Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rol - (het rollen; cilindervorming voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rol zn. ‘cilinder; lijst; toneeltekst’
Mnl. rolle ‘rol perkament’ [1280-90; VMNW], ‘opgerold iets, bijv. lood’ [15e eeuw; MNW], rollen ‘rondhout waarop zware voorwerpen voortgetrokken kunnen worden’ [1493; WNT]; vnnl. rol(le) ‘schijf, wiel’ in Dit wiechken sal lopen op twie rollekijns ‘dit wiegje zal rijden op twee wieltjes’ [ca. 1500; MNW], ‘register, lijst, catalogus’ in De voornoemde Contrerolleur sal maecken ... een pertinente Staet ende Rolle van alle het grof Geschut ‘de genoemde controleur zal een nauwkeurige lijst van alle stukken grof geschut opstellen’ [1599; WNT], ‘toneeltekst’ in de Treurspeelder zong zijn rol [1638; Van der Plasse]; nnl. rol ‘de persoon die de toneelspeler door zijn spel creëert’ [1764; WNT].
Ontleend aan Oudfrans rolle (Nieuwfrans rôle) in diverse betekenissen: ‘rol beschreven perkament’ [ca. 1180; Rey], ‘lijst’ [13e eeuw; TLF], ‘een door een acteur gespeeld personage’ [1538; TLF], ‘toneeltekst op een papierrol’ [1580; TLF]. Dit woord is ontwikkeld uit middeleeuws Latijn rotulus ‘rol perkament of papier’ [ca. 751; Rey] en ‘lijst, register’ [964; Rey], dat een verkleinwoord is van klassiek Latijn rota ‘wiel’, zie → rad 1. In het Nederlands viel het woord samen met de stam van het werkwoord → rollen en nam het daardoor diverse nieuwe betekenissen aan die bij Frans rôle en in de andere Romaanse talen ontbreken.
Lit.: C.L. vander Plasse (1638), Bericht uan den aelouden Tooneelspelen, in Bredero's Alle de Werken, ..., Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rol [opgerold stuk] {rol(le), rulle 1280-1290} < frans rôle < latijn rotula, verkleinwoord van rota [wiel, rad, rol]; de betekenisovergang naar acteursrol werd mogelijk doordat in de Oudheid teksten niet in boekvorm maar op rollen werden geschreven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rol znw. v., later-mnl. rolle v. m. evenals mnd. rolle, rulle v., laat-mhd. rolle, rulle (nhd. rolle), ne. roll uit het romaans. Vgl. fra. rôle, it. rullo (naast rotolo) < lat. rotula (rotulus) ‘raadje’. — Zie: rollen. — russ. rol, roľ, roľja, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959) 77.

Terwijl rol oorspr. bet. ‘rol, schijf’ krijgt het in de kanselarijtaal de bet. van ‘papierrol’ (vgl. ook laat-mhd. rodel), vervolgens ‘document’. In de 17de eeuw komt ook op de bet. ‘rol van de toneelspeler’, daar deze toen zijn rol uitgeschreven op een papier voor zich had, dat hij tijdens het voordragen oprolde (het eerst bekend 1598 in Amsterdam), vgl. ook fra. rôle. — Het verkleinwoord rolletje > amerik.-eng. rolliche ‘fijn gehakt vlees in darm gerold’ (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945. 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rol znw., later-mnl. rolle v. (m.). Evenals laat-mhd. rolle, rulle (nhd. rolle), mnd. rolle, rulle v. (> laat-on. rolla v., de. rulle, zw. rulla, rulle), eng. roll “rol” (in de verschillende talen met allerlei speciale bett.) uit het Rom.: vgl. fr. rôle, it. rullo (en rotolo) “rol” (< lat. rotula resp. rotulus). — Het ww. rollen, dat bij ons vroeger voorkomt (Maerlant) dan ’t znw., uit ofr. roller (fr. rouler; = it. rullare < lat. rotulâre). Wij zouden ook kunnen uitgaan van een ouderen vorm van ofr. roller, nml. vulgairlat. *rollâre (: rotulâre = panna “pan”: patina) en ontl. uit ’t Vulgairlat.-Rom. aannemen. Vgl. het ww. mhd. rolen (nhd. rollen), mnd. rullen, rollen (de. rulle, zw. rulla), eng. to roll “rollen”. Direct van lat. rotula komen mhd. rodel, rottel m. v., mnd. rōtel(e) v. “papierrol, lijst”. Plantijn vermeldt ook een ndl. rodel. — De bet. “rol in een tooneelstuk” hebben ook fr. rôle, du. rolle v.; ook nog in deze bet. o.a. de. rolle, zw. rol(l), russ. roľ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rol 1 v. (cylindervormig voorwerp), gelijk Hgd. rolle, Eng. roll, Fr. rôle, van Lat. rotulum (-us), dimin. van rota = rad (z.d.w.).

rol 2 m. (het rollen), verbaalabstr. van rollen, dat denom. is van rol 1 of rechtstreeks uit Ofra. roller = rollen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rol s.nw.
1. Perkament of papier wat opgerol is. 2. Iets anders wat opgerol is. 3. Lys van hofsake. 4. Lys van name van die lede van bv. 'n vereniging. 5. Teks van 'n toneelspeler. 6. Gedrag, funksie van 'n bepaalde groep.
Uit Ndl. rol (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1654 in bet. 6). Bet. 5 kan verklaar word deur die feit dat tekste vroeër nie in boekvorm nie, maar op rolle geskryf was. In bet. 6 word die lewe as 'n toneelspel gesien en rol kry die bet. 'taak'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. rol (de, -len), (ook, hist.:) syn. van roller* (1): z.a. (ook van 2?). De opzichter moest zorgen voor het schoonmaken van de rollen, den vergaarbak, de afvoerleidingen () Bartelink 50). - Etym.: E roll = o.m. id. AN r. = o.m. cylinder waarmee of waaromheen iets gerold wordt. Oudste vindpl. Herlein 1718: 69.

II. rol (de, -len), onderdeel van de pijèpijè*. - Etym.: Het betreffende geluid wordt een aantal malen herhaald, waardoor het als het ware voortrolt. D Rolle bet. bij kanaries (AN) een wijze van zingen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rol: s.nw. en ww., silindervormige voorwerp, skyf (wu. papierrol, dokument, lys en sedert 17e eeu toneelspelersrol, ens.); as ww. “draai, wentel, vlug verskyn” (bv. woorde, trane, ens.); Ndl. rol (Mnl. rolle), Hd. rolle, Eng. roll, via Fr. rôle of It. rullo/rotolo uit Lat. rotula, “wieletjie”; v. ’n perd laat rol by Teenstra (Scho TWK/NR 7, 2, p. 21), en rolplek by Pet A 407-8; hierby ww. Ndl./Afr. rol(len), Mnl. rollen (ouer as s.nw.) uit Ofr. roller (Fr. rouler = It. rullare uit Lat. rotulāre, “draai, rol”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rol (dat speelt geen --) (vert. van Duits das spielt keine Rolle); (een -- spelen) (vert. van Frans jouer un role)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rol (cylinder) van ’t Lat. rotulus, verkleinw. van rota = rad. Verder naar den vorm van een cylinder ook: papierrol, tooneelrol (eig.: de geschreven tekst, die gesproken wordt; later de te spelen persoon zelf). – Het werkw. rollen is dus eig.: draaien als een rad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rol ‘opgerold stuk; lijst’ ->? Duits Rolle ‘opgerold stuk; mangel; wiel; katrol’; Deens rulle ‘opgerold stuk; kledingmangel; deegrol; rolkwast’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rulle ‘opgerold stuk; kledingmangel; deegrol; rolkwast’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds rulle ‘opgerold stuk’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rulla ‘monsterrol, lijst met bemanningsleden’ <via Zweeds>; Russisch rúlja, rólja, rol', rol ‘rol (tabak, van een mangel); fijnsnijdende trommel in een kuip in de papiermakerij; wat in de vorm van een cilinder opgewonden of verpakt is’; Oekraïens rol ‘cilinder, wals, rolhout, mangelrol’ <via Russisch>; Indonesisch rol ‘opgerold voorwerp (film, wc-papier); roller, cilinder’; Ambons-Maleis rol ‘opgerold stuk’; Atjehnees rōy ‘rol, lineaal, lijn’; Jakartaans-Maleis rol ‘filmrol, papieren rol’; Javaans rol ‘opgerold stuk; politierol’; Madoerees ērrol ‘lijst van de aangebrachte zaken (bij een rechtbank)’; Menadonees rol ‘opgerold stuk’; Minangkabaus rol, ron ‘touw voorzien van inkt om lijnen op hout aan te brengen’; Soendanees ĕrol, rol ‘rol stof; politierol’; Creools-Portugees (Ceylon) rol ‘opgerold stuk; lijst’; Papiaments ròl (ouder: rol) ‘opgerold iets; haarroller’; Sranantongo lolo (ouder: rollo) ‘opgerold stuk’; Surinaams-Javaans lolo, rol ‘opgerold stuk’ <via Sranantongo>.

rol ‘toneelrol’ -> Indonesisch rol ‘toneelrol’; Jakartaans-Maleis rol ‘rol in voorstelling’; Madoerees rol ‘toneelrol’; Menadonees rol ‘toneelrol’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rol opgerold stuk 1280-1290 [CG I] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1947. Aan den rol zijn (of gaan),

aan den zwier, den draai zijn of gaan; pierewaaien; zie no. 483 en 493, en vgl. V. Lennep. K. Zev. I 28: Wanneer hij eens - zoo men 't heet - aan de rol ging, dan rolde hij ook zoo lang door, tot hij niet meer rollen kon. Zie verder Ndl. Wdb. XVIII, 935; 950; V. Ginneken I, 513: gerol, gefuif, en vgl. 17de eeuw op de rul komen, zijn; Boekenoogen, 862: An de rul zijn, aan den rol, aan den zwier zijn.

1949. De rollen omkeeren,

d.w.z. ‘de rollen in een tooneelspel verwisselen, die van den eenen speler aan den anderen opdragen, en omgekeerd. Veelal figuurlijk genomen voor: de onderlinge verhouding tusschen twee of meer personen zoodanig veranderen, dat de een in de plaats van den ander treedt’; zie het Ndl. Wdb. X, 310; XIII, 920; M. de Br. 201 en vgl. fr. changer, intervertir les rôles; hd. die Rollen tauschen.

1950. Op rolletjes gaan,

d.w.z. uitstekend, voorspoedig gaan. Vgl. (als) gesmeerd gaanVgl. Nkr. V, 25 Nov. p. 6; VII, 30 Aug. p. 6; IX, 30 Jan. p. 2; Handelsblad, 27 Febr. 1915 (avondbl.) p. 2 k. 4: Ook in deze broodzaak ging het als gesmeerd; hd. es geht wie geschmiert. of als (de) gesmeerde bliksem gaanKent. 54: De dienst loopt als gesmeerde bliksem; ook loopen als de gesmeerde bliksem (in Boefje, 71).. Vgl. Het Volk, 25 Januari 1915 p. 3 k. 2: Met de bedrijfsinrichting van de gemeentelijke vischbakkerij loopt het niet op rolletjes; Nw. School. III, 250: Het liep allemaal op rolletjes, want de geest van juffrouw Essers zat nog in de klas; Nkr. VII, 11 Oct. p. 1: Heb ik (tante N.O.G.Nederlandsch Onderwijzers Genootschap.) te Zaandam niet vijftig jaar lang trouw toegekeken, dat alles op rolletjes liep, tot 't pleepapier toe? De Telegraaf, 4 Febr. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 5: Liefdesgeschiedenissen, die niet dadelijk vlot en op rolletjes gaan; p. 2 k. 3: Haar huishouden liep als op rolletjes. Hij is Roomsch op rolletjes, fijn Roomsch. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 557; Antw. Idiot. 1036: iet opzeggen op 'en rolleken, snel achtereen en zonder haperen; bl. 1999: 't gaat op 'en rolleken, 't gaat vlug van de hand; bl. 1441: op wieltjes loopen, geen tegenkanting ontmoeten; Waasch Idiot. 742: dat gaat op wielekens, dat gaat gemakkelijk, zonder last; fr. cela va comme sur des roulettes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal