Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

risico - (gevaar van schade of verlies)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

risico zn. ‘gevaar van schade of verlies’
Vnnl. risico ‘kans waaraan gevaar verbonden is, met name geldverlies’ [1525; De Bruijn-van der Helm 1992], ‘gevaar van schade of verlies, oorspronkelijk van de scheepslading van zeeschepen’ [1629; WNT], ‘gevaar van verlies of schade (aan goederen) in het algemeen’ [1647; WNT wederom].
Ontleend aan Italiaans risico ‘gevaar, waagstuk’ [14e eeuw; Battisti], variant van risco (waaruit Frans risque). Eerder is het woord al geattesteerd als middeleeuws Latijn resicum, risicum ‘gevaar’ [1250-67; Du Cange]. De verdere herkomst is onzeker. Wrsch. is het ontwikkeld uit vulgair Latijn *resecum ‘klip, steile rots’ in de figuurlijke betekenis ‘gevaar’, afgeleid van klassiek Latijn resecāre ‘afsnijden’. Voor de veronderstelde betekenisontwikkeling, vergelijk Oudnoords sker ‘klip’ bij Proto-Germaans *skeran- ‘snijden’. Overeenkomstige vormen in het Oudprovençaals rezegue ‘gevaar van schade of verlies van scheepsladingen’ [ca. 1300; TLF] en hiervan afgeleid rezegar ‘riskeren’ en Spaans risco ‘klip’, riesgo ‘gevaar (van schade aan of verlies van scheepsladingen van zeeschepen)’ (Oudspaans riesco ‘klip’).
Minder wrsch. is ontlening aan Arabisch rizq ‘door Gods genade verkregen levensmiddelen; dagelijks brood’ vanwege de semantische bezwaren en het feit dat het de Oudprovençaalse vorm resegue niet verklaart. Evenmin wrsch. is herleiding tot Grieks ríza ‘wortel, voet van de berg’, later uitgebreid tot ‘klip’ in het Grieks van Kreta. De van ríza afgeleide, niet geattesteerde vorm rizikón ‘klip’ zou dan de verbindende schakel zijn.
Verouderde Vroegnieuwnederlandse vormen zijn resicq, risicque ‘(verzekerd) risico van schade aan goederen in het handelsverkeer’ [1563 resp. 1602; WNT] naast Waals resicq ‘id.’ [1466; FEW]. Deze vormen, die alleen in deze betekenis in de Spaanse Nederlanden voorkomen, vinden waarschijnlijk hun oorsprong in het Italiaans van Noord-Italië (bijv. Piemontees rezighè ‘risico’).
riskeren ww. ‘wagen, het risico durven nemen’. Vnnl. risqueeren ‘id.’ [1645; WNT]. Ontleend aan Frans risquer ‘id.’ [1577; TLF], afgeleid van risque. Daarnaast bestond de variant vnnl. risiqeren, risicqueren [1602 resp. 1652; WNT] als afleiding van het zn. resicq, risicque, zie boven. ♦ riskant bn. ‘gevaarlijk, gewaagd’. Nnl. riscant, risquant ‘id.’ [1824; Weiland]. Ontleend aan Waals risquant ‘id.’, teg.deelw. van Frans risquer. Zo ook Duits riskant [1801; FEW X, 292]. Het standaard-Frans heeft in deze betekenis alleen risqué.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

risico [gevaar voor schade] {1525} < italiaans risco, waarschijnlijk van latijn resecare [(be)snoeien, afsnijden], van re- [wederom, terug] + secare [snijden], wellicht echter < arabisch rizq [levensonderhoud, dagelijks brood, zegening (door God), fortuin].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

risico znw. o., sedert de 16de eeuw < ital. risico een bijvorm van risco ‘hoge, steile rots’; daarvan een ww. rischiare, risicare ‘gevaar lopen’, eig. dus wel ‘een gevaarlijke klip omvaren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

risico znw. o., nog niet bij Kil. Uit it. risico. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

risico (de en het); sedert de 16e eeuw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

risiko s.nw.
Moontlike gevaar van skade of verlies.
Uit Ndl. risico (1525).
Ndl. risico uit It. ris(i)co 'gevaar, waagstuk'. It. ris(i)co is dieselfde woord as Port. risco 'klip, gevaar, waagstuk', Sp. risco 'klip'. Oor die oorsprong van die woorde bestaan onsekerheid. Indien die bet. 'klip' die oorspr. bet. is, kan dit afgelei word van Latyn resecare 'besnoei, afsny', met lg. van re- 'terug' en secare 'sny'. Die lett. bet. is dan 'afgesnyde klip', iets wat dui op 'n gevaar vir die skeepvaart, en by oordrag 'gevaar'. Bevestiging vir hierdie verklaring is dat die woord aanvanklik 'n finansiële term was wat vir die eerste keer in die seevaartassuransie voorgekom het. 'n Ander verklaring lei die woord af van Arabies risq 'lewensonderhoud, fortuin, noodlot'.
Eng. risk, Fr. risqué.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rijsche (B, GG: P), riesche (DB, Wingene), zn. v.: risico. Het Fr. woord risque (Kortrijkse uitspraak), waarin de sk de verdere evolutie tot sch, sjh meegemaakt heeft.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

risiko: waagstuk; Ndl. risico (sedert 16e eeu), soos Eng. (17e eeu) risk, Fr. risque, Port. en Sp. risco, uit It. ris(i)co, “klip, rots” (hou verb. m. It. rischiare/risicare, “gevaar loop”, eint. “om ’n gevaarlike rots seil”; vgl. Lat. saxum, “klip, rots”, waarmee -schiare/-sicare mntl. verb. hou.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

risico (Italiaans risico)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

risico ‘gevaar voor schade’ -> Indonesisch résiko, risiko ‘gevaar voor schade’; Menadonees rèsiko ‘mogelijk negatief gevolg’; Negerhollands risiko ‘gevaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

risico gevaar voor schade 1525 [De Bruijn Tw. 10] <Italiaans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1937. Op mijn risico.

Een handelsterm, ter aanduiding van den persoon, die bij eene onderneming de kwade kansen voor zijne rekening neemt; daarna ook in vrijere toepassing. Het znw. risico is ontleend aan het Italiaansch risico; vgl. Harreb. II, 222: Het is (of gaat) op risico; Afrik. op my riesiko. Vroeger zeide men up minen anxt; op mijn gevaar (hd. auf meine Gefahr) of op mijn hach (Ndl. Wdb. V, 1502). In Zuid-Nederland meestal op mijn risico's (fr. à mon risque et péril; à mes risques); eng. at one's own risk and peril; at my peril.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal