Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijk - (vermogend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rijk 2 bn. ‘vermogend’
Onl. rīki ‘machtig, vermogend; overvloedig’ in bi then richon wazzaron ‘bij de overvloedige wateren’ [ca. 1100; Will.], arme unde [r]ich ‘arm en rijk’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. rike [1240; Bern.]; vnnl. rijk.
Os. rīki; ohd. rīhhi (nhd. reich); ofri. rīk(e) (nfri. ryk); oe. rīce (ne. rich); on. ríkr (nzw. rik); got. *reikjane (gen. m. mv.); alle ‘machtig, vermogend’; < pgm. *rīkja-. Daarbij hoort ook de substantivering → rijk 1.
Verwant met: Latijn rēx ‘heerser’ (genitief rēgis; zie → royaal); Sanskrit rā́j- ‘vorst’, rā́jati ‘heerst’; Oudiers ‘heerser’, Gallisch -rīx ‘id.’; < pie. *h3rēǵ-, ablautend (rekkingstrap) verwant met → recht 1.
Deze wortel zou pgm. *rēk- moeten opleveren. Pgm. -ī- verklaart men door ontlening aan het Keltisch. Het is daarbij niet geheel duidelijk of dat als bn. *rīkja- is gebeurd (NEW) of dat het woord voor ‘heerser’ is overgenomen (got. reiks ‘koning’, maar verder in de Germaanse talen niet aangetroffen) en dat daarvan in het Germaans een bn. is afgeleid. Met het Keltisch vindt men ook op het gebied van de namen met het element -rix sterke overeenkomsten: Teutorix komt overeen met pgm. *þeudarīk- (Nederlands Diederik).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijk2 [vermogend] {in de plaatsnaam Ricle, nu Rijkel (Belgisch-Limburg) <1139>, Rike, Ric(k) 1200} oudfries rike, oudsaksisch riki, oudhoogduits rihhi, oudengels rice, oudnoors rīkr; van dezelfde herkomst als rijk1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijk 2 bnw., mnl. rīke ‘machtig, aanzienlijk’, rijk, kostbaar’, os. rīki ‘machtig, aanzienlijk’, ohd. rīhhi ook ‘rijk’, ofri. rīke, oe. rīce (ne. rich) ‘machtig, aanzienlijk, rijk’, on. rīkr ‘id’, got. reiks (of reikeis) ‘aanvoerder’ en reiks m. ‘heerser, overheid’. — Te vergelijken zijn oi. rāj, lat. rēx, oiers (gen. rīg) ‘koning’ van de idg. stam *rēg, waarvoor zie: recht en rekken. — Nu is de idg. grondvorm *rēg, die in het germ. zou worden tot *rāk en niet tot *rīk. Daar echter idg. ē in het keltisch > ī werd, ligt het voor de hand aan te nemen, dat het germ. hier het keltische woord ontleend heeft.

Intussen is het niet zó, dat de Germanen het woord voor ‘koning’ ontleend hebben. Zij hebben de afl. *rīkja als adj. ‘machtig’ ontleend en daarvan afgeleid als znw. ‘rijk, heerschappij’. Alleen in het got. bet. reiks = gr. archōn; daarentegen kennen west- en noordgerm. dit niet. De daarvan afgeleide ww. voor ‘heersen’ verraden door hun uiteenlopende formaties, dat zij eerst later ontstaan zijn, zoals got. reikinōn, oe. rīcsian, ohd. rīhhisōn; on. rīkja. — Het kan dus niet zo zijn, dat de Germanen eenvoudig de koningstitel van de Kelten overgenomen zouden hebben. Daarom heb ik in Saeculum 7, 1956, 303-5 als uitgangspunt de namenmode aangenomen, volgens welke namen als got. Theuderīcus, Ermanarīcus, wand. Gaisarīcus, boerg. Hilperīcus, westgerm. Boiorīx, Caesorix, frank. Childericus, Chilpericus gekozen werden naar het voorbeeld van gallische namen als Dumnorīx, Vercingetorīx en daaruit een woord *rīka, *rīkja geabstraheerd werd, met de bet. van ‘machtig’. — Het is nu opmerkelijk, dat de idg. vorm *rěĝ wel in het germ. voorkomt en wel als on. reki ‘vorst, heerser’, waarbij komt oe. gerec ‘regering’; vgl. ook -rekr als 2de lid van eigennamen (on. Gautrekr). — Weinig waarschijnlijk is de mening van J. Trier Nachr. AW Göttingen 1943 Phil. hist. kl. 567, dat germ. *rīka op een idg. wt. *reiĝ zou teruggaan, welke met dezelfde bet. inderdaad naast *reĝ voorkomt (zie daarvoor: reiken); in dat geval zou dus het keltische woord alleen een nieuwe betekenis aan het germ. hebben toegevoegd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijk 2 bijv.(niet arm), Mnl. rike (= machtig), Os. rîki (= machtig, geweldig) + Ohd. rîhhi (Mhd. rîche, Nhd. reich), Ags. ríce (Eng. rich), Ofri. rík, On. ríkr (Zw. rik, De. rig), Go. adj. en subst. reiks (= machtig, heerscher). Heel die woordfamilie is vóór de klankverschuiving ontleend aan het Kelt. rīg- (cf. Ambiorix) + Skr. râjā, Lat. rēx (d.i. *reg-s) = koning: Idg. wrt. reg͂ (z. rekken). Ging in ’t Rom. over: Fr. riche, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

riek (bn.) vermogend; Vreugmiddelnederlands riki <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2ryk b.nw.
1. Vermoënd, nie arm nie. 2. Wat veel van iets besit. 3. Wat veel oplewer, wat ruim voorsien. 4. Kosbaar.
Uit Ndl. rijk (Mnl. rike, rijc), van dieselfde oorsprong as die s.nw. rijk (sien 1ryk).
D. reich, Eng. rich, Sweeds rik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ryk II: b.nw. en bw., aansienlik; kosbaar; vermoënd, welgesteld; Ndl. rijk (Mnl. rīke, “kosbaar; magtig; ryk”), Hd. reich, Eng. rich, wsk. via Kel. verw. aan Lat. rex, “hoof, leier, regeerder; koning” en verb. m. ryk I.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rijk (Keltisch)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rijk. Voor de vloek rijk God ‘machtig God’, die dienst doet als emotionele ontlading van frustratie, irritatie e.d., gaat dezelfde betekenis op als voor godverdomme. → God.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijk, afgel. van een Germ. woord, dat rik moet geluid hebben en koning bet.; vgl. ’t Got. reiks = heerscher, overste; het komt ook voor in eigennamen: als Hendrik, voor Henrik en dit uit Heemrik = koning van ’t heem; Frederik = vrede-koning; Theodorik = volkskoning, evenals Diederik (Dirk), zie Duitsch.
Dit rik vindt men terug in ’t Lat. regem. (4e nv. van rex = koning), en behoort tot den Idg. wt. reg = besturen, regeeren; zie Recht.
’t Rijk wil dus zeggen: het gebied van den koning.
Ook rijk: niet arm, in ’t Os. riki, is een afl. van rik = koning. Het bet. dus oorspr.: koninklijk; later: machtig, aanzienlijk, gegoed; vgl. ’t Mnl. „De rike God” = de machtige God.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijk ‘vermogend’ -> Frans riche ‘vermogend’ Frankisch; Esperanto riĉa ‘vermogend’ <via Frans>; Negerhollands riek, rik ‘vermogend’; Berbice-Nederlands riki ‘vermogend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijk vermogend 0901-1000 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal