dan wellicht verwant zijn met: Latijn currere ‘hardlopen’, zie → coureur; Grieks epí-kouros ‘te hulp snellen’; Gallisch carros ‘wagen’, zie → kar; < pie. *ḱers- (LIV 355).
Naast dit vroege leenwoord werd later een tweede woord voor dit dier ontleend, namelijk mnl. paert, zie → paard. Aanvankelijk gold er een duidelijk onderscheid: een ors was een kostbaar rijpaard, terwijl een paert gewoonlijk als lastdier of trekpaard diende. Later is dit onderscheid verdwenen en werd paard het gewone woord. Het woord ros komt tegenwoordig alleen voor om beroemde paarden uit de mythologie en geschiedenis te beschrijven, bijv. het Ros Beiaard van de Vier Heemskinderen, en bij dichters. Opvallend is dat de Romaanse talen het woord ros juist hebben ontleend met een betekenis ‘minderwaardig paard’: Provençaals rosa, Oudfrans roche ‘slecht paard’ (Nieuwfrans (archaïsch) rosse ‘knol’); Italiaans rozza ‘merrie’; Spaans rocín ‘knol, werkpaard’.
Lit.: J.T.L. Cheung (2002), Studies in the historical development of the Ossetic vocalism, Wiesbaden; J. Van Loon (2006), “Die Repräsentanten von germ. hruss- ‘ross’ in den germanischen Sprachen, insbesondere im Alt- und Mittelniederländischen”, in: NOWELE 49, 55-85

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ros1 [paard] {1401-1450, vgl. (h)ors 1201-1250} vlaams hors, oudsaksisch hers, hors, oudfries hors, oudhoogduits hros, oudengels hors (hoogduits Roß, engels horse); de nl. vorm ros waarschijnlijk < middelhoogduits ros, hoewel de vorm met metathesis van r in het nl. oud kan zijn. De etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ros 1 znw. o. ‘paard’ sedert Kiliaen, die het beschouwt als Ger. Sax. Sicamb., zeer zelden in het mnl. en naar alle waarschijnlijkheid uit het hd. overgenomen. Het gewone woord is mnl. ors, hors o., vgl. os. hros, ohd. hros, ros (nhd. ross), owfri. oe. hors (ne. horse), on. hross > germ. *hrussa. — Daarnaast mnl. (h)ars, (h)ers, os. hers, oofri. hars, hers, die kunnen teruggaan op een abl. *hrassa of *hressa.

De etymologie is onzeker. — 1. Bij oi. kurdati ‘springt, huppelt’, gr. kradáo ‘zwaaien, wankelen’, oiers focerdaim ‘werp’ (Kogel PBB 7, 1880, 176); dan echter uit grondvorm *hruþþa en verder te verbinden met de groep van ratelen (idg. wt. *(s)kert). — 2. Bij mhd. hurren ‘zich snel bewegen’, vgl. lat. curro ‘lopen’, gr. epíkouros ‘te hulp ijlend’ (Froehde BB 14, 1889, 105). — Bij os. horsk, ohd. horsc ‘scherp, snel’, oe. horsc, on. horskr ‘verstandig’ (Johannesson Isl. etym. Wb. 239). — Opvallend is de overeenstemming in klank met fins orhi, orih, oris, noorw. laps orries, syrj. wotj. , tsjer. ožo, oža (< *orži) ‘hengst’. V. Brøndal APhS 3, 1928, 1-31 acht deze verwant met het germ. woord en construeert een sarmatisch grondwoord *vrsn-, waarvoor hij aanvoert oss. urs, vurs ‘hengst’ en oi. vṛṣṇi ‘mannelijk’. Dit blijft een onzekere hypothese, maar er is wel rekening mee te houden, dat het een uit het oosten gekomen cultuurwoord is, daar het paard het eerst in de steppen om de Kaspische Zee schijnt te zijn getemd en geteeld. (A. Nehring, Die Indogermanen und Germenenfrage herausgegeben von W. Koppers, Salzburg 1936, 107108 vermoedt iets dergelijks voor het idg. woord *eḱu̯os voor ‘paard’).

ros 2 znw. v. (zuidnl.) ‘slecht paard, knol’ < fra. rosse (eerst 15/16de eeuw), dat zelf uit vla. ros overgenomen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ros I znw. o., door Kil. “Ger. Sax. Sicamb.” genoemd, zeer zeldzaam in ’t Mnl. Een onder du. invloed verbreide, maar wellicht van ouds dial. ndl. vorm naast mnl. ors (hors) o., met metathesis uit *ross < *χross. = ohd. (h)ros (nhd. ross), os. hros, owfri. hors, ags. hors (eng. horse), on. hross o. “paard”, germ. *χrussa-. Mnl. (h)ars, (h)ers, os. hers, oofri. hars, hers o. “id.” zal wel niet dezelfde vorm, maar een ablautende vorm *χrassa- (*χrëssa-? Niet zoo wsch. is *χërsa-) zijn. Van de basis qeres- of ḱeres-, waarvan o.a. ook ier. carr “wagen” (zie kar), lat. currus “id.”, curro “ik loop”, gr. epí kouro-s “te hulp snellend” (*-korso-s); twijfelachtig is verwantschap met deze woorden van oi. kā́ṣṭhâ- “renbaan, doel” en lit. karsziù “ik ga vlug”, die ook anders verklaard kunnen worden; ook onzeker is de combinatie met gr. sársai; hámaxai (Hes.), lat. serracum “een soort buitenlandsche wagen”, die dan als een illyrisch woord met s uit worden opgevat. Uit ’t Germ. misschien nog van qeres-, ḱeres-: mhd. hurren “zich vlug bewegen” en ohd. horsc, os. horsk, ags. horse “vlug, verstandig”, on. horskr “verstandig”, die wat de formatie betreft aan ’t ook wel bij deze basis gebrachte lat. coruscus “zwaaiend, trillend” herinneren; wsch. ook on. hress “flink”. Een idg. woord voor “paard” is *eḱwo-, ags. eoh, os. ëhu (in samenst.), on. jôr m., got. aíhwa- (in aíhwatundi v. “doornstruik”), ier. ech, lat. equus, gr. híppos, oi. áçva- “paard”, oudlit. eschwa “merrie”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ros I znw. Hoewel herkomst van een naam voor het paard uit de steppenvelden om de Zwarte Zee denkbaar is, is toch niet te aanvaarden de hypothese van Brøndal APhSc. 3, 1 vlgg. dat het germ. woord, evenals fins orhi ‘hengst’, uit die streken zou zijn ontleend (aan een sarmatisch woord corresponderend met oi. vŕ̥ṣṇi-, vr̥ṣṇí- ‘mannelijk’, als znw. ‘bok’): de germ. h- en het ablautende vocalisme verzetten zich hiertegen. Een idg. etymologie verdient de voorkeur, al is de in het art. gegevene onzeker, alsook de combinatie met de bij ratelen besproken woordgroep.
De rom. groep van fr. rosse ‘slecht paard’ uit het Germ.?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ros 1 o. (paard), Mnl. ros uit Hgd., Ohd. ros (Mhd. id., Nhd. rosz) + Os. hros, Ags. hors (Eng. horse), Ofri. hors, On. hross (Zw. en De. hors) + Lat. currere (*cursere) = loopen. Hierbij roskam en rosmolen. Zuiver Ndl. ware een vorm met metath. zooals Mnl. (h)ors. Uit het Germ. komt Fr. rosse, rossinante.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ros, zn.: helleveeg, kreng, feeks. Wvl. rosse. De grondbetekenis is ‘slecht paard, knol’. Uit Fr. rosse ‘slecht paard; mispunt, kreng’ < Mhd. Ros(s) ‘paard’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ros 1, zn.: slecht, koppig paard; slechte vrouw, kreng (van een wijf). Vlaams rosse < Fr. rosse ‘slecht paard; mispunt, kreng’ < Mhd. Ros(s) ‘paard’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

rosse zn. v.: slecht, koppig paard; slechte vrouw, kreng (van een wijf). Ook Vlaams. Fr. rosse ‘slecht paard; mispunt, kreng’ < Mhd. Ros(s) ‘paard’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

rosse (G, W, ZO, ZV), zn. v.: slecht, koppig paard; slechte vrouw, kreng (van een wijf). Ook Wvl. Fr. rosse 'slecht paard; mispunt, kreng' < Mhd. Ros(s) 'paard'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hes II, heis veulen (Drente, Groningen). = mnl. (h)ars, (h)ers ‘paard’, os. hers ‘paard’, ofri. hers, hars ‘paard’. Ablautend ~ ors ↑.
Oeze volk VII 37-38, NEW 591.

ors paard (Vlaanderen). = mnl. ors ‘paard’. = eng. horse ‘paard’. = hgd. ross ‘paard’. Misschien ~ lat. curro ‘lopen’. Nl. ros is wschl. « hgd. ross.
De Bo 699.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rosse, zn. v.: slecht paard, knol; slechte vrouw, kwaadaardige vrouw, kreng (van een wijf). Fr. rosse ‘slecht paard; mispunt, kreng’ < Mhd. Ros(s) ‘paard’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

ros: slecht iemand (doorgaans een vrouw: helleveeg, feeks). Vermeld door o.a. De Clerck.

Driftig wendde hij zich om, en stak de gebalde vuisten recht voor zich uit. De wijven zijn geslepen: ze liegen en bedriegen! ‘’t Zijn rossen!’ (Reimond Stijns, Hard labeur, 1904)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ros (Duits Ros)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ros (Os. hros; vgl. Eng. horse), in oorspr. oorlogspaard. De afl. van ’t Germ. hrussa is niet duidelijk; men denkt aan verwantschap met ’t Lat. currere (voor cursere) = (hard)loopen; vgl. koerier; cursus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ros ‘paard’ -> Frans dialect ro; rǫs; rōs ‘paard waarvan de testikels niet zijn ingedaald; gedeeltelijk gecastreerd zwijn; dier zonder testikels; muilezel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ros paard 1401-1450 [MNW] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑ers-2 ‘laufen’, kr̥so-s ‘Wagen’

Für palatales spricht σάρσαι· ἅμαξαι Hes., das wie lat. sarrācum, serrācum (ital. -rr- aus -rs-) ‘ein ausländischer Wagen’ ein illyr. *sarsa = idg. *k̑r̥sā zur Quelle haben könnte;
gr. ἐπίκουρος ‘zu Hilfe eilend’ (*k̑orsos);
lat. currō, -ere ‘laufen’ (*k̑r̥sō), cursus ‘Lauf’, currus ‘Wagen’, equirria ‘Wagenrennen’ (*equi-curria, woraus assimilatorisch *equi-quirria und haplologisch equirria);
gall. carros, latinisiert carrus ‘Karren, Wagen’, air. mcymr. carr; bret. karr ‘biga, vihiculum’ (*kr̥sos); vgl. mcymr. carrawc f., ncymr. carrog ‘Sturzbach’ (*karsākā ‘die Laufende’?), anders oben S. 532.
mhd. hurren ‘sich rasch bewegen’; unsicher ahd. hros, -ses, aisl. as. hross, ags. horg ‘Pferd, Roß’ (*hrussa-), and. hers ds. (*herssa-), da das -ss- bei einer auf -s ausl. Wz. höchstens als Konsonantenschärfung in einem Kurznamen verständlich wäre; daher eher zu einer Dentalerweiterung (: ai. kū́rdati ‘hüpft, springt’) der nicht palatalen Wz. (s)ker- ‘springen’;
arm. kar̄k’ ‘Wagen’ ist wohl Lw. aus dem Galatischen.

WP. I 428 f., WH. I 315 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal