Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rooster - (raamwerk; tabel met vastgestelde volgorde van werkzaamheden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rooster zn. ‘raamwerk; tabel met vastgestelde volgorde van werkzaamheden’
Mnl. roester, roostre ‘vuurrooster, braadrooster’ [1240; Bern.], S. Laurentius ... op din rostere ‘Sint Laurens op het rooster’ [1290-1310; MNW-P], ‘ijzerrasterwerk’ in voir den rooster op die muer ‘voor het hek op de muur’ [1373; MNW]; vnnl. rooster, roeste, rost ‘ijzeren rasterwerk’ [1599; Kil.]; nnl. rooster ‘raamwerk van kruisende staven, enz.’ in een Rooster bestaat ... uit verscheide met elkander verbonde Balken [1740; WNT], ‘tabel met elkaar kruisende lijnen, met in de vakken namen van personen en taken, plaatsen enz.’ in rooster ... eene tafel vol lijnen en dwarsstrepen, waarop de beurt van een ieder [1824; WNT], rooster van aftreding [1851; WNT].
Afleiding van het werkwoord mnl. roosten, rosten ‘roosteren’ [1240; Bern.], dat zelf een afleiding is van het (later geattesteerde) zn. mnl. roost ‘raamwerk van ijzer; vuur; geroosterde spijs’ [14e eeuw; MNW].
Bij mnl. roost horen: os. rōst ‘rooster’ (mnd. rōst(e), waaruit nzw. rost ‘rooster’); ohd. rōst, rōsta ‘rooster, brandstapel’ (nhd. Rost); < pgm. *raust-. Bij mnl. roosten horen: mnd. rosten, rosteren ‘roosteren’; ohd. rōstan ‘roosteren’ (nhd. rösten); mogelijk ook oe. (ge)rōscian ‘bij het vuur drogen’, rōstian ‘roosteren’. Frans rôtir, ouder rostir ‘roosteren’ [1155; TLF] (waaruit door ontlening ne. roast ‘roosteren’) is ontleend aan Frankisch *raustjan; ook Italiaans arrostire ‘id.’ [13e eeuw; DELI] gaat op het Germaans terug. Engels roster ‘tabel met volgorde van werkzaamheden enz.’ [1727; BDE] is ontleend aan het Nederlands.
Verdere herkomst onduidelijk. Als de oorspr. betekenis ‘ijzeren traliewerk’ < ‘vlechtwerk’ is geweest, is er mogelijk verwantschap met Germaanse woorden die ‘viskaar, gevlochten vismand’ betekenen (FvW, Toll.): mnd. ruse; ohd. rūsa, rūssa (nhd. Reuse); nzw. ryssja; hiervan is verdere herkomst echter ook volkomen onduidelijk. BDE gaat uit van een klanknabootsende wortel met de betekenis ‘knetteren, geluid maken’, waarbij ook → ruisen hoort, maar FvW acht dat gezien de zeldzame Oudengelse vorm rōscian waarop die hypothese gebaseerd is, niet wrsch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rooster* [raamwerk] {roestere 1201-1250, rooster 1373} van roosten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rooster znw. m. o. ‘raamwerk om vuur op te leggen’, mnl. rooster, roostere m. o. v., Teuth. roister, mnd. rōster, rōstere m. v. (owfri. roester). — Afl. van roosten. — Als ‘braadrooster’ > russ. rášper (in de 18de eeuw nog rostor), als scheepsterm ‘latwerk op luiken’ > russ. roster, ruster, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959) 79.

In de afgeleide bet. ‘tabel met elkaar kruisende lijnen > ne. roster ‘lijst voor het aantekenen van toerbeurten bij militairen’ (sedert 1727, vgl. Bense 334).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ruuster (zn.) raamwerk; Vreugmiddelnederlands roester <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rooster s.nw.
1. Raamwerk met ewewydige stafies om bv. vuur op te maak of vleis mee te braai. 2. Raamwerk met ewewydige stafies om 'n opening te bedek. 3. Tabel of papier in die vorm van 'n rooster (1rooster 1 en 2) om bv. werksaamhede en lesure op aan te dui.
Uit Ndl. rooster (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1799 - 1811 in bet. 3), 'n afleiding van die ww. roosten 'rooster' (sien 2rooster).
D. Rost, Eng. roster.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rooster: ysterraamwerk v. braaidoeleindes; lys, program; Ndl. rooster (Mnl. rooster(e) en dial. wv.), Hd. rost; as militêre wd. in bet. “lys” (sedert 18e eeu) wu. Eng. roster en bet. “program”; hierby ook ww. Ndl. roosteren (Mnl. roosteren), Eng. roast, Afr. rooster, hou verb. m. Ofr. rost/roste (Fr. rôte) en Ofr. ww. rostir (Fr. rôtir), “braai”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rooster ‘raamwerk; werkrooster’ -> Engels roster ‘(militair) dienstrooster, werkschema’; Deens ruste, roster ‘werkrooster’; Zweeds roster ‘raamwerk; voetrooster’ (uit Nederlands of Duits); Russisch rášper ‘braadrooster’; Russisch róster, ruster ‘damprooster (over een scheepsluik), traliewerk’; Litouws rostrai ‘houten vloer (van een schip) op ingeheide palen waar kleine bootjes op staan’; Maltees roster ‘(militair) dienstrooster, werkschema’ <via Engels>; Indonesisch roster ‘kruistabel op papier (werkrooster, klasserooster)’; Javaans roster ‘raamwerk; kruistabel op papier’; Japans † rosutoru ‘raamwerk’; Papiaments roster ‘metalen raamwerk; uur- of lesrooster; tabel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rooster* raamwerk 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal