Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rompslomp - (lastige drukte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rompslomp zn. ‘lastige drukte’
Vnnl. als tussenwerpsel romp slomp voor een beweging in het wilde weg, in Her jo romp slomp daer cryghdy noch watte ‘hier ja, hupsakee, daar krijg je nog wat’ [1596; WNT], bijwoordelijk romp slomp, rompslomp, romp slomps ‘slordig, in het wilde weg’ in off werdt dese Historie ... ons rompslomps by den hoop ende sonder maete mede gedeylt? ‘of wordt deze geschiedenis ons in het wilde weg, ongeteld en ongemeten, meegedeeld?’ [1612; iWNT], rompslomp ‘slordig persoon’ in Sulcken Rompslomp heeft mijn schoonvaer al zijn leven geweest ‘zo'n slordig persoon is mijn schoonvader zijn hele leven geweest’ [1618; iWNT overleggen]; nnl. rompslomp ‘warboel, slordige boel’ in Het is daar altijd een regte rompslomp [1807; Weiland].
Als bijwoordelijk tussenwerpsel gevormd uit de elementen romp en slomp, beide met onduidelijke herkomst en betekenis. Romp komt niet als simplex voor en is mogelijk een onder rijmdwang van slomp gevormde variant van → rommel. Slomp komt bij Kiliaan voor als ‘klomp (schoeisel)’ en in de 16e eeuw in een algemene betekenis ‘grote massa, grote hoeveelheid’. Weiland (1807) identificeert romp met de Vroegnieuwnederlandse nevenvorm rompe ‘rimpel’ [1599; Kil.] van rompel en → rimpel, en associeert slomp met de beginklanken van → slordig en → sloddervos.
Nnd. rumpslump; nfri. rompslomp.
De overgang van tussenwerpsel naar bijwoord is vergelijkbaar met die van → lukraak. De overgang van bijwoord naar zelfstandig naamwoord is bijzonder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rompslomp* [lastige drukte] {1596 als tussenwerpsel met de betekenis ‘in het wilde weg’; als zn. ‘lomp persoon’ 1765; de betekenis ‘beslommering’ 1901-1925} fries rompslomp, in de 16e eeuw romp slomp als tussenwerpsel bij het in het wilde weg slaan, oostfries rumpslumps [zo maar], klankschilderend gevormd, moeilijk los te denken van rommel en slommer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rompslomp znw. m., fri. rompslomp oostfri. rumpslump. Een rijmwoord bestaande uit de delen romp en slomp. Voor het laatste zie: slomp. Wat het 1ste lid betreft is samenhang met rommel aan te nemen, vooral als wij dit woord uit een *romp ‘rommel, vod’ mogen afleiden (vgl. mnl. rombole).

In de 16de eeuw vinden wij nnl. romp slomp onomatop. tussenwerpsel bij in het wilde slaan vgl. oostfri. rumpslumps ‘zo maar, toevallig’, westf. rumps slumps ‘floep, heel vlug’ en nhd. dial. znw. rumpslump ‘bonnefooi’. Herkomst uit oostelijk dialect of nnd. is wel waarschijnlijk. De bet. ‘omslag, drukte’ zal wel ontstaan zijn uit de bet. ‘rommel’ van slomp, vgl. ook holl. slomp ‘vuil wijf’, mhd. slump ‘slap afhangend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rompslomp znw. In dezelfde bet. ook fri. rompslomp, oostfri. rumpslump. Deze bet. is onder invloed van de woordgroepen van rommel, du. rumpel en beslommeren opgekomen. Een nnl. slomp “rommel” komt ook voor. In de 16. eeuw komt ndl. romp slomp voor als onomatop. tusschenw. bij ’t in-het-wilde-slaan, vgl. oostfri. rumpslumps “zoo maar, toevallig”, westf. (dat gêt) rumps slumps “floep, heel vlug”. Hieruit ’t du. dial. znw. rumpslump “de bonnefooi”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rompslomp bijw., redupl. van slomp met bijgedachte aan rommelen, gev. als rinkinken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rompslomp s.nw.
Onnodige omslagtigheid, beslommering.
Uit Ndl. rompslomp (1901). 'n Laat ontlening aan Ndl. as vertaling van Eng. red tape (1869). In Ndl. oorspr. (1596) 'n tw., spoedig ook as bw. gebruik, en nog later as s.nw. Ook in Ndl. slegs as s.nw. gebruiklik.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rompslomp* lastige drukte 1901 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal