Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ritssluiting - (treksluiting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rits zn. ‘treksluiting’
Nnl. rits ‘treksluiting’ [1939; WNT Aanv.].
Verkorting van ritssluiting [1937; WNT Aanv.], samenstelling van rits en sluiting. Rits is wrsch. de klanknabootsende benaming voor het geluid dat men hoort als iets gescheurd wordt, zoals in hij scheurt het, rits! aan flarden [1761; WNT].
De rits(sluiting) is uit deze klanknabootsing ontstaan. Aanvankelijk sprak men van een patentsluiting, een treksluiting of een zipsluiting.
Een parallelle ontwikkeling is te zien bij het Engelse woord zip, verkorte vorm van zip-fastener ‘ritssluiting’; zip is ook hier een klanknabootsing van het geluid van bijv. scheurend textiel [eind 19e eeuw; ShOED]. In 1925 werd de naam Zipper voor een schoen met ritssluiting gepatenteerd.
Lit.: J. van der Horst & K. van der Horst (1999), Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw, Den Haag, 53

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ritssluiting* [treksluiting] {1926-1950} het eerste lid is klanknabootsend gevormd, net als engels zip(per); de ritssluiting werd eind 19e eeuw ontworpen, maar werkte aanvankelijk niet feilloos. Een verbeterd ontwerp werd in WO I door het Amerikaanse leger gebruikt, en toen de rits rond 1930 ook voor vrouwenkleding gebruikt werd, stond niets grootscheepse toepassing meer in de weg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3rits s.nw.
Ritssluiter.
Mntl. 'n verkorting van ritssluiter of miskien uit Ndl. rits. Vir De Vries - De Tollenaere (2000), Van Dale (1999) en Van Dale (1997) is Ndl. rits, net soos Eng. zipper, 'n klanknabootsende woord wat verband hou met die Ndl. tussenwerpsel rits 'nabootsing van die geluid as materiaal skeur'. Dit sou egter ook net so goed kon verband hou met rits 'spleet', dus lett. 'sluiter van die spleet'.

ritssluiter s.nw.
Apparaatjie bestaande uit twee rye hakies wat in mekaar gevoeg word deur 'n bewegende knip wat daaroor getrek word ten einde iets toe te maak.
Miskien uit Ndl. ritssluiting (1947) of mntl. 'n samestelling van rits (3rits) en sluiter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ritssluiting ‘treksluiting’ -> Fries ritssluting ‘treksluiting’; Indonesisch résléting, ritsléting, ritsliting ‘treksluiting’; Chinees-Maleis rètsluitèng ‘treksluiting’; Javaans ritsliting ‘treksluiting’; Kupang-Maleis rosleting ‘treksluiting’; Surinaams-Javaans ritslèting ‘treksluiting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ritssluiting* treksluiting 1937 [Van der Horst 53]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal