Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rillen - (trillen, huiveren, beven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rillen ww. ‘trillen, huiveren, beven’
Vnnl. rillen ‘aan het oor trekken’ (met de aantekening ‘Rijnlands’) [1599; Kil.], ‘een trilling, huivering o.i.d. veroorzaken’ in Hem rilt een koude schrick door al de ... leden [1635; iWNT]; nnl. rillen ‘trillen, huiveren’ in ik ril over al mijn leden [1678; iWNT].
Mogelijk ontstaan uit ouder *riddelen dat te vergelijken is met vnnl. rijeren, rijderen ‘beven’ [1599; Kil.] en mnl. rideringhe ‘rilling, beving, siddering’ [ca. 1400; MNW]. Het gaat dan om frequentatieven op -eren en -elen bij een werkwoord mnl. riden ‘beven’. Hierbij hoort ook mnl. rede ‘koorts’ [ca. 1300; MNW]. Maar gezien de relatief jonge leeftijd van het woord is rillen misschien eerder een nevenvorm van de oudere synoniemen → drillen en → trillen.
Bij mnl. riden: ohd. rīdōn ‘beven’. Naast mnl. rede ook: os. rido ‘koorts’; ohd. rito ‘id.’; oe. hrið ‘id.’; daarnaast met een lange ī (uit pgm. *ei): oe. hrīð ‘sneeuwstorm’; on. hríð ‘storm, aanval’ (nno. ri ‘aanval van een ziekte; poosje’; nijsl. hríð ‘sneeuwstorm’) < pgm. *hreiþo.
Pgm. *hreiþ-/*hriþ- is verwant met: Oudiers crith ‘rilling, koorts’, Welsh cryd ‘rilling, angst’, < Proto-Keltisch *krit-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rillen* [trillen] {1678} nederduits rillen, fries rilje, van middelnederlands rideren [rillen], rideringe [het rillen, koorts], bij Kiliaan rijeren, rijderen [beven] {1599} oudhoogduits ridon, vgl. middelnederlands rede, oudsaksisch hrido, oudhoogduits rit(t)o [koorts] (vgl. ritsig).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rillen ww. niet mnl. overgeleverd, Kiliaen rillen (Sicamb.) ‘aan het oor trekken’, westf. rillern ‘schudden’, oostfri. rillen, nfri. rilje ‘rillen’. — Indien men uitgaat van een grondvorm *hriðlōn kan men verder aanknopen aan Kiliaen rijeren, rijderen ‘beven’ en mnl. rîderinghe ‘koorts’, fri. ridelje ‘schudden, beven’, iteratief-formatie bij mnl. rīden, ohd. rīdōn ‘beven’ en verder mnl. rēde m. v. ‘koorts’, os. hrido, ohd. rito, ritto, oe. hrið m. ‘koorts’ en hrīð v. ‘storm’, on. hrīð v. ‘storm; aanval, gevecht; tijd, tussenruimte’. Vgl. iers crith ‘beven, koorts’. — Het woord is afgeleid van de wt. *(s)kreit, waartoe ook schrijden behoort (IEW 937).

Opmerkelijk is on. riða v. ‘koortsaanval’ vgl. reeds runenzw. sarriþu ‘wondkoorts’ (koperplaatje van Sigtuna c. 1050). Het kan moeilijk hetzelfde zijn als hrīð, daar men voor dit woord bezwaarlijk een norwagisme kan aannemen (zo Falk MM 1910, 195); eerder anlautsvarianten (AEW 443-444).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rillen ww., nog niet mnl. = oostfri. rillen, fri. rilje “rillen”. Kil. “rillen. Sicamb. Aurem vellere”, westf. *rillen, waarvan rillern “schudden” is ’t zelfde woord met transitieve bet. Wsch. met ll < ðl: vgl. vooral Kil. rijeren, rijderen “tremere” (nog dial.; reeds mnl. rîderinghe v. “koorts”), fri. ridelje “schudden, beven”, ohd. rîdôn, laat-mnl. rîden “beven” en verder mnl. rēde m. (v.) “koorts”, ohd. rito, ritto, os. hrido m., ags. hrið m. “id.”, on. riða v. (*hriða) “koude koorts”, ags. hrið v. “storm”, on. hrîð v. “id. “aanval, tusschentijd, periode”. Idg. qrī̆-t- is wsch. een formantische variant van qrī̆-s- (zie rijs). Vgl. nog ier. crith “beven, koorts” < *qri-tu-. Van *qreit-s-â- wellicht lat. crîso “ik beweeg wellustig de beenen heen en weer”. Bij rillen ook nnl. ril “schuw”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rillen ono.w., + Ndd. id., Fri. rilje, uit *ridlen, Kil. rijderen + Ohd. rîdôn (Mhd. riden), Ags. hriđjan; daarbij Mnl. rede, Os. hrido = koorts + Ohd. rito (Mhd. rite, ritte, Nhd. ritten), Ags. hriđ. On. riđa + Oier. crith = beven: Idg. wrt. krei̯t.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ril ww.
1. Beef, bibber. 2. Gril, ys.
Uit Ndl. rillen (1635 in bet. 1). Ndl. rillen uit Mnl. rideren, oorspr. 'van die koors bibber'.
Vgl. rittel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rillen, brengt men tot den Germ. wt. ri = beven. Zie Rijs.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rillen ‘trillen’ -> Papiaments rel ‘sidderen, huiveren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rillen* trillen 1678 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal