Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rimpel - (plooi, groef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rimpel zn. ‘plooi, groef’
Mnl. rimpe ‘rimpel, gezichtsplooi’, overdrachtelijk in Die maget sonder rimpe ‘de jonkvrouw zonder gebrek’ [ca. 1450; MNW]; vnnl. Floris en hadde rimpe noch baert in sijn aensicht ‘het gezicht van Floris had rimpel noch baard’ [1517; MNW], Rimpelen des voorhoofts oft aensichts [1554; WNT], rimpe, rimpel ‘rimpel’ [1599; Kil.]. Daarnaast eerder al mnl. rompel ‘rimpel’ [1287; MNW].
Mnd. rimpel ‘rimpel’; oe. rympyl ‘rimpel’; < pgm. *hrimpila- ‘rimpel’. Vermoedelijk een verkleinvorm met het achtervoegsel *-ila-, zie → druppel, bij het zn. *hrimpōn-, waaruit mnl. rimpe ‘id.’ en mnd. rimpe ‘id.’. Afleiding van het sterke werkwoord pgm. *hrimpan- ‘rimpelen, verschrompelen’, waaruit: mnl. rimpen; mnd. rimpen; ohd. rimpfan; oe. hrimpan ‘wringen, kreukelen’.
Buiten het Germaans kan een verband worden vermoed met: Grieks kárphein ‘laten verschrompelen’; Litouws skrèbti ‘droog zijn’; bij de wortel pie. *(s)kerb(h)-, *(s)kremb- ‘draaien, krommen; verschrompelen’ (IEW 948), naast *remb- in Oudiers remmad (< *rembatu) ‘wringen’, maar formele samenhang is problematisch. Daarnaast bestond in het Germaans ook een vorm met kr- met gelijksoortige betekenis → krimpen, zoals ook → kring naast → ring staat. Met s-mobile behoort ook → schrompelen bij deze groep. Opmerkelijke vormen met wr- zoals vnnl. wrempen, wrimpen ‘plooien, vouwen’ [1599; Kil.] kunnen beïnvloed zijn door → wringen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rimpel* [plooi] {1554, naast rimpe [vouw, plooi, rimpel] 1287} van middelnederlands rimpen, rimpelen, oudhoogduits rimpfan, hoogduits rümpfen, samentrekken, oudengels hrimpan (engels to ripple [rimpelen]) (vgl. ramp1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rimpel znw. m., laat-mnl. rimpel naast rimpe v. en rompel, rumpel naast rumpe. Daarnaast het ww. mnl. rimpen en rimpelen evenals rompelen, rumpelen en Kiliaen rompen. Verder mnd. rimpe, rimpel ‘plooi, rimpel’, rumpe, rumpele en het ww. rimpen, oe. hrympel ‘rimpel’, gehrumpen ‘rimpelig’. — Zie voor verdere verbindingen: ramp.

Evenals bij rijten vinden wij ook andere anlautvormen. Een germ. *rimpō kan men aannemen op grond van oiers remmad (< *rembatu) ‘verwringen’. Verder is te herinneren aan krimpen en nog aan Kiliaen wrempen, wrimpen (Holl. Fland.), Teuth. wrympen, mnd. wrimpen ‘het gezicht vertrekken’, waarvoor men wel aanvoert gr. rhémbo ‘in een kring ronddraaien’ (IEW 1153). — Uit de samenstelling verrompelen is ontleend ne.frumple ‘verkreukelen’ (sedert 1389, vgl. Bense 114).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rimpel znw., sedert Kil., ’t ww. rimpelen sedert ’t laat-Mnl. Ook mnl. rimpe v. “rimpel”, rimpen “rimpelen” komen voor. Met ablaut ramp en mnl. rompel, rumpel (m.?) “rimpel, plooi” (nog dial.), rumpe v. “id.”, rompelen, rumpelen, Kil. rompen “rimpelen”. De anlaut kan germ. r- zijn evenals die van ags. ge-rumpen “gerimpeld” (bij ier. remmad “verwringing” < *rembatu-, lett. růb “keep” gebracht) of χr- evenals die van ohd. (h)rimpfan “samentrekken, rimpelen”; de ohd. vorm zonder h kan ook germ. r- hebben; beide anlauten zijn eveneens mogelijk bij mnd. rimpe v., rimpel “plooi, rimpel”, rimpen “rimpelen”, rumpe, rumpele “rimpel”; met χr- nog ags. hrympel “rimpel”, ge-hrumpen “rimpelig”, wellicht hierbij on. hreppr (*χrimpa-) m. “district”; buiten ’t Germ. vgl. misschien gr. krámbos “droog, dor”, krámbē “kool”, lit. kremblỹs “een soort paddestoel”. Naast qremb- staat qerb- (vgl. harp). Verder naast germ. χrimp- ook skrimp- (zie schrompelen), krimp-(zie krimpen), wrimp- (waarvan mnd. wrimpen “zíjn gezicht vertrekken”, Teuth. wrympen, Kil. wrempen, wrimpen “Holl. Fland.” “id.”; misschien een jonge anlautvariant, misschien met gr. rémbō “ik draai om” verwant). Voor deze anlaut-wisseling vgl. rijten; zooveel synonieme woordgroepen naast elkaar maken het etymologiseeren onzeker. Vgl. verder nog on. hrukka v. “rimpel” < *χruŋkôn- (zie kring), ags. wrincle v. (eng. wrinkle) “rimpel” en Kil. wrinckel, wronckel “id.”, die wel bij rank III worden gebracht; lat. ringor “ik open den mond wijd” wordt door een andere combinatie bevredigender verklaard. Ohd. runza, runzala v. (nhd. runzel) “rimpel” wordt uit *wruŋk-tô-, -talô- afgeleid (vgl. bij krans). Als dat juist is, moeten mnl. Kil. ronse, runse (gloss. bern. runce) v., runtsele “rimpel”, mnd. runtselinge “het samentrekken” uit het Hd. afkomstig zijn, wat niettegenstaande ’t vroege voorkomen in ’t Mnl. mogelijk is. Vgl. nog bij fronsen en remmen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rimpel m., opgemaakt uit rimpelen + Ohd. rimpfan (Mhd. rimphen), Ags. hrimpan (Meng. rimplen, Eng. to ripple). Daarnevens rompelen + Mhd. rümphen (Nhd. rümpfen), Ags. subst. hrympele (Eng. to rumple): Germ. wrt. hrimp (z. krimpen), waarnevens synon. rimp, skrimp en wrimp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rumpel, rumsjel, zn.: rimpel. Laatmnl. rimpel, rompel, rumpel. Mnd. rumpele. Geronde var. van rimpel, zoals ook Vl. rompel.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

rompel, rumpel, zn.: rimpel. Ook Vlaams. Mnl. rompel ‘rimpel, vouw’, Vnnl. rompel int aenzighte ‘ride’, rompelen ‘rider ou froncer’ (Lambrecht), rompel, rimpel (Kiliaan). Mnd. rumpele, D. rumpelig ‘oneffen’, (dial.) ‘rimpelig’. Geronde var. van rimpel. Afl.: ww. rompelen, verrompelen, verrumpelen ‘rimpelen, kreuken’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

rompel, rumpel zn. m.: rimpel, kreuk, plooi; rilling. Wvl., Mnl. rompel ‘rimpel, vouw’, Vnnl. rompel int aenzighte ‘ride’, rompelen ‘rider ou froncer’ (Lambrecht), rompel, rimpel (Kiliaan). Mnd. rumpele, D. rumpelig ‘oneffen’, (dial.) ‘rimpelig’. Geronde var. van rimpel. Ww. verrompelen ‘rimpelen, kreuken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

rompel (B, E, L, W, ZO, ZV), zn. m.: rimpel. Wvl., Mnl. rompel 'rimpel, vouw', Vnnl. rompel int aenzighte 'ride', rompelen 'rider ou froncer' (Lambrecht), rompel, rimpel (Kiliaan). Mnd. rumpele, D. rumpelig 'oneffen', (dial.) 'rimpelig'. Geronde var. van rimpel. Ww. verrompelen 'rimpelen, kreuken'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rimpel s.nw.
1. Plooi in die huid. 2. Plooi in 'n ander oppervlak. 3. Ligte golwing van water.
Uit Ndl. rimpel (al Mnl. in bet. 1, 1591 in bet. 2, 1762 in bet. 3). Die Mnl. vorm was rimpe en Ndl. rimpel het in die 16de eeu in gebruik gekom.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rompel (DB, D, I, K, M, O, R), zn. m.: rimpel, kreuk. Mnl. rompel ‘rimpel, vouw’, Vroegnnl. rompel int aenzighte ‘ride’, rompelen ‘rider ou froncer’ (Lambrecht), rompel, rimpel ‘ruga’ (Kiliaan). Mnd. rumpele. D. rumpelig ‘oneffen, (dial.) rimpelig’. Geronde var. van rimpel. Ww. rompelen, verrompelen > frompelen ‘kreuken’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rimpel: plooi, vou; Ndl. rimpel (Lmnl. rimpel/rompel/rumpel naas rimpe/rumpe), Hd. runzel, hou mntl. verb. m. Gr. (h)rembomai, “ronddraai”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rimpel, van den Germ. wt. remp, ’t zelfde als kremp, zie Krimpen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rimpel, † rompel ‘plooi’ -> Engels rumple ‘kreukel’; Indonesisch rimpel ‘huidplooi; watergolfje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rimpel* plooi 1554 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kerb(h)-, (s)kreb(h)-, nasaliert (s)kremb- ‘drehen, krümmen; auch bes. sich zusammenkrümmen, schrumpfen (auch vor Hitze, Trockenheit), runzeln’, Erweiterung zu (s)ker- ‘drehen’ (s. auch sker- ‘einschrumpfen’)

Gr. κάρφος n. ‘dürres Reisig, Spreu’ (*kr̥bh-), κάρφη f. ‘trockenes Holz, Heu’, κάρφω ‘lasse einschrumpfen, dörre’, καρφαλέος ‘trocken, heiser’, καρφύ̄νεσθαι· ξηραίνεσθαι. φθείρεσθαι (u. dgl.) Hes.; κράμβος ‘eingeschrumpft, dürr, trocken’, κράμβη f. ‘Kohl’, κραμβαλέος ‘trocken, geröstet’, κρομβόω ‘brate, röste’ (assim. aus *κραμβόω);
lat. vielleicht corbis ‘Korb’ (*’geflochten’); mir. corb ‘Wagen’, wohl ursprüngl. ‘Wagenkorb’;
aisl. skorpinn ‘eingeschrumpft’, skorpna ‘schrumpfen’ (über skarpr ‘eingeschrumpft, mager usw.’, ags. scearp, ahd. scarpf ‘scharf’ s. auch S. 943 unter sker- ‘schneiden’); nas. mhd. schrimpf ‘Schramme’, mhd. schrimpfen ‘rümpfen, zusammenschrumpfen’ = aisl. skreppa ‘sich zusammenziehen, ausgleiten’, dän. skrumpe = nhd. schrumpfen, norw. skramp ‘mageres Geschöpf’, skrumpa ‘magere Kuh’, engl. shrimp ‘Knirps’ (daneben mit germ. -mm-: ags. scrimman ‘sich zusammenziehen, schrumpfen’);
(über nhd. Schärpe, bair. schärpfen ‘Gürtel’, ndl. sjerp, engl. scarf ds., spätahd. scherbe ‘Tasche’, nd. schrap ‘Tasche’, aisl. skreppa ‘Rucksack’ s. Meyer-Lübke3 7723, Kluge-Goetze16 653, Holthausen Awn. Wb. 257: alles aus lat. scirpea ‘Binsentasche’);
nisl. herpa-st ‘sich zusammenkrampfen’, harpa ‘kneifen’, aisl. munn-herpa ‘Hexe’, schwed. dial. harpa i hop ‘zusammenziehen’, norw. hurpe ‘altes Weib’; nhd. schweiz. harpf ‘magere Kuh, böses Weib’; hierher aisl. harpa, ags. hearpe, ahd. har(p)fa ‘Harfe’ (von der hakigen Krümmung);
ahd. (h)rimfan, rimpfan ‘rugare, contrahere’, nhd. rümpfen, mnd. rimpen ‘runzeln, krümmen’, ags. *hrimpan, ge-hrumpen ‘runzelig’, hrympel ‘Runzel’, mnd. ramp ‘Krampf’, mhd. rampf ‘Krampf’, aisl. hreppr ‘Distrikt’, norw. ramp ‘magerer Mensch’, engl. dial. rump ‘magere Kuh’; (aber norw. rump ‘abgestumpfter Berggipfel; Gesäß’, mnd. rump m. ‘Rumpf, bauchiges Gefäß’, nhd. Rumpf eher als ‘abgehauenes Stück’ zu aksl. rǫbъ ‘Lappen’, ohen S. 864 f.); daneben mit germ. -m(m)-: mnd. ram, ramme ‘Krampf’, ags. hramma m. ‘Krampf’, aisl. hrammr ‘Tatze’ (eigentlich ‘verschrumpft’); got. hramjan ‘kreuzigen’, ags. hremman ‘hindern, belästigen’, ndl. remmen ‘hemmen, bremsen’;
mit der Vokalstellung kreb-: aisl. hrapi, norw. dän. rape ‘Zwergbirke’ (‘*verkrüppelt’); zu mir. cruibhe ‘ein Baumname’ (*krobi̯o-); dann (mit der Vorstellung der gekrümmten Finger) norw. rapse ‘zusammenscharren’, nd. rapsen ‘hastig ergreifen’, ags. ge-hrespan ‘reißen’, ahd. raspōn ‘zusammenraffen’, hrespan ‘rupfen, raffen’ (sp aus ps); ohne -s: norw. rapa ‘zusammenraffen’, mnd. rapen, mhd. nhd. raffen ‘raffen’, norw. schwed. rappa ‘an sich reißen, schnappen’ = nd. rappen ds.;
aisl. hreppa ‘erhalten’, ags. hreppen ‘anrühren’, mnd. reppen ds.;
lit. skur̃bti ‘verkümmern, trauern’, lett. skurbinât ‘in die Runde drehen bis zum Schwindligwerden’, skùrbt ‘schwindlig werden’, skur̃btiês ‘sich drehen’; nasaliert lit. skramblỹs ‘kleiner dickleibiger Mensch, Zwerg’, apr. (mit p) sen-skrempūsnan f. Akk. ‘Runzel’; mit der Vokalstellung *skreb-: lit. skrembù, skrèbti ‘trocken sein oder werden’, skrebė́ti ‘rascheln (vontrockenem Stroh)’, alt skreblỹs ‘Filz’, lett. skreblis ‘einfältiger Mensch, hartgewordener (verfilzter) Pelz’;
ohne s-: lit. kremblỹs ‘eine Pilzart’ (wohl ‘runzelig’ oder ‘faltig’); mit p-: lett. krum̃pa ‘Falte’, krum̃pêt ‘einschrumpfen’, lit. krumplỹs ‘Fingerknöchel’ (auch krumslỹs, lett. krum̃slis, skrum̃slis ds., auch ‘Knorpel, Knorren’), apr. krumslus ‘Knöchel am Finger’;
russ. skórblyj ‘zusammengeschrumpft’, skorbnutь ‘sich krummen’; koróbitь ‘krümmen’, refl. ‘sich krümmen, zusammenziehen, zusammenschrumpfen’, nasal. aksl. krǫpъ ‘klein (contractus)’, krǫpě-jǫ, -ti ‘sich zusammenziehen’;
über lit. kar̃bas ‘Korb’, russ. kórob, wruss. koróba ds., apr. carbio f. ‘Mühlenkasten’, lit. kar̃bija ‘Korb’, aksl. krabьji ‘arcula’ s. Trautmann 117 f.

WP. II 588 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal