Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roos - (bloem; huidaandoening)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

roos 1 zn. ‘bloem (geslacht Rosa)’
Mnl. rose ‘roos’ [1240; Bern.].
Ontleend, al dan niet via Frans rose [begin 12e eeuw; Rey], aan Latijn rosa ‘roos’.
Os. (mnd. rose); ohd. rōsa (mhd. rōse, nhd. Rose); ofri. rōs(e) nfri. roas; oe. rose, rōse (me. rose, ne. rose); on. rósa (nzw. ros).
Het Latijnse woord is verwant met Grieks rhódon ‘roos’ (zie → rododendron), Aeolisch-Grieks wródon, en mogelijk via Griekse en Italische dialectvormen daaraan ontleend. Waarschijnlijker is echter dat beide talen het woord onafhankelijk ontleend hebben aan een andere taal. Deze taal is vermoedelijk niet Indo-Europees. De precieze pre-klassieke ontwikkeling of ontleningsgeschiedenis is omstreden. Het gaat in elk geval om hetzelfde woord als Armeens vard ‘roos’, Nieuw-Perzisch gul ‘id.’ (< Proto-Iraans *wrda-), Turks gül, Aramees wardā, Arabisch ward, Hebreeuws weredh, alle ‘roos’.
Zie ook → roze.

roos 2 zn. ‘huidaandoening’
Vnnl. roose ‘ontsteking aan de huid’ in Tsap van den bladeren gheneest die roose ende alderhande roodicheyt in daensicht ‘het sap van de (aardbei)bladeren geneest huidontsteking en allerlei roodheid in het gezicht’ [1554; Dodonaeus, 104]; nnl. roos, i.h.b. ‘hoofdhuidschilfers’ in z'n kraag vol roos [1907; iWNT].
Hetzelfde woord als → roos 1. Roos was een verzamelnaam voor diverse huidaandoeningen die een rode kleur op de huid veroorzaakten. De naam van de aandoening is dus genoemd naar de kleur van de roos.
In de algemene betekenis bestaat het woord vooral nog in samenstellingen, bijv. gordelroos ‘huidaandoening die op de romp de vorm aanneemt van een rode band’ (Frans en Belgisch-Nederlands zona, Duits Gürtelrose, Engels shingles, Latijn herpes zoster) en wondroos of belroos ‘huidinfectie die meestal ontstaat op de plaats van een wond’ (Duits Wundrose, Latijn Erysipelas), netelroos ‘huiduitslag als allergische reactie’ (Latijn Urticaria). Als simplex is de betekenis van roos in het Nederlands vernauwd tot ‘hoofdroos, milde vorm van Seborrhoïsch eczeem (Latijn Pityriasis capitis)’, een aandoening aan de hoofdhuid, die gekenmerkt wordt door excessieve afscheiding van witte huidschilfers. Bij uitbreiding verwijst roos ook naar de huidschilfers zelf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roos [bloem] {rose 1201-1250} < frans rose [idem] < latijn rosa [rozenboom, roos], evenals grieks rodon (mv. roda), myceens wrodo-, uit een oosterse taal. De uitdrukking slapen als een roos [vast slapen] is vooral gezegd van kinderen, zodanig slapen dat de wangen kleuren, alsof zij rozen op hun wangen hebben. De uitdrukking onder de roos [in het geheim] komt bij Kiliaan voor en is vertaald uit latijn sub rosa. De Egyptische god van het stilzwijgen, Harpocrates, ontving van Cupido een roos opdat hij de minnarijen van Venus niet zou verklappen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roos znw. v., mnl. rôse, rōse, evenals mnd. rōse, ohd. rōsa (nhd. rose), oe. rōse (> on. rōs, rōsa, zo niet uit mnd.) < lat. rōsa. — Deze bloem werd eerst door de monniken in Midden- en Westeuropa ingevoerd. Het woord gaat terug op de rhodische vorm met s < d van gr. ()ródon < perz. *wurdo (waaruit perz. gul > turks gül) en dit stamt uit een iraans *vṛdi-, uit idg. *u̯ṛdho- ‘doornstruik’. Daar de ontleningen alle ō vertonen is de ontlening eerst betrekkelijk laat geschied (in karolingische tuininventarissen van 812 ontbreekt de roos nog.

Het woord wordt ook voor een ziekte gebruikt; bij Hadr. Junius 1567 lezen wij reeds rooseerisypelas’; de naam is te verklaren door de daarbij optredende kleur. — Onder de roos is geleerde ontlening aan mlat. sub rōsa fāri naar de boven de tafel opgehangen roos, symbool van het stilzwijgen over het gesprokene.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roos znw., mnl. rôse, rōse (nnl., Maastr. roes, Antw. rôs: Goer. rōzǝ) v. Evenals ohd. rôsa (nhd. rose) v., mnd. rose (os. reeds rosoli “roseolam”), laat-on. rôsa, rôs v., ags. rose v. (eng. rose) “roos” uit lat. rosa “id.” (via ’t Gr. uit ’t Iraansch-Kleinaziatische gebied). Wellicht werd ook fr. rose “id.” als mnl. rōse (rôse?) v. ontleend. Roos als naam van een ziekteverschijnsel is hetzelfde woord. Deze bet. in verschillende talen. Voor de ō, ô vgl. school I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roos v., Mnl. rose, gelijk Hgd., Eng., Fr. id., uit Lat. rosam (-a), over Eol. roza, Gr. rodéa, een afleid. van ródon = roos, uit het Iranisch: Av. varǝda, verwant met wort.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

roes (zn.) roos; Vreugmiddelnederlands rose <1240> < Frans rose.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

roos s.nw.
1. Tipe welriekende blom. 2. Plant waaraan rose (roos 1) groei. 3. Huidsiekte, ekseem. 4. Blos. 5. Maagdom. 6. Simbool van vroulike skoonheid.
Uit Ndl. roos (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1676 in bet. 4 en 5, 1859 - 1862 in bet. 6). Die huidsiekte word so genoem omdat die gepaardgaande uitslag 'n rooi kleur het.
Ndl. roos uit Fr. rose.
D. Rose, Eng. rose.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

roos II roze afschilferende huid, influenza, koorts, aangezichtspijn (diverse dialecten). Ten dele is er verband met dee. ros ‘snipper’, no.dial. ros ‘schub’, no.dial. rus ‘dunne schaal’, woorden die teruggaan op een basis die ‘openscheuren’ betekent en zich dus voor een schilferziekte leent; ten dele kan ook aan roos als plantnaam gedacht worden, waarbij zowel de vaak rode kleur als de bladderende blaadjes punten van overeenkomst vormen
Berns 100-101.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

roos: Braziliaan’se roos (de, rozen), (niet alg.) kruidachtige sierplant met rode schutbladen waartussen witte bloemen, uit Noord-India (Hedychium coronarium, Gemberfamilie*). Zie Stahel 1944: 175). - Etym.: gemberlelie*.

roos-: waar roos het eerste deel is van een samenstelling die betr. heeft op een sieraad, gaat het om de vorm van een ’rozet’, niet van een AN roos. Om haar hals hangt een gouden ketting vol roosmotiefjes, in drie rijen aan elkaar verbonden tot een schitterend geheel (Vianen 1969: 116). In WS in adv.: rooshanger, -collier.

Roos’familie (de), Rozenfamilie, bepaalde plantenfamilie (Rosaceae). - Etym.: Genoemd naar de vele soorten roos (genus Rosa), sierplanten die in Suriname niet inheems zijn maar wel veel gekweekt worden. - Zie ook: Foengoefamilie*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roos: 1. pln. (spp. Rosa, fam. Rosaceae); 2. huidsiekte (erisipelas, med. erysipelas); Ndl. roos (Mnl. rose), Hd. rose, Eng. rose, ontln. aan Lat. rosa; ben. v. d. siekte (sedert ong. mid. 16e eeu) n.a.v. rooi kleur.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

roos (Latijn rosa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Roos, van ’t Lat. rosa = roos.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roos ‘middelpunt van schietschijf’ -> Indonesisch ros ‘middelpunt van schietschijf’.

roos ‘haarroos, huidroos’ -> Sranantongo losu ‘huidroos’; Sarnami rusi ‘haarroos’.

roos ‘wondroos’ -> Frans dialect rôse, rous ‘wondroos’; Papiaments deros (ouder: deroos) ‘wondroos’.

roos, roosje ‘bloem’ -> Deens rose ‘bloem’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch ros ‘bloem; (Bahasa Prokem) valium, kalmeringsmiddel’; Ambons-Maleis rosi, bunga rosi ‘bloem’; Atjehnees rōih ‘bloem’; Boeginees bûnga-rôsi ‘bloem’; Javaans rus ‘bloem; rozet’; Kupang-Maleis rosi, bunga rosi ‘bloem’; Madoerees ērrus, rus ‘bloem’; Makassaars bûnga-rôsi ‘bloem (ook als eigennaam)’; Menadonees rosi, bunga rosi ‘bloem’; Minangkabaus ros ‘bloem’; Nias rosi ‘bloem’; Soendanees ĕros, ros ‘bloem’; Ternataans-Maleis rosi, bunga rosi ‘bloem’; Sranantongo rowsu ‘bloem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roos bloem 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1953. Geen rozen zonder doornen,

d.w.z. aan het aangename is altijd eene onaangename zijde; geen lief zonder leed. Zie De Brune, 378: Men vint gheen roozen zonder doren; ook bl. 402: Gheen rooze, die gheen dorens heeft; Tuinman I, 94; 125. Het is eene in zeer vele talen bekende zegswijze; vgl. o.a. Afrik. daar is geen rose sonder dorings nie; het hd. keine Rose ohne Dornen; fr. il n'y a point de roses sans épines; eng. no rose without a thorn; ital. non v' è rosa senza spina; zweedsch: ingen ros utan törne; enz. Zie Wander III, 1725-1726.

1954. Op rozen gaan,

d.w.z. gelukkig zijn, een aangenamen levensweg bewandelen, voorspoedig zijn; hd. auf Rosen gehenGrimm VIII, 1172 naast nicht auf Rosen gebettet sein.; fr. être (couché) sur des roses; eng. not a bed of roses, geen sine cureSine cure in den zin van een gemakkelijk baantje is het lat. sine cura, zonder zorg.. Vgl. Bank. bl. 211: De mensch moet geen staet en maecken op rozen en welrieckende bloemen te treden, maer op doornen en distelen te wandelen. - Bij feestelijke gelegenheden, o.a. bij het huwelijk, worden voor de jonggetrouwden bloemen gestrooid, als zinnebeeld van den voorspoed, dien men hun op hunnen levensweg toewenscht. Vgl. ook de gewoonte van sommige vorsten in de oudheid, om op rozenbedden te slapen (Antiochus). Cleopatra liet bij een gastmaal den vloer een meter hoog met rozen bedekken. Nero liet bij een zwelgpartij rozen op de hoofden der gasten regenen, en Heliogabalus bestrooide zijne gasten zoo, dat eenigen zich niet uit de bloemenmassa konden werken en er in stikten; zie Wander III, 1729. Ook in de middeleeuwen bestrooide men bij feestelijke gelegenheid den vloer met allerlei bloemen; zie A. Schultz: das Höfische Leben zur Zeit der Minnesinger I, 78 en 631; Volkskunde XIV, 193; Afrik. sy pad gaan op rose.

1955. Slapen als eene roos,

d.w.z. heerlijk, vast slapen; vooral van kinderen gezegd, die in hun slaap een hoogroode kleur kunnen krijgen, als hadden zij ‘rozen op de wangen’; de uitdr. zal derhalve eig. willen zeggen: in den slaap er uitzien als eene roos. Ze komt voor bij Ogier, 15: Geef ick het eens de Mem, dan slaeptet voort soo sacht als een roos tot smorgens; Den eerelycken Pluck-vogel, 113: 'k Vondt onlanghs eens myn Nymph heel soetjens slapen leggen, sy sliep gelyck een roos; zie verder Spect. XI, 117; C. Wildsch. V, 310; Noord en Zuid XIV, 219-221; Harrebomée II, 230 a; Ndl. Wdb. XIII, 1319; 1542; Waasch Idiot. 560 b; Antw. Idiot. 1044: slapen gelijk 'en roos, waarnaast in denzelfden zin een wkw. roozen; fri. sliepe as in roas.

1956. Onder de roos,

d.w.z. in het geheim; vertaling van het lat. sub rosa, eene sedert de 16de eeuw bekende uitdrukking, die we lezen bij Kiliaen: Onder de roose, sub rosa dictum aut factum, dicitur, quod silentii fide stipulata inter lepidos sodales sit aut dicitur; Goedthals, 127: tis onder die roosen gheseyt; Campen, 122: tis onder die Reese; Marnix, Byenc. 125 v; Kluchtspel II, 92; Lichte Wigger, 3 r: Magme niet wat praten? t' is onder de roos hier; in Sweerts' Koddige en Ernstige Opschriften II, 117: Rontom een geschilderde roos boven een tafel:

 Al wat hier onder de roos geschiet
 Laat dat aldaar, en meld het niet.

Dat de roos het zinnebeeld der stilzwijgendheid is geworden, moet hieraan worden toegeschreven, dat Harpocrates (de Egyptische god Heros), de god der stilzwijgendheid, van Cupido eene roos ontving, om hem te bewegen de minnarijen van Venus niet te verklappenCatul. 72; Varro de L.L. 5, 57; Plut. de Is. 68; Kil. 540.:

 Est rosa flos Veneris, cuius quo furta laterent
 Harpocrati matris dona dicavit Amor.
 Inde rosam mensis hospes suspendit amicis,
 Convivae ut sub ea dicta tacenda sciant.

Vandaar dat de roos prijkte aan de zoldering van feestzalen, of zooals De Brune, Wetst. I, 254 mededeelt ‘in plaatzen van genucht aan den balk geschildert (werd), om de gasten daar deur in te scherpen dat zy de bedreve vrolikheden in stilswijgentheid (moesten) begraven’. Zie verder C. Wildsch. II, 150; Br. v. B. Wolff, 117; Nkr. VII, 26 April, p. 3; Noord en Zuid XIV, 216-219; Navorscher IV, 149; Schrader, 326-327 en Grimm VIII, 1179-1180; hd. unter der Rose; eng. under the rose.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal